Het kind, als product van het mannelijke en het vrouwelijke, is, zooals
onze schoone moedertaal zoo juist uitdrukt, onzijdig, d.w.z. dat noch
het mannelijke noch het vrouwelijke in den aanvang op den voorgrond
treedt, al moge de bouw van het lichaam in velerlei opzicht reeds
aanwijzen, waartoe het komen zal.
Het kind is, pasgeboren, tot zekere hoogte nog maar natuurlijk, niet
geestelijk, ontwikkeld, al brengt het den geest mede als mogelijkheid
tot ontwikkeling daarvan. Het pasgeboren kind is dus mensch in aanleg
en zal zich tot mensch te ontwikkelen hebben, door ontwikkeling van den
geest tot begrip.
Zoo verhoudt het pasgeboren kind zich als een menschelijk dier, dat
slechts gedeeltelijk voor zichzelf zorgen kan en hulp behoeft van haar,
die het ter wereld bracht. Ofschoon hieruit volgt, dat moeder en vader
hebben acht te geven ook op de ontwikkeling van den geest van hun kind,
en vooral in dàt opzicht eene groote en grootsche taak haar wacht, die
moeder worden zal, heeft zij, om te beginnen, te bedenken, dat het
kind, waarvan zij de moeder zijn zal, ontsproten uit haar lichaam,
allereerst den aard zal hebben van haar natuurlijk leven, zoodat—in ’t
algemeen gesproken—alleen de gezonde moeder een gezond kind kan ter
wereld brengen, de gezonde moeder de meeste waarborgen geeft voor een
gezond nageslacht.
Reeds vóór de vrouw moeder wordt heeft zij dus zorgen en is, met het
oog daarop, eenige kennis van de wijze waarop in haar binnenste het
kind wordt aangelegd en van de plaats waar de vrucht zich tot kind
ontwikkelt, niet overbodig te achten, opdat zij kunne begrijpen, waarom
zij, mede ter wille van haar kind, voor zichzelve heeft zorg te dragen.
De plichten van den aanstaanden vader zijn evenmin gering. Het kind,
ontsproten uit vereeniging van man en vrouw, is, natuurlijk en
geestelijk, herhaling en voortzetting van het voorafgegane of
voorafgaande geslacht en zal dus vertoonen, wat men onder erfelijkheid
verstaat. Beide factoren zijn in het product begrepen, en is dus te
begrijpen, dat het kind van man en vrouw niet afwijkt van, doch gelijkt
op beiden, zoodat ook de vader, vóór hij zich zoo zal kunnen noemen,
heeft te bedenken hoe, en heeft zorg te dragen dat hij, met recht, zal
zijn een goed vader, natuurlijk en geestelijk. De voorafgegane
opmerking dient dus uitgebreid te worden tot: slechts gezonde ouders
kunnen waarborgen geven voor een gezond nageslacht.
Dit geschrift wil trachten de aanstaande moeder eenigermate in te
lichten en raad te geven met betrekking tot velerlei uit den tijd
waarin, en omtrent datgene waarvoor, zij in „blijde verwachting” leeft.