DE KRAAL.

De dood van dien ongelukkige had een levendigen indruk op ons

gemaakt, en vooral de wijze waarop hij had plaats gegrepen. Maar de

beet van de zweepslang, een der vergiftigste van het schiereiland,

is onverbiddelijk. Alweder een slachtoffer bij de duizenden, die

jaarlijks door deze geduchte dieren in Indië gemaakt worden [1].

Men heeft,--zeker uit kortswijl,--beweerd, dat er vroeger op Martinique

geen slangen waren, en dat de Engelschen ze er hadden ingevoerd,

toen zij het eiland aan Frankrijk moesten teruggeven. De Franschen

behoefden van deze soort van wraakneming geen gebruik te maken, toen

zij hunne overwinningen van Indië hebben overgegeven. Het was onnoodig,

en de natuur heeft zich in dit opzicht werkelijk kwistig betoond.

Het lichaam van den Hindoe werd onder den invloed van het vergif

snel ontbonden, en men moest het dadelijk begraven. Zijne metgezellen

vervulden die treurige taak, en legden het in een kuil, die zoo diep

was, dat de roofdieren het niet konden opgraven.

Zoodra deze droevige plechtigheid was afgeloopen, noodigde Matthias van

Guitt ons uit hem naar de kraal te vergezellen, en deze uitnoodiging

werd gretig aangenomen.

Binnen een half uur hadden wij de vestiging van den leverancier

bereikt. Deze vestiging rechtvaardigde zeer goed den naam van

»kraal," die meer bijzonder in gebruik was bij de kolonisten van

Zuidelijk-Afrika.

Het was een uitgestrekte open ruimte in het dichtst van het

woud. Matthias van Guitt had haar ingericht met een volkomen kennis

van alles wat tot het vak behoorde. Zij was aan de vier zijden omgeven

door een rij hooge palissaden, met een opening, die wijd genoeg was

om toegang tot de wagens te verleenen. In het midden bevond zich een

lange hut van boomstammen en planken, die aan al de bewoners der kraal

tot woning diende. Zes kooien, in verschillende afdeelingen verdeeld,

ieder op vier wielen, waren rechthoekig gesteld aan het linker uiteinde

der omheinde ruimte. Het gebrul in die wagens verried dat er zich

gasten in bevonden. Rechts was een dozijn buffels, gevoed door de

vette weiden op de helling der bergen, in de open lucht afgeperkt. Dit

was de gewone bespanning der rollende menagerie. Zes voerlui, die de

wagens moesten besturen, tien Hindoes, speciaal geoefend in de jacht

op wilde dieren, voltooiden het personeel der kraal.

De voerlui waren slechts gehuurd, zoolang als de campagne duurde. Het

was hun taak de wagens naar de wildstreken te brengen, en ze vervolgens

terug te geleiden naar het naaste station van den spoorweg. Daar

werden dan de karren op rolwagens geplaatst, en konden zij over

Allahabad of Bombay, Calcutta bereiken.

De jagers, van het ras der Hindoes, behoorden tot de kategorie van

lieden van het vak, »chikaris" genaamd. Zij moeten de sporen der

wilde dieren opzoeken, ze opjagen en ze vangen.

Zoodanig was het personeel der kraal en op deze wijze woonden Matthias

van Guitt en zijne lieden er reeds sedert eenige maanden. Zij waren

er blootgesteld, niet alleen aan de aanvallen der wilde beesten,

maar ook aan de koortsen, die in het bijzonder Tarryani bezoeken. De

vochtigheid der nachten, de noodlottige uitwasemingen van den bodem,

de vochtige warmte onder het dichte geboomte, dat slechts onvolkomen

door de zonnewarmte doordrongen wordt, dit alles maakt van de onderste

streek der Himalaya een ongezond oord.

En toch waren de leverancier en zijne Hindoes zoo goed geacclimatiseerd

in deze streek, dat zij evenmin door de »malaria" werden aangedaan

als de tijgers of andere gewone bezoekers van Tarryani. Doch wij

voor ons zouden niet ongestraft eenigen tijd in de kraal hebben

kunnen verblijven, en dat was ook het plan niet van kapitein

Hod. Eenige nachten slechts zouden wij op de loer liggen en den

overigen tijd doorbrengen in het Stoomhuis, in die hoogere streken,

die de uitwasemingen der vlakte niet kunnen bereiken.

Wij waren dus in het kampement van Matthias van Guitt aangekomen. De

deur werd geopend om er ons toegang in te verleenen.

Matthias van Guitt scheen bijzonder door ons bezoek vereerd te zijn.

»En nu, mijne heeren, wensch ik u welkom in mijn kraal. De inrichting

beantwoordt aan al de vereischten van mijn vak. Werkelijk is het

slechts een groote hut, wat de jagers op het schiereiland een »houddi"

noemen."

Zoo sprekende had de leverancier de deuren van de hut voor ons geopend,

die door hem en zijne lieden gemeenschappelijk bewoond werd. Het was er

alles behalve weelderig ingericht. Een eerste kamer voor den meester,

een tweede voor de chikaris, een derde voor de voerlieden, en in elke

kamer geen ander meubel dan een veldbed; een vierde grootere zaal,

die tegelijk voor keuken en eetzaal diende. De woning van Matthias

van Guitt verkeerde nog, zooals men ziet, in zeer primitieven toestand

en verdiende met recht de benaming van houddi.

Na de woning van »de tweehandigen, tot de eerste groep der zoogdieren

behoorende," bezocht te hebben, werden we uitgenoodigd de woning der

viervoetige dieren nog iets nader in oogenschouw te nemen.

Dit was het merkwaardigste gedeelte van de geheele kraal. Het deed

eerder denken aan de inrichting eener reizende menagerie dan aan

de gerieflijke schikking van een zoölogischen tuin. Er ontbrak

inderdaad niets aan, dan het in waterverf geschilderd doek, boven

een kermistooneel opgehangen, en met harde kleuren een dierentemmer

voorstellende in een vleeschkleurig tricot en fluweelen jasje,

te midden van een woest opspringenden troep wilde beesten, die met

bebloeden muil, de klauwen uitsteken en zich krommen onder de zweep

van een Bidel of een Pezon! Ongelukkig bevond zich daar geen publiek

om de loge te bestormen.

Eenige schreden van daar bevonden zich de tamme buffels. Zij namen

rechts een gedeelte ter zijde van de kraal in, alwaar men hun dagelijks

hun rantsoen versch gras bracht. Onmogelijk kon men deze dieren in

de naburige weiden laten rondzwerven. Zooals Matthias van Guitt het

in sierlijke bewoordingen uitdrukte: »de gewoonte om de dieren vrij

te laten weiden, zooals dit in het Vereenigd-Koninkrijk geschiedt,

is onbestaanbaar met de gevaren, die de wouden der Himalaya opleveren."

De eigenlijke menagerie bestond uit zes kooien, die op vier wielen

stonden. Elke kooi, van voren met traliewerk voorzien, was in drie

afdeelingen verdeeld. Door middel van deuren, of liever schotten,

die van onderen naar boven konden bewogen worden, kon men de dieren,

naar gelang de behoefte van den dienst het medebracht, van de eene

afdeeling in de andere drijven. Die kooien bevatten toen zeven tijgers,

twee leeuwen, drie panters en twee luipaarden.

Matthias van Guitt deelde ons mede, dat zijn voorraad eerst dan

gereed zou zijn, als hij nog twee luipaarden, drie tijgers en een

leeuw gevangen had. Dan eerst zou hij het kampement verlaten, het

dichtstbij zijnde station van den spoorweg bereiken en de richting

naar Bombay inslaan.

De wilde dieren, die men gemakkelijk in hunne hokken kon gadeslaan,

waren prachtig, doch bijzonder woest. Zij waren nog te kort geleden

gevangen om reeds aan hun toestand van opsluiting gewoon te zijn. Dit

merkte men aan hun ontzettend gebrul, aan hun onophoudelijke heen

en weer beweging van het eene tusschenschot naar het ander, aan de

geweldige slagen, die zij met de pooten tusschen de op vele plaatsen

verbroken traliën den toeschouwers trachtten toe te brengen.

Toen wij voor de kooien kwamen, verdubbelde dit geweld nog, zonder

dat Matthias er zich iets om scheen te bekreunen.

»Arme dieren!" zei kapitein Hod.

»Arme dieren!" herhaalde Fox.

»Gelooft u dan dat ze meer te beklagen zijn, dan zij die ge

doodt?" vroeg de leverancier op tamelijk drogen toon.

»Minder te beklagen dan te berispen.... dat ze zich hebben laten

vangen!" antwoordde kapitein Hod.

Indien het waar is wat men beweert, dat de roofdieren in landen als

in Afrika, waar de herkauwers, die hun tot voedsel strekken, zeldzaam

zijn, somtijds lang moeten vasten, zoo is dit niet hetzelfde in de

gansche streek van Tarryani. Daar toch zijn bizons, buffels, zebus,

wilde zwijnen, antilopen in overvloed voorhanden, waarop leeuwen,

tijgers en panters onophoudelijk jacht maken. Daarenboven bieden hun

de geiten, de schapen, om niet te spreken van de »raiöts," die ze

hoeden, een gemakkelijke en zekere prooi aan. Zij kunnen dus in de

bosschen der Himalaya gemakkelijk hun honger voldoen. Daarom ook is

hunne wreedheid, die hen nooit verlaat, niet te verontschuldigen.

Het was voornamelijk met het vleesch van den bizon en den zebu waarmede

de leverancier de gasten zijner menagerie voedde en de zorg hen op

zekere dagen te proviandeeren was aan de chikaris opgedragen.

Men stelle zich niet voor, dat deze jacht zonder gevaren zoude

zijn. Het tegendeel is waar. Zelfs voor den tijger is de wilde

buffel een geducht dier, vooral als hij gewond is. Vele jagers

hebben hem met de horens den boom zien ontwortelen, waarop hij een

schuilplaats gezocht had. Ongetwijfeld beweert men wel, dat het oog

van den herkauwer inderdaad een vergrootende lens is, dat de grootte

der voorwerpen zich in zijne oogen verdriedubbelt en dat de mensch,

met dat reusachtige voorkomen, hem vrees inboezemt. Eveneens beweert

men, dat de vertikale stand van het menschelijk wezen, als hij loopt,

de wilde dieren verschrikt en het daarom beter is ze overeind te

trotseeren dan neergehurkt of in liggende houding.

Ik weet niet in hoever deze bijzonderheden waarheid bevatten, maar

zeker is het, dat de mensch, zelfs al richt hij zich in zijne gansche

lengte op, niet de minste uitwerking op den wilden buffel maakt en

dat, bijaldien hij ongewapend is of zijn wapen hem begeeft, hij zoo

goed als verloren is.

Hetzelfde kan gezegd worden van den Indischen bizon of bultos, met den

korten en vierkanten kop, de ranke, aan de basis afgeplatte horens,

den bultigen rug,--die zijne verwantschap toont met zijn Amerikaanschen

stamgenoot,--met de van den hoef tot aan de knie toe witte pooten en

die van den wortel van den staart tot aan de punt der snuit menigmaal

vier ellen meet. Ook hij, al is hij misschien minder woest, wordt,

bij troepen in het hooge gras der vlakte weidende, vreeselijk voor

iederen reiziger, die hem onvoorzichtig aanvalt.

Dit waren dus de herkauwers die meer bijzonder bestemd waren de

roofdieren van de menagerie van Guitt te voeden. Ook trachtten de

chikaris, teneinde zich zekerder meester van hen te maken, ze bij

voorkeur in vallen te vangen, waaruit zij ze dood of bijna dood te

voorschijn haalden.

Overigens gaf de leverancier, als een man die zijn vak verstond, zijnen

gasten slechts spaarzaam te eten. Eens per dag, te twaalf uur, werd

hun vier of vijf pond vleesch uitgedeeld en niets meer. En zelfs,--het

was toch zeker niet om den Zondag?--liet hij ze van Zaterdag tot

Maandag vasten. Een hongerige Zondag voor de arme dieren! Als zij

dan ook na acht en veertig uren hun bescheiden aandeel ontvingen,

was het een moeielijk in te houden woede, een ontzettend gehuil,

gepaard met geduchte sprongen, die de rollende kooien heen en weer

schudden en deden vreezen dat ze totaal vernield zouden worden.

Jawel, arme dieren! is men geneigd met kapitein Hod te herhalen. Doch

Matthias van Guitt handelde zoo niet zonder reden. Deze onthouding in

hun toestand van opsluiting bespaarde zijnen wilden dieren allerlei

huidaandoeningen en verhoogde den prijs op de markten van Europa.

Men kan zich intusschen gemakkelijk voorstellen, dat, terwijl

Matthias van Guitt ons zijne verzameling vertoonde, meer als

natuurkundige dan als dierenvertooner, hij zijn mond geen oogenblik

stil hield. Integendeel. Hij sprak, hij vertelde, hij schilderde,

en, daar de roofdieren van Tarryani het voornaamste onderwerp zijner

wijdloopige redeneeringen uitmaakten, hoorden wij hem niet zonder

belangstelling aan. Wij zouden de kraal dan ook niet verlaten,

dan nadat ons de diepste geheimen van de zoölogie der Himalaya

ontsluierd waren.

»Maar, mijnheer van Guitt," zeide Banks, »hoe is het gesteld met de

voordeelen van het vak, staan ze in verhouding tot de gevaren?"

»Mijnheer," antwoordde de leverancier, »de voordeelen waren vroeger

zeer aanzienlijk. Evenwel ben ik verplicht te erkennen, dat de wilde

dieren in daling verkeeren. U kunt er zelf over oordeelen door de

marktprijzen van de laatste koersnoteering. Onze voornaamste markt

is de zoölogische tuin van Antwerpen. Gevogelte, slangvormige dieren,

exemplaren van de familie der apen en hagedissen, vertegenwoordigers

van de roofdieren der twee werelden, daarheen verzend ik gewoonlijk

de opbrengst onzer avontuurlijke drijfjachten in de wouden van het

schiereiland. Hoe het zij, de smaak van het publiek schijnt zich

te wijzigen en de verkoopsprijzen zullen weldra minder bedragen

dan de inkoopsprijzen! Zoo werd onlangs een mannetjes-struisvogel

verkocht voor slechts elf honderd franken en het wijfje voor slechts

achthonderd. Een zwarte panter heeft slechts tegen zestien honderd

franken een kooper gevonden, een tijgerin van Java tegen twee duizend

vierhonderd, en een familie van leeuwen,--de vader, de moeder, een

oom, twee veelbelovende jonge leeuwtjes,--tegen zeven duizend franken

te zamen!"

»Dat is waarlijk voor niets!" antwoordde Banks.

»Wat de proboscidea betreft...." hernam Matthias van Guitt.

»Proboscidea?" zei kapitein Hod.

»We geven dien wetenschappelijken naam aan de dikhuiden, die door de

natuur met een snuit voorzien zijn."

»De olifanten dus!"

»Ja, olifanten, sedert het quaternaire tijdperk, mastodonten in de

voorhistorische tijden...."

»Ik dank u," antwoordde kapitein Hod.

»Wat dus de proboscidea aangaat," hernam Matthias van Guitt,

»men moet de vangst van die dieren opgeven, of men zou ze alleen

moeten vangen om hunne slagtanden, want het verbruik van het ivoor

is niet verminderd. Maar, sedert dramatische schrijvers, teneinde

raad, verzonnen hebben ze in hunne stukken op te voeren, voeren de

impressario's ze van stad tot stad en dezelfde olifant, het land met

den reizenden troep afloopende, voldoet aan de nieuwsgierigheid van

een geheel land. De olifanten zijn dan ook minder gezocht dan vroeger."

»Maar," vroeg ik, »levert u dan alleen aan de Europeesche menagerieën

die exemplaren van de Hindoesche dierenwereld?"

»U zult me toestaan," antwoordde Matthias van Guitt, »dat ik me ten

dezen opzichte, mijnheer, veroorloof, zonder nieuwsgierig te zijn,

u een eenvoudige vraag te doen."

Ik boog ten teeken van toestemming.

»Ge zijt Franschman, mijnheer," hernam de leverancier. »Dat merkt men

niet alleen aan uw accent, maar ook aan uw type, dat een aangenaam

mengsel is van het gallo-romeinsche en het keltische ras. Als

Franschman nu zult ge weinig neiging hebben tot het doen van verre

reizen en ongetwijfeld hebt ge een reis om de wereld niet gemaakt?"

Hier maakte Matthias van Guitt het gebaar van een der groote cirkels

van den aardbol.

»Ik heb dat genoegen nog niet gehad!" antwoordde ik.

»Ik moet u dus vragen, mijnheer," hernam de leverancier, »niet of ge

naar de Indiën gegaan zijt, want ge zijt er, maar of ge het Indisch

schiereiland in den grond kent?"

»Nog onvolkomen," antwoordde ik. »'k Heb Bombay, Calcutta, Bénarès,

Allahabad, de vallei van den Ganges reeds bezocht. 'k Heb hunne

monumenten gezien en bewonderd, 'k heb...."

»Welnu! wat geeft dat, mijnheer, wat geeft dat!" antwoordde Matthias

van Guitt, het hoofd afwendende, terwijl zijn hand, in koortsachtige

beweging, de grootste minachting uitdrukte.

Daarna gaf hij een levendige en aanschouwelijke voorstelling van

hetgeen in zijne herinnering opkwam en stroomden de woorden over

zijne lippen.

»Ja, wat geeft het als ge de menagerieën niet bezocht hebt van

die machtige rajahs, die de vereering bewaard hebben der prachtige

dieren waarop het heilige grondgebied van Indië met recht trotsch mag

zijn! Neem dan, mijnheer, den staf van den toerist weder op! Ga in

Guicowar den koning van Baroda hulde bewijzen! Zie zijne menagerieën,

die aan mij de meesten hunner gasten, leeuwen van Kattyawar, beren,

panters, tchitas, losschen, tijgers, verschuldigd zijn! Woon de viering

bij van het huwelijk zijner zestig duizend duiven, dat elk jaar met

de grootste staatsie word ingezegend. Bewonder zijne vijfhonderd

»boulbouls", nachtegalen van het schiereiland, wier opvoeding men

behartigt alsof ze de erfgenamen van den troon waren! Aanschouw

die olifanten, waarvan een, belast met de betrekking van beul,

de taak is opgedragen het hoofd van den veroordeelde op het blok te

verpletteren! Begeef u vervolgens naar het verblijf van den rajah van

Maïssour, den rijksten souverein van Azië! Treed het paleis binnen

waar de rhinocerossen, de olifanten, de tijgers en al de wilde beesten

van hoogen rang, die tot de dierenaristocratie van Indië behooren, bij

honderden geteld worden! En wanneer gij dat alles zult gezien hebben,

mijnheer, zult ge niet meer van onwetendheid kunnen beschuldigd worden

ten opzichte van de wonderen van dat onvergelijkelijke land!"

Ik had slechts te buigen voor de opmerkingen van Matthias van Guitt. De

hartstochtelijke wijze waarop hij de zaken voordroeg, liet niet toe

ze rijpelijk te bespreken.

Evenwel ondervroeg kapitein Hod hem meer rechtstreeks omtrent de

bijzondere fauna van deze streek van Tarryani.

»Eenige inlichtingen, als 't u blieft," vroeg hij hem, »betreffende de

roofdieren, die ik in dit gedeelte van Indië ben komen opzoeken. Hoewel

ik slechts een jager ben, zal ik u niet in de wielen rijden, mijnheer

van Guitt en zelfs wil ik u gaarne de hand reiken als ik u kan helpen

om de tijgers te vangen, die nog aan uwe verzameling ontbreken. Maar,

is eenmaal uw menagerie voltallig, dan zult ge 't mij niet euvel

duiden dat ik me voor mijn persoonlijk genoegen aan de vernieling

dezer dieren wijd!"

Matthias van Guitt nam de houding aan van iemand, die zich getroost

te ondergaan wat hij anders afkeurt, maar niet kan beletten. Hij

stemde overigens toe, dat Tarryani een aanzienlijk aantal boosaardige

dieren bevatte, die gewoonlijk weinig gevraagd worden op de markten

van Europa en waarvan de uitroeiïng hem geoorloofd toescheen.

»Dood de wilde zwijnen, 'k heb er vrede mee," antwoordde hij. »Hoewel

deze zwijnen, van de orde der dikhuidigen, geen vleeschetende dieren

zijn...."

»Vleeschetende dieren?" zei kapitein Hod.

»'k Meen daarmee dat zij plantetende dieren zijn; ze zijn zoo woest,

dat zij de jagers, die de stoutmoedigheid hebben ze aan te vallen,

aan het grootste gevaar blootstellen!"

»En de wolven?"

De wolven zijn talrijk door het gansche schiereiland verspreid

en zeer te duchten, als ze in troepen op een eenzame landhoeve

losstormen. Die dieren gelijken op den vaalrooden wolf van Polen en

ze zijn mij evenveel waard als de jakhalzen of de wilde honden. Ik

ontken trouwens de verwoestingen niet, die ze aanrichten, maar, daar

ze geen waarde hebben en niet waard zijn onder de hoogere klassen

der zoogdieren te worden opgenomen, laat ik u die ook, kapitein Hod."

»En de beren?" vroeg ik.

»De beren hebben veel goeds, mijnheer," antwoordde de leverancier,

toestemmend met het hoofd knikkende. »Al mogen de Indische beren

niet zoo gretig gezocht zijn als hunne stamgenooten onder andere

hemelstreken, zoo bezitten zij toch een zekere handelswaarde, die

hen aan de welwillende aandacht der kenners aanbeveelt. De smaak kan

verschillen tusschen de twee typen uit de valleien van Cashmir en

de heuvels van Raymahal. Doch, uitgenomen misschien in het tijdperk

van overwintering, zijn deze dieren genoegzaam onschadelijk en kunnen

zij het jagersinstinct van een echten jager, zooals kapitein Hod mij

toeschijnt, niet in verzoeking brengen."

De kapitein boog met een veelbeteekend air, te kennen gevende, dat

hij met of zonder toestemming van Matthias van Guitt, zelf in die

bijzondere quaesties zou beslissen.

»Daarbij komt," voegde de leverancier er bij, »dat ook deze beren

plantetende dieren zijn en niets dan kruiden eten en dus niets

gemeen hebben met de woeste soorten, waarop het schiereiland met

recht roem draagt."

»Rekent ge het luipaard onder deze wilde dieren?" vroeg kapitein Hod.

»Ongetwijfeld, mijnheer. Dit tot het kattengeslacht behoorende dier

is vlug, stoutmoedig, klimt in de boomen en is daardoor somtijds

geduchter dan de tijger...."

»Kom!" zei kapitein Hod.

»Mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt op drogen toon, »als een

jager niet meer verzekerd is een schuilplaats in de boomen te vinden,

dan scheelt het niet veel of hij wordt op zijn beurt gejaagd!"

»En de panter?" vroeg kapitein Hod, die een einde aan dit gesprek

wilde maken.

»Prachtig, de panter," antwoordde Matthias van Guitt, »en u kunt

u overtuigen, mijne heeren, dat ik er heerlijke exemplaren van

heb! Verwonderlijke dieren, die door een zonderlinge tegenstrijdigheid,

een antilogie, om een minder gewoon woord te gebruiken, voor de jacht

kunnen afgericht worden! Ja, mijne heeren, vooral in Guicowar oefenen

de rajahs de panters in deze edele lichaamsoefening! Men vervoert ze

in een palankijn, de kop in een kap gehuld als een giervalk of een

krem! 't Zijn echte valken met vier pooten! Zoodra de jagers in de

verte een kudde antilopen zien, wordt den panter de kap afgenomen en

werpt hij zich op de vreesachtige dieren, wier vlugge beenen ze niet

aan hunne vreeselijke klauwen kunnen onttrekken. Ja, ja, mijnheer de

kapitein, ge zult panters in Tarryani vinden! Ge zult er meer vinden,

dan u misschien lief is, maar 'k voeg er de christelijke waarschuwing

bij, dat die niet tam gemaakt zijn!"

»'k Hoop het van harte," antwoordde kapitein Hod.

»Evenmin als de leeuwen, trouwens," voegde de leverancier er bij,

die dit antwoord niet goed kon verkroppen.

»De leeuwen!" zei kapitein Hod. »Wees zoo goed en vertel ons eens

wat van de leeuwen!"

»Welnu mijnheer," hernam Matthias van Guitt, »'k beschouw die gewaande

koningen van het dierenrijk als beneden hunne stamgenooten van het

oude Lybië. Hier dragen de mannetjes de manen niet, die de trots

uitmaken van den Afrikaanschen leeuw en 't zijn, naar 't mij voorkomt,

slechts jammerlijk geschoren Samsons! Ze zijn trouwens bijna geheel uit

Centraal-Indië verdwenen om een schuilplaats te zoeken in Kattyawar,

de woestijn van Theil, en in Tarryani. Deze ontaarde dieren, nu als

kluizenaars levende, kunnen in den omgang met hunne gelijken, de oude

geestkracht niet terug erlangen. Ik plaats ze dan ook niet op den

eersten rang onder de viervoetige dieren, want, dat verzeker ik u,

mijne heeren, den leeuw kan men ontsnappen, maar den tijger, nooit!"

»O! die tijgers!" riep kapitein Hod uit.

»Ja! die tijgers!" herhaalde Fox.

»Den tijger de kroon," antwoordde Matthias van Guitt, zich

opwindende. »Men spreekt van den koningstijger en niet van

den koningsleeuw, en dat is juist. Indië hoort hem geheel toe

en gaat in hem op! Is hij niet de eerste bewoner van den bodem

geweest? Heeft hij het recht niet, niet alleen de vertegenwoordigers

van het Anglo-Saksische ras, maar ook de zonen van het zonneras

als veroveraars te beschouwen? Is hij het echte kind niet van het

heilige land der Argavarta? Ook ziet men die prachtige dieren over

de gansche oppervlakte van het schiereiland verspreid en hebben zij

geen enkel distrikt hunner voorvaderen verlaten, van kaap Comorin af

tot de Himalaya-keten toe!"

En, nadat Matthias van Guitt met zijn arm in de richting van het

Zuiden een vooruitstekend voorgebergte had beschreven, wendde hij

hem naar het noorden om een heele reeks bergen af te teekenen.

»In den Sonderbund," hernam hij, »zijn zij thuis! Daar heerschen

zij als meesters, en wee hem die hun dit grondgebied zou willen

betwisten! In de Nilgheries zwerven ze in menigte rond, als wilde

katten,

»Si parva licet componere magnis!" [2]

»Ge zult daarom licht begrijpen, waarom deze prachtige, tot het

kattengeslacht behoorende dieren op al de markten van Europa zoo

sterk gevraagd zijn en den trots uitmaken der dierentemmers. Wat is

het voorwerp der grootste belangstelling in de openbare of bijzondere

menagerieën? De tijger! Wanneer siddert ge voor het leven van den

dierentemmer? Als hij in het hok van den tijger treedt? Welk dier

betalen de rajahs zijn gewicht aan goud voor de versiering hunner

koninklijke tuinen? De tijger! Welk dier wordt het duurste betaald

op de beurzen van Londen, Antwerpen en Hamburg? De tijger! Bij

welke jachten onderscheiden zich de Indische jagers, officieren

van het koninklijke leger of die van de inlandsche armée? Bij de

tijgerjachten! Weet ge, mijne heeren, welk genot de vorsten van

het onafhankelijk Indië hunnen gasten verschaffen? Men voert een

koninklijken tijger in een hok aan. Het hok wordt geplaatst te

midden van een uitgestrekte vlakte. De rajah, zijne genoodigden,

zijne officieren, zijne wachters, zijn gewapend met lansen, revolvers

en karabijnen en berijden meestal vurige solidungula [3]."

»Solidungula?" zei kapitein Hod.

»Hunne paarden, als ge de voorkeur geeft aan dit wel wat alledaagsche

woord. Doch deze solidungula, verschrikt door de nabijheid van den

tijger, den eigenaardigen reuk dien het dier afgeeft, zijne vurige

oogen, steigeren, en de berijders hebben al hun behendigheid noodig

om ze te bedwingen. Plotseling wordt de deur van het hok geopend. Het

monster springt te voorschijn, hij vliegt, hij werpt zich op de hier

en daar verspreide groepen, hij offert een menigte slachtoffers aan

zijn woede op. Moge het hem een enkele maal gelukken door den kring

van ijzer en vuur, die hem omvat, heen te breken, meestal bezwijkt

hij, een tegen honderd! Maar zijn dood is althans roemrijk en is

vooruit gewroken!"

»Bravo! mijnheer Matthias van Guitt," riep kapitein Hod uit, die

op zijn beurt vuurvatte! »Ja, dat moet een prachtig schouwspel

zijn. Ja! de tijger is de koning der dieren!"

»Een koningschap dat de omwentelingen tart!" voegde de leverancier

er bij.

»En gij moogt er gevangen hebben, mijnheer van Guitt," antwoordde

kapitein Hod, »ik heb er gedood en 'k hoop Tarryani niet te verlaten,

voordat de vijftigste onder mijne schoten gevallen is!"

»Kapitein," zei de leverancier, de wenkbrauwen fronsende, »'k heb

u de wilde zwijnen, de wolven, de beren, de buffels gelaten! Is dat

dan nog niet genoeg om uw jagerswoede te koelen?"

Ik merkte, dat onze vriend Hod zich met evenveel vuur als Matthias

van Guitt over die netelige vraag ging uitlaten.

Had de een meer tijgers gevangen dan de andere er gedood had, welk

een stof ter bespreking! Was het beter ze te vangen dan ze om te

brengen? Wie zou deze quaestie beslissen!

Beiden, de kapitein en de leverancier, begonnen reeds driftige woorden

met elkander te wisselen, en zelfs tegelijk te spreken zonder elkander

meer te begrijpen.

Banks kwam nu tusschenbeiden.

»De tijgers," zeide hij, »zijn de koningen der schepping, dat is

zeker, mijne heeren, maar 'k ben zoo vrij er bij te voegen dat het

zeer gevaarlijke koningen voor hunne onderdanen zijn. In 1862 als ik

me niet bedrieg, hebben deze lieve diertjes al de telegrafisten op het

eiland Sangor verslonden. Men verhaalt ook van een tijgerin, die in

drie jaren niet minder dan honderdachttien slachtoffers gemaakt heeft,

en van een ander, die in hetzelfde tijdsverloop honderdzevenentwintig

personen heeft omgebracht. Dat is te veel, zelfs voor koninginnen! Ja

zelfs zijn sedert de ontwapening der Sipayers, in een tijdvak van

drie jaren, twaalfduizend vijfhonderd vierenvijftig individus onder

den aanval van tijgers bezweken."

»Maar, mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt, »u schijnt te

vergeten, dat deze dieren omophagen zijn."

»Omophagen?" zei kapitein Hod.

»Ja eters van rauw vleesch, en zelfs beweren de Hindoes dat, zoo

zij eens menschenvleesch geproefd hebben, ze geen ander vleesch

meer willen!"

»Welnu, mijnheer?..." zei Banks.

»Welnu, mijnheer?" antwoordde glimlachend Matthias van Guitt, »het

is hun aard! ... Zij moeten immers eten!"

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2) · 第 4 / 47 题