Wij maakten ons zeer ongerust over het vertrek van den kolonel. Het
had blijkbaar betrekking op een verleden, dat wij voor altijd voorbij
hadden gewaand. Maar wat te doen? Het voetspoor van Sir Edward Munro
volgen? Wij wisten niet welken weg hij was ingeslagen en welk punt
van de Népaulsche grens hij zich voorstelde te bereiken. Wij konden
ons van den anderen kant niet ontveinzen dat, zoo hij zich niet aan
Banks had uitgelaten, dit was omdat hij de aanmerkingen van zijn
vriend vreesde, waaraan hij zich wilde onttrekken. Het speet Banks
zeer ons op dezen tocht gevolgd te zijn.
Men moest er dus in berusten en afwachten. Kolonel Munro zou zeker vóór
het einde van Augustus terug zijn, want die maand was de laatste,
die wij in het sanitarium zouden doorbrengen, alvorens door het
zuidwesten, den weg naar Bombay te kiezen.
Kâlagani werd zoo goed door Banks verzorgd, dat hij slechts
vierentwintig uren in het Stoomhuis bleef. Zijn wond was spoedig
genezen en hij verliet ons om zijn dienst in de kraal te gaan
hervatten.
Ook de maand Augustus begon onder hevige regenbuien,--een weer om
kikkers verkouden te maken,--zei kapitein Hod, maar toch zou het
minder regenachtig zijn dan in Juli en bijgevolg gunstiger voor onze
tochten in Tarryani.
Evenwel was de gemeenschap met de kraal zeer druk. Matthias van
Guitt was niet bijzonder in zijn schik. Ook hij rekende het kamp
in de eerste dagen van September op te breken. Nu ontbraken er nog
altijd een leeuw, twee tijgers en twee luipaarden aan zijn menagerie
en hij wist niet of hij zijn troep voltallig zou kunnen maken.
Om hem nog meer uit zijn humeur te maken kwamen inplaats van de
acteurs, die hij voor rekening zijner lastgevers wilde aannemen, zich
anderen aan zijn agentschap aanbieden, waarmede hij geen raad wist.
Zoo liet zich den 4n Augustus een prachtige beer in een zijner
vallen vangen.
Wij bevonden ons juist in de kraal, toen zijne chikaris hem in het
beweegbare hok een gevangene brachten van aanzienlijk lengte met een
zwarte vacht, scherpe klauwen, lange ooren met haren voorzien,--wat
eigenaardig is aan deze vertegenwoordigers van het geslacht der beren
in Indië.
»Wat heb ik aan zoo'n onnutten zooltreder!" riep de leverancier,
de schouders ophalende.
»Broeder Ballon! broeder Ballon!" riepen telkens de Hindoes.
Het schijnt wel, dat, zoo de Hindoes zich slechts de neven der tijgers,
zij zich de broeders der beren noemen.
Matthias van Guitt evenwel, ontving broeder Ballon, niettegenstaande
dezen graad van bloedverwantschap, met een gevoel van slecht verborgen
tegenzin. Beren te vangen, als hij tijgers noodig had, dat beviel
hem niet. Wat zou hij met dat lastige dier uitvoeren. Het leek hem
niets het te voeden zonder hoop zijne kosten vergoed te zien. De
Indische beer is weinig gevraagd op de markten van Europa en heeft
niet de handelswaarde van den grijzen Amerikaanschen beer, noch die
van den poolbeer. Daarom gaf dan ook Matthias van Guitt als een goed
koopman niets om een lastig dier, waarvan hij zich slechts moeilijk
zou kunnen ontdoen!
»Wilt u hem hebben?" vroeg hij kapitein Hod.
»En wat zou ik er mee doen?" vroeg de kapitein.
»U kunt er beefsteaks van maken," zei de leverancier, »indien ik
althans deze catachrese [4] mag gebruiken!"
»Mijnheer van Guitt," antwoordde Banks ernstig, »de catachrese is een
geschikt woord, wanneer het uit gebrek aan iedere andere uitdrukking
de gedachte behoorlijk wedergeeft.
»Zoo denk ik er ook over," hernam de leverancier.
»Welnu, Hod," zei Banks, »neemt ge of neemt ge niet den beer van
mijnheer van Guitt?"
»Welzeker niet!" antwoordde kapitein Hod. »Beren-beefsteak te eten,
wanneer de beer gedood is, laat ik nog daar, maar den beer te
dooden alleen met het doel om zijn beefsteak te eten, bezorgt me
geen eetlust!"
»Geeft dan den zooltreder de vrijheid," zeide Matthias van Guitt,
zich tot zijne chikaris wendende.
Men gehoorzaamde den leverancier. Het hok werd buiten de kraal
gebracht. Een der Hindoes opende de deur en broeder Ballon, die zeer
beschaamd scheen over zijn toestand, liet het zich geen tweemalen
zeggen. Hij verliet bedaard het hok, gaf een klein knikje met het
hoofd, dat men voor een bedankje kon houden en maakte zich onder een
geknor van voldoening uit de voeten.
»U hebt daar een goede daad verricht," zeide Banks. »Dat zal u geluk
aanbrengen, mijnheer van Guitt."
Banks had niet gedacht zoo juist gesproken te hebben. De dag van den
9n Augustus moest den leverancier beloonen, want hij schonk hem een
der wilde dieren, die hem nog ontbrak.
Ziehier onder welke omstandigheden:
Matthias van Guitt, kapitein Hod en ik, vergezeld van Fox, den
machinist Storr en Kâlagani, we doorkruisten, van zonsopgang af een
dicht kreupelbosch van cactus en mastikboomen, toen zich een half
gesmoord gehuil deed hooren.
Dadelijk hielden we onze geweren gereed om te vuren, alle zes goed
geplaatst, teneinde ons voor elken afzonderlijken aanval gedekt te
houden, en richtten we ons naar de verdachte plek.
Vijftig schreden verder liet de leverancier ons halt houden. Aan den
aard van het gebrul scheen hij herkend te hebben wat er van de zaak
was en, zich bijzonder tot kapitein Hod wendende, zeide hij:
»Vooral geen nutteloos schot."
Vervolgens eenige schreden vooruit makende, terwijl wij op een wenk
van hem achterbleven, riep hij uit:
»Een leeuw!"
En werkelijk deed een dier, dat aan het uiteinde van een sterk touw
was vastgemaakt, wanhopige pogingen om los te komen.
Het was wel degelijk een leeuw, een van de soort zonder manen,--die
zich door deze bijzonderheid van zijne stamgenooten van Afrika
onderscheidde,--maar overigens een werkelijke leeuw, de leeuw waarnaar
Matthias van Guitt zoo vurig gehaakt had.
Het woeste dier, dat aan een zijner voorpooten, omkneld door de
schuiflis van het touw, was opgehangen, deed vreeselijke rukken,
zonder dat het hem mocht gelukken zich los te wringen.
In weerwil van de aanbeveling van den leverancier was de eerste
beweging van den kapitein, vuur te geven.
»Schiet niet, kapitein!" riep Matthias van Guitt. »'k Bezweer u,
schiet niet!"
»Maar...."
»Neen, neen! zeg ik u! Die leeuw is in een mijner strikken gevangen
en hij hoort mij toe!"
't Was inderdaad een strik, een zoogenaamde galgstrik, tegelijk zeer
eenvoudig en zeer vernuftig.
Aan een sterken en buigzamen tak is een stevig touw bevestigd. Deze
tak wordt naar den grond toe gebogen, totdat het van een schuiflis
voorziene benedeneinde van het touw in de inkeping van een stevig in
den grond geheiden paal kan geslagen worden. Op deze paal nu plaatst
men een lokaas, zoodanig, dat ieder dier dat het wil aanraken, met
den kop of een zijner pooten in de lis gevangen wordt. Doch nauwelijks
heeft het dit gedaan of het lokaas, hoe zacht de aanraking ook geweest
zij, schuift het touw uit de inkeping los, de tak richt zich weder
op, het dier medesleurende, terwijl op hetzelfde oogenblik een zwaar
cilindervormig stuk hout, langs het touw naar beneden glijdende, op
de lis valt, haar vaster aandrukt en belet dat zij onder de pogingen
van den gehangene losgaat.
Deze soort van strik wordt dikwijls in de bosschen van Indië gespannen
en de roofdieren laten er zich veel meer in vangen, dan men geneigd
zou zijn te gelooven.
Het meest gebeurt het, dat het dier om den hals gepakt en bijna
onmiddellijk geworgd wordt, terwijl zijn kop half door den zwaren
houten cilinder verpletterd wordt. Maar de leeuw, die onder onze
oogen hing te spartelen, was slechts bij zijn poot gevangen en was
dus levend, springlevendig en waardig zich onder de gasten van den
leverancier te vertoonen.
Matthias van Guitt was verrukt over het avontuur en zond Kâlagani
naar de kraal, met de order het beweegbare hok onder het geleide van
een voerman te gaan halen. Inmiddels konden wij het dier, welks woede
door onze tegenwoordigheid verdubbelde, op ons gemak gadeslaan.
Ook de leverancier verloor hem niet uit het oog. Hij draaide om den
boom heen, daarbij evenwel zorgdragende zich buiten het bereik der
klauwen van het woedende dier te houden.
Een half uur later kwam het hok aan, door twee buffels getrokken. Men
liet er den gehangene, niet zonder eenige moeite in neder, waarna
wij den weg naar de kraal insloegen.
»Ik begon werkelijk te wanhopen," zeide Matthias van Guitt tot
ons. »De leeuwen maken geen belangrijk cijfer uit onder de nemorale
dieren van Indië...."
»Némorale?" zei kapitein Hod.
Ja, de dieren, die de bosschen bewonen, en 'k wensch mijzelven geluk
dit roofdier te hebben kunnen vangen, dat mijne menagerie eer zal
aandoen!"
Trouwens had Matthias van Guitt van dezen dag af aan, geen reden meer
zich over zijn tegenspoed te beklagen.
Den 11n Augustus werden twee luipaarden tegelijk in den tijgerval
gevangen, waaruit wij den leverancier verlost hadden.
Het waren twee tchitas, gelijk aan dien, die zoo stoutmoedig den
IJzeren Reus in de vlakten van Rohilkhande had aangetast en waarvan
wij ons niet hadden kunnen meester maken.
Er ontbraken nog slechts twee tijgers aan den voorraad van Matthias
van Guitt.
Het was de 15e Augustus. Kolonel Munro was nog niet weder te voorschijn
gekomen en ook hadden wij niet de minste tijding van hem gehoord. Banks
maakte zich meer ongerust dan hij het wilde doen voorkomen. Hij
ondervroeg Kâlagani, die de Népaulsche grens kende, naar de gevaren,
die Sir Edward Munro kon loopen in die onafhankelijke landstreken. De
Hindoe verzekerde hem, dat er geen enkele partijganger van Nana Sahib
op de grenzen van Thibet overbleef. Nochtans scheen het hem te spijten,
dat de kolonel hem niet tot gids gekozen had. In een land welks minste
voetpaden hem bekend waren, zouden zijne diensten hem zeer nuttig
geweest zijn. Doch nu was er niet aan te denken hem op te zoeken.
Intusschen zetten kapitein Hod en Fox meer bijzonder hunne tochten in
Tarryani voort. Met behulp van de chikaris der kraal gelukte het hem
niet zonder groot gevaar nog drie tijgers van gemiddelde grootte te
dooden. Twee van die roofdieren werden op rekening van den kapitein,
de derde op die van den oppasser geschreven.
»Acht en veertig!" zeide Hod, die gaarne, alvorens de Himalaya te
verlaten, het ronde cijfer van vijftig had willen bereiken.
»Negen en dertig!" had Fox gezegd, zonder een geduchten panter te
rekenen, die onder zijn schot gevallen was.
Den 20n Augustus liet de voorlaatste der tijgers, door Matthias van
Guitt benoodigd, zich in een der kuilen vangen, waaraan zij tot nog
toe, hetzij uit instinct, hetzij bij toeval ontkomen waren. Zooals
meestal gebeurt, verwondde zich het dier in zijn val, ofschoon de wond
volstrekt niet ernstig was. Eenige dagen van rust zouden voldoende zijn
om zijne genezing te verzekeren en op het tijdstip dat de levering
voor rekening van Hagenbeck van Hamburg moest plaats hebben, zou er
niets meer van blijken.
Het gebruik dezer kuilen wordt door de deskundigen als een barbaarsche
methode beschouwd. Als het slechts te doen is om de dieren te dooden,
zijn natuurlijk alle middelen goed, maar als men ze levend wil vangen,
is de dood maar al te dikwijls het gevolg van hun val, vooral als ze
in de vijftien tot twintig voeten diepe kuilen vallen, die bestemd
zijn voor de vangst van olifanten. Op tien kan men er nauwlijks
een vinden, die niet doodelijk verwond wordt. In Mysore, waar dit
systeem vooral in zwang was, zooals de leverancier ons mededeelde,
begint men er van af te zien.
Er ontbrak nu nog slechts één tijger aan de menagerie der kraal en
Matthias van Guitt wenschte meer dan ooit hem goed en wel in zijn bezit
te hebben, want hij had groote haast om naar Bombay te vertrekken.
Weldra zou hij zich ook van dezen tijger meester maken, maar tegen
welken prijs! Dit dient eenigszins breedvoerig vermeld te worden,
want het dier werd duur,--te duur,--betaald.
Door de bijzondere zorg van kapitein Hod zou in den nacht van den
26n Augustus een tocht georganiseerd worden. Het was te voorzien,
dat de jacht onder gunstige omstandigheden zou plaats hebben, een
heldere lucht, een kalme atmosfeer en een afnemende maan. Bij groote
duisternis, verlaten de roofdieren minder gaarne hun leger, terwijl
een halve duisternis ze er toe uitnoodigt. Juist nu zou de meniscus
of bolronde schijf der maan,--een woord van Matthias van Guitt,--na
middernacht nog eenig schijnsel geven.
Kapitein Hod en ik, Fox en Storr, die er mede smaak in begon te
krijgen, wij vormden de kern dezer expeditie, waarbij zich de
leverancier, Kâlagani en eenigen zijner Hindoes zouden voegen.
Toen dus de maaltijd was afgeloopen, verlieten wij, na afscheid genomen
te hebben van Banks, die voor de uitnoodiging om ons te vergezellen
bedankt had, het Stoomhuis tegen zeven uren des 's avonds en te acht
uur kwamen wij zonder eenige bijzondere ontmoeting aan de kraal aan.
Matthias van Guitt had juist gesoupeerd. Hij ontving ons met zijn
gewone komplimenten. Men raadpleegde met elkander en dadelijk werd
het plan van de jacht ontworpen.
Men zou op de loer gaan liggen aan den oever van een stroom, op den
bodem van een dier bergkloven, die men »nallah" noemt, op twee mijlen
van de kraal verwijderd, op een plek, die vrij geregeld 's nachts
door een paar tijgers bezocht werd. Er was daar vooraf geen lokaas
geplaatst, daar dit naar het zeggen der Hindoes onnoodig was. Een
drijfjacht, die onlangs in dit gedeelte van Tarryani gehouden was,
bewees dat de behoefte om hun dorst te lesschen voldoende was om de
tijgers, op den bodem dezer nallah te lokken. Men wist ook, dat het
gemakkelijk zoude zijn er zich met voordeel te plaatsen.
Wij zouden de kraal niet vóór middernacht verlaten en daar het nog
pas zeven uur was, moesten wij dus zonder ons te veel te vervelen
het oogenblik van vertrek afwachten.
»Mijne heeren," zei Matthias van Guitt, »mijn woning staat geheel
ter uwe beschikking. Ik raad u aan om te doen zooals ik en zoolang
naar bed te gaan. We zullen zeer vroeg op moeten staan en eenige uren
slaap zullen ons des te beter voor den strijd voorbereiden."
»Heb je lust om te gaan slapen, Maucler?" vroeg mij de kapitein.
»Neen," antwoordde ik, »en 'k wacht liever al wandelende den tijd af,
dan gedwongen te zijn midden in mijn slaap op te staan."
»Zooals u wilt, mijne heeren," antwoordde de leverancier. »Wat
mij aangaat, 'k voel reeds het krampachtige knippen der oogleden,
dat door de behoefte tot slapen wordt teweeggebracht. Ge ziet het,
'k begin me al uit te rekken!"
En Matthias van Guitt lichtte de armen in de hoogte, wierp het hoofd
en den tronk door een onwillekeurige uitrekking der buikspieren naar
achteren en liet een veel beteekenend gegeeuw hooren.
Toen hij zich dus op zijn gemak uitgerekt had, bracht hij ons zijn
laatsten afscheidsgroet, trad in zijn kooi en sliep ongetwijfeld
weldra in.
»En wat gaan wij nu uitvoeren?" vroeg ik.
»Laten we gaan wandelen, Maucler," antwoordde mij kapitein Hod,
»Laten we in de kraal gaan wandelen. 't Is een prachtige nacht en
'k zal frisscher zijn als het tijd is te vertrekken, dan wanneer 'k
een uur of wat sliep. De slaap moge bovendien onze beste vriend zijn,
dikwijls is 't een vriend, die op zich laat wachten."
Zoo schreden wij dan langzaam door de kraal, nu eens in gedachten
verdiept, dan weder druk pratende. Storr »dien zijn beste vriend niet
gewoon was te laten wachten," lag aan den voet van een boom en sliep
reeds. Ook de chikaris en de voerlieden zaten in hun hoek neergehurkt,
zoodat niemand binnen de omheining nog wakker was.
Dit was trouwens ook niet noodig, daar de kraal, door stevige
palissaden omgeven, volkomen gesloten was.
Kâlagani overtuigde zich zelf, dat de deur zorgvuldig gesloten was;
vervolgens begaf hij zich, na ons in het voorbijgaan goeden avond
gewenscht te hebben, naar de algemeene woning voor hem en zijne
metgezellen.
Kapitein Hod en ik waren nu geheel alleen.
Niet alleen de lieden van van Guitt, maar ook de huisdieren en de
wilde dieren sliepen, deze in hunne hokken, gene in groepen onder
de groote boomen, aan het uiteinde der kraal, uitgestrekt. Volkomen
stilte, zoowel van binnen als van buiten.
Het eerst bracht onze wandeling ons bij de plek door de buffels
ingenomen. Deze prachtige herkauwers, zoo zacht en gehoorzaam,
waren zelfs niet eens gekluisterd. Gewoon onder het gebladerte van
reusachtige ahornboomen te rusten, zagen we ze daar rustig uitgestrekt,
met de pooten onder zich gevouwen terwijl een langzame en luide
ademhaling uit die enorme massa's voortkomende, tot ons oor doordrong.
Zij ontwaakten niet eens bij onze nadering. Een van hen slechts
lichtte een oogenblik zijn grooten kop op, wierp den aan de dieren
van dit geslacht eigenaardigen onzekeren blik op ons en was weldra
weder in de slapende massa verloren.
»Zie tot welk een staat van tamheid deze dieren gebracht zijn,"
zei ik tot den kapitein.
»Ja," antwoordde Hod, »en toch zijn deze buffels vreeselijke dieren,
als ze in 't wild leven. Maar zij bezitten wel kracht, doch geen
levendigheid en wat vermogen hunne horens tegen het gebit der leeuwen
of de klauwen der tijgers? Ongetwijfeld ligt het voordeel aan de
zijde der roofdieren."
Al pratende waren wij bij de hokken teruggekomen. Ook daar doodsche
stilte. Tijgers, leeuwen, panters, luipaarden, sliepen allen in hunne
afzonderlijke afdeelingen. Matthias van Guitt vereenigde ze slechts
als ze door eenige weken gevangenschap tam geworden waren en hij had
gelijk. Zeer zeker toch zouden deze woeste dieren in de eerste dagen
hunner opsluiting elkander verslonden hebben.
De drie leeuwen, volkomen onbeweeglijk, lagen in een halven cirkel
gebogen als groote katten. Men zag niets van hun kop, die als verloren
was in een dikken mof van zwart bont, en ook zij sliepen den slaap
des rechtvaardigen.
In de hokken der tijgers was de slaap zoo vast niet. Vurige oogen
schitterden in het duister. Van tijd tot tijd werd er een groote poot
uitgestoken, welks klauwen de ijzeren staven omklemden. Het was een
slaap van roofdieren, die hun leed verkropten.
»Ze hebben benauwde droomen en ik begrijp het!" zei de medelijdende
kapitein.
Ook de drie panters werden ongetwijfeld door eenige wroeging, of
althans eenig berouw bezield. Op dit uur immers, zouden zij vrij van
alle banden door de bosschen gezworven, of de weiden doorloopen hebben,
naar levend vee zoekende.
Wat de vier luipaarden aangaat, geen nachtmerrie stoorde hun slaap. Zij
waren in diepe rust. Twee van die tot het kattengeslacht behoorende
dieren, het mannetje en het wijfje, bewoonden dezelfde slaapkamer en
bevonden zich daar even goed als in hun hol.
Een enkele afsluiting was nog ledig,--die welke moest bezet worden
door den zesden en onneembaren tijger, op welks vangst Matthias van
Guitt alleen nog maar wachtte om Tarryani te verlaten.
Onze wandeling duurde nagenoeg een uur. Na de kraal van binnen te zijn
rondgewandeld, zetten we ons neder aan den voet van een enorme mimosa.
Ook in het geheele woud heerschte een diepe stilte. De wind, die bij
het vallen van den avond nog door het gebladerte ruischte, was gaan
liggen. Geen blad bewoog zich. Beneden aan de oppervlakte der aarde,
zoowel als in de hooge luchtstreken, waar de halve maan haren loop
volbracht, overal was het even kalm.
Kapitein Hod en ik, bij elkander gezeten, ook wij zwegen. Geen
slaap maakte zich evenwel van hem meester. Het was eerder die meer
geestelijke dan lichamelijke afgetrokkenheid, onder welker invloed
men gedurende de volkomen rust in de natuur verkeert. Men denkt,
maar men kleedt zijne gedachte niet in. Men droomt als iemand zou
droomen, die niet slaapt, terwijl de blik, die door de oogleden nog
niet overschaduwd wordt, zich in fantastische droombeelden verliest.
Toch was er een bijzonderheid, die den kapitein verwonderde en, zacht
sprekende, zooals men het bijna onbewust doet, als alles om ons heen
zwijgt, zeide hij tot mij:
»Maucler, een dergelijke stilte verrast me! De wilde dieren brullen
gewoonlijk in het duister en des nachts is er leven in het bosch. Uit
gebrek van tijgers of panters zijn het jakhalzen, die zich nooit
stilhouden. Deze kraal, met levende wezens opgevuld, moest ze bij
honderden aantrekken en toch hooren we niets, niet het minste gekraak
van dood hout, niet het minste gehuil in de wildernis. Als Matthias
van Guitt wakker was, zou hij stellig niet minder verrast zijn dan
ik en met de een of andere zonderlinge uitdrukking zijn verbazing te
kennen geven."
»Je aanmerking komt me juist voor, waarde Hod," antwoordde ik, »en
'k weet waarlijk niet waaraan de afwezigheid van die nachtelijke
zwervers moet toegeschreven worden. Maar we mogen wel oppassen of
anders vallen we temidden van die kalmte ook in slaap!"
»Wakker blijven, wakker blijven!" antwoordde kapitein Hod, zich
uitrekkende. »'t Is nu haast tijd om te vertrekken."
En we sleepten het gesprek voort in door lange tusschenpoozen
afgebroken zinnen.
Hoe lang die droomende toestand duurde, zou ik niet hebben kunnen
zeggen, maar eensklaps werden wij uit onze slaperigheid gewekt door
een dof geruisch, dat ons beiden tegelijk deed opspringen.
Al spoedig bleek het dat het geruisch voortkwam uit het hok der
wilde dieren.
Leeuwen, tijgers, panters, luipaarden, straks nog zoo vreedzaam, deden
nu een toornachtig gebrom hooren. Overeind in hunne hokken, met kleine
schreden heen en weer loopende, snoven zij met kracht eenige lucht van
buiten op en richtten zich op tegen de ijzeren stangen hunner hokken.
»Wat scheelt ze toch?" vroeg ik.
»'k Weet het niet," antwoordde kapitein Hod, »maar ik vrees, dat ze
de nabijheid geroken hebben van..."
Eensklaps barstte een vreeselijk gebrul om de omheining van de
kraal los.
»Tijgers!" riep kapitein Hod uit, naar het slaapvertrek van Matthias
van Guitt snellende.
Maar, zoo geweldig was het gebrul geweest, dat het gansche personeel
der kraal reeds op de been was en de leverancier met al zijn bedienden
naar buiten kwam stuiven.
»Een aanval!" riep hij uit.
»'k Geloof het ook," antwoordde Hod.
»Wacht! We zullen zien!..."
»En zonder den volzin te eindigen, greep Matthias van Guitt een ladder
en plaatste ze overeind tegen de palissade. In een oogenblik had hij
er den hoogsten sport van bereikt.
»Tien tijgers en een dozijn panters!" schreeuwde hij.
»Dat kan ernstig genoeg worden," antwoordde Kapitein Hod. »Wij wilden
ze gaan jagen en zij komen jacht op ons maken!"
»De geweren! de geweren!" riep de leverancier.
En allen waren op zijn bevel binnen twintig seconden gereed om vuur
te geven.
Deze aanvallen van een bende wilde dieren zijn in Indië geenszins
zeldzaam. Hoe dikwijls zijn niet de bewoners der door de tijgers
bezochte streken en meer bijzonder die der Sunderbunds, in hunne
woningen belegerd geworden! Een dergelijke gebeurtenis behoort niet
tot de zeldzaamheden en maar al te vaak blijft het voordeel aan
de aanvallers!
Intusschen had zich bij het gehuil van buiten, het gebrul van binnen
gevoegd! De kraal beantwoordde het bosch. Men kon elkander binnen de
omheining niet meer verstaan.
»Naar de palissaden!" schreeuwde Matthias van Guitt, die zich meer
door gebaren dan door de stem deed begrijpen.
En allen snelden naar de omheining.
Op dit oogenblik deden de buffels, ten prooi aan den hevigsten schrik,
wanhopige pogingen om de plek waar ze opgesloten waren met geweld te
verlaten. De voerlieden beproefden te vergeefs ze te bedwingen.
Plotseling werd de deur, waarvan de houten boom zeker slecht bevestigd
was, met geweld opengebroken en stormde een bende wilde dieren de
kraal binnen.
Evenwel had Kâlagani die deur met de grootste zorg gesloten, zooals
hij elken avond deed!
»Naar de hut! Naar de hut!" schreeuwde Matthias van Guitt, naar het
huis snellende, dat alleen nog een schuilplaats kan aanbieden.
Maar hadden we den tijd er nog te komen?
Reeds waren twee chikaris, door de tijgers bereikt, op den grond
geworpen. De anderen, die de hut niet meer konden bereiken, liepen
door de kraal en zochten een schuilplaats waar ze haar vinden konden.
De leverancier, Storr en zes Hindoes waren reeds in het huis, waarvan
de deur gesloten werd op het oogenblik dat twee panters er zich in
wilden werpen.
Kâlagani, Fox en de anderen, hadden zich langs de boomen tot in de
eerste takken opgeheschen.
Kapitein Hod en ik hadden noch den tijd, noch de mogelijkheid gehad
zich bij Matthias van Guitt te voegen.
»Maucler! Maucler!" schreeuwde kapitein Hod, wiens rechterarm door
den slag van een klauw verscheurd was.
Een énorme tijger had mij met een slag van zijn staart ter aarde
geworpen. Ik richtte mij weder op juist op het oogenblik dat het dier
weder op mij toekwam en ik snelde naar kapitein Hod om hem ter hulp
te komen.
Een enkele schuilplaats bleef ons toen nog over: het was de ledige
afdeeling van het zesde hok. In een ommezien hadden we er ons
in geworpen en stelde de onmiddellijk gesloten deur ons voor het
oogenblik buiten het bereik der woedende dieren, die zich huilende
tegen de ijzeren stangen wierpen.
Zoo groot was de verbittering dier razende beesten, gevoegd bij de
woede der in de naaste afdeelingen gevangen tijgers, dat het hok,
op de wielen waggelde en op het punt was om te slaan.
Doch gelukkig verlieten de tijgers het weldra om zich op een zekerder
prooi te werpen.
Welk een tooneel, waarvan geen enkele bijzonderheid voor ons verloren
ging, daar wij het tusschen de stangen onzer afdeeling gadesloegen!
»'t Is de omgekeerde wereld!" riep kapitein Hod, die zich zat te
verbijten. »Zij buiten en wij binnen!"
»En je wond?" vroeg ik.
»Dat's niets!"
Vijf of zes geweren brandden op dit oogenblik los. Zij kwamen uit de
hut van Matthias van Guitt, die hardnekkig door twee tijgers en drie
panters belegerd werd.
Een van die dieren viel doodelijk getroffen door een ontplofbaren
kogel, waarschijnlijk uit de karabijn van Storr.
Wat de anderen aangaat, zij hadden zich dadelijk op de groep der
buffels geworpen en deze ongelukkige herkauwers zouden zich weldra
zonder verdediging tegen zulke tegenstanders bevinden.
Fox, Kâlagani en de Hindoes, die, om sneller in de boomen te klimmen,
hunne wapens hadden moeten wegwerpen, konden hen niet ter hulp komen.
Kapitein Hod evenwel gaf tusschen de stangen van ons hok door
vuur. Alhoewel zijn rechterarm, half verlamd door zijn wond, hem niet
toeliet met zijn gewone juistheid te schieten, had hij toch het geluk
zijn negen en veertigsten tijger te vellen.
Op dit oogenblik vlogen de buffels, razend van angst en schrik, loeiend
door de omheining. Tevergeefs beproefden zij den tijgers het hoofd te
bieden, die door geduchte sprongen aan hunne horens ontsnapten. Een
van hen, met een panter op den rug, die hem met zijn klauwen den nek
verscheurde, snelde, voor de deur aangekomen, naar buiten.
Vijf of zes anderen, door de wilde dieren achtervolgd, joegen hen na
en verdwenen.
Enkele tijgers vervolgden hen, maar de buffels, die de kraal niet
hadden kunnen verlaten, lagen met opengereten buik, op den grond.
Intusschen werden er nog andere geweerschoten door de vensters van
het houten huis gelost. Van onzen kant, deden wij, kapitein Hod en ik,
ons best toen een nieuw gevaar ons kwam bedreigen.
De dieren, in de hokken opgesloten, razend door de hardnekkige
worsteling, den reuk van het bloed, het gehuil hunner natuurgenooten,
trachtten zich met onstuimig geweld te bevrijden. Zou het hun gelukken
de traliën te verbreken? We moesten het werkelijk vreezen.
Inderdaad werd een der hokken omvergeworpen. Ik geloofde een oogenblik,
dat onze vrees zich bewaarheid had en ze werkelijk ontvlucht waren,
maar gelukkig was het niet zoo en konden zelfs de vluchtelingen niet
meer zien wat er buiten voorviel, omdat het hok met de getraliede
zijde op den grond was nedergekomen.
»Er zijn er bepaald te veel!" mompelde kapitein Hod, terwijl hij zijn
karabijn opnieuw laadde.
Op dit oogenblik nam een tijger een vervaarlijken sprong en met behulp
zijner klauwen gelukte het hem zich aan den ondersten tak van een boom
vast te klemmen, waarop twee chikaris een schuilplaats gezocht hadden.
Een dier ongelukkigen, bij de keel gepakt, beproefde te vergeefs
weerstand te bieden en werd op den grond geworpen.
Een panter betwistte den tijger dit reeds van het leven beroofde
lichaam, welks beenderen te midden van een plas bloed kraakten.
»Maar schiet dan toch, in Godsnaam!" schreeuwde kapitein Hod, alsof
hij zich door Matthias van Guitt en zijne metgezellen had kunnen
doen hooren.
Wat ons betreft, het was ons onmogelijk nu tusschenbeiden te
komen! Onze voorraad patronen was uitgeput en we konden ons slechts
bepalen tot de rol van onmachtige toeschouwers der worsteling! Maar
zie, daar gelukt het een tijger, in het naast ons gelegen vak, die
trachtte zijn traliën te verbreken, door het geven van een hevigen
schok, het evenwicht van het hok te verstoren. Het wankelde even en
viel bijna onmiddellijk omver.
Licht gekneusd door den val, hadden wij ons op de knieën opgericht. De
wanden hadden weerstand geboden, maar wij konden niets meer zien van
hetgeen buiten voorviel.
Mochten wij niets meer zien, wij hoorden althans! Welk een akelig
gehuil binnen de omheining der kraal! Welk een reuk van bloed
bezwangerde den dampkring! Het scheen dat de worsteling een heviger
karakter had aangenomen. Wat was er toch voorgevallen? Waren de
gevangenen der andere hokken ontsnapt? Vielen zij het houten verblijf
van Matthias van Guitt aan? Wierpen de tijgers en panters zich op de
boomen om de Hindoes er uit te rukken?
»En geen kans te zien om uit die doos te komen!" riep kapitein Hod
woedend uit.
Een kwartier ongeveer,--een kwartier waarvan wij de eindelooze minuten
telden, verliep in dezen toestand.
Toen nam het geraas der worsteling allengs af. Het gehuil
verzwakte. De sprongen der tijgers in de afdeelingen van ons hok
werden zeldzamer. Zou de moord een einde genomen hebben?
Eensklaps hoorde ik dat de deur der kraal met geweld gesloten
werd. Daarna riep Kâlagani ons met luide stem. Bij zijn stem voegde
zich die van Fox, herhalende:
»Kapitein! kapitein!"
»Hier!" antwoordde Hod.
Hij werd gehoord en bijna dadelijk daarop voelde ik dat het hok werd
opgelicht. Een oogenblik later waren wij vrij.
»Fox! Storr!" riep de kapitein, wiens eerste gedachte aan zijne
metgezellen gewijd was.
»Present!" antwoordden de machinist en de oppasser.
Zij waren wonderdadig behouden gebleven en zelfs niet eens gewond. Ook
Matthias van Guitt en Kâlagani waren ongedeerd. Twee tijgers en een
panter lagen levenloos op den grond uitgestrekt. De anderen hadden de
kraal verlaten, waarvan Kâlagani de deur gesloten had. Wij bevonden
ons allen in veiligheid.
Het was geen van de wilde dieren der menagerie gelukt onder de
worsteling te ontsnappen en zelfs telde de leverancier een gevangene
meer. Het was een jonge tijger, zittende in het kleine rollende
hok, dat over hem heen was gevallen en waaronder hij als in een val
gevangen was.
De voorraad van Matthias van Guitt was dus eindelijk voltallig; maar
het kostte hem duur! Vijf zijner buffels waren gedood, de anderen
hadden de vlucht genomen en drie Hindoes, vreeselijk verminkt,
zwommen in hun bloed op den bodem der kraal.