[1] Ik verwijs voor eene, naar het mij voorkomt, praktische kleeding,
zoowel voor zuigelingen als voor oudere kinderen, naar de boekjes,
uitgegeven door de vereeniging: „Vakschool voor verbetering van
vrouwen- en kinderkleeding” te Amsterdam. I. Zuigelingenkleeding. II.
Kruipleeftijd. III. Kleeding voor meisjes van 2–6 jaar. IV. Kleeding
voor jongens van 2–6 jaar. V. Kleeding voor meisjes van 6–12 jaar. VI.
Kleeding voor meisjes van 12–17 jaar, door M. A. Faddegon en J. L.
Redeke-Hoek.
[2] W. Preyer, Die Seele des Kindes. 7te Auflage, 1908.
[3] Het is mij niet lang geleden gelukt eene borst, nadat het kind vier
weken lang, wegens zware ziekte van de moeder, kunstmatig gevoed was,
wederom door het zuigen van het kind tot voldoende zogafscheiding te
brengen, zoodat de intusschen herstelde moeder haar kind geheel aan de
borst kon voeden.
[4] Het vermelden van deze persoonlijke opvatting is niet geheel van
gevaar ontbloot, en dat gevaar betreft zoowel den zuigeling als
mijzelf. Voor den zuigeling schuilt het gevaar hierin, dat de nog
onervaren moeder, telkens wanneer het kind schreit, vermoedt dat het
honger heeft en het dus aan de borst legt, waaraan het dan eenige malen
zuigt, doch niet met die lust en die kracht, welke inderdaad berust op
de natuurlijke behoefte aan voedsel, om vervolgens slechts met den
tepel te spelen en weder met schreien te beginnen, zoodra zijne moeder
hem in de wieg wil leggen. De moeder moet zich er voor hoeden, op die
wijze van haar kind een dwingeland te maken, die haar alle rust beneemt
en zichzelf schade berokkent.
Voor mij schuilt het gevaar hierin, dat men, door onnadenkend volgen
van mijne opvatting, het kind tot een lastig kind maakt en ten prooi
geeft aan stoornissen in de spijsvertering, en mij daarvan de schuld
geeft. Voor onnadenkend opvolgen van eene, in eene langdurige praktijk
verkregen, overtuiging, kan ik echter geene verantwoordelijkheid
aanvaarden. Ik heb, bij het schrijven van dit werkje, erop gerekend,
dat iedere moeder haar best zal doen zoo spoedig mogelijk de
eigenaardigheden van haar kind te leeren kennen en daarbij trachten wil
verstandig te handelen. Zooals gezegd, zal de oplettende moeder al
spoedig zekere regelmaat ontdekken en daarmede rekening moeten houden.
[5] Dr. C. N. van de Poll. Over het voeden van zuigelingen. Medisch
weekblad, 1915.
[6] Zie aanhangsel.
[7] Dr. E. Gorter. De voeding van gezonde en zieke zuigelingen, 2e
druk. Hij raadt gewone suiker aan. 1 eetlepel suiker weegt 30 gram, 1
paplepel 15 gram, 1 theelepel 5 gram (opgehoopt); voor een afgestreken
lepel rekene men de helft.
Voor het meel neme men zuivere rijst- of tarwebloem. 1 eetlepel meel
weegt 20 gram, 1 paplepel 10 gram, 1 theelepel 3–4 gram (opgehoopt).
[8] Foto’s door de firma D. J. Boom, Hengelo (O.).
[9] Pneuma = lucht, welke, in gezonden toestand, alles wat niet vast
is, dus alle holten, vult.
[10] In Amstelodamum, December 1919, schrijft J. W. F.: „In zijn Uit ’t
leven van een leurder (1915, 30) vertelt Jos. Goudswaard over „de
heilige lengte van Christus”, een strook papier van 1,65 Meter lang,
waarop gedrukt staan litanieën en gebeden, dat zijn eigenaar, zijn
drager behoedt voor alle kwalen; die vrouwen zonder smart doet baren en
de huizen waarin ze zich bevindt veilig maakt tegen kwade geesten,
uitgedrukt in deze woorden: „De zegen des Allerhoogsten van God den
Vader, God den zoon en God den H. Geest, gebenedijde dit huis, en al
wat daar binnen en buiten is; menschen en vee, alle eten, spijs en
drank en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en
gezegend.”
[11] Het is aan te bevelen om meel, dat met melk of eene andere
eiwithoudende grondzelfstandigheid zal worden gekookt, vooraf met water
gaar te koken. Meel, rijst, griesmeel enz. die met melk tot een pap
zullen dienen, worden in het Groningsche Ziekenhuis vooraf met weinig
water gaar gekookt tot een dikke waterpap. Moet hiermede iets anders,
b.v. melk of karnemelk worden verdund, dan wordt daarvoor later in
evenredigheid een kleinere hoeveelheid water gebruikt. (Scheltema).