„De dooden staan weer uit hun graven op, miss Wilson!” lachte hij toen,
„ge hebt mij daar juist verteld, dat de markies gisteren in een duel
gevallen is en dadelijk zult ge hem in levende lijve voor u zien!
Brown, zeg den markies, dat ik hem met groot genoegen zal ontvangen”.
De deur ging open en in de uniform van een Fransch majoor, het kruis
van het Legioen van Eer op de borst, trad markies de Frontignac de
kamer binnen.
Baxter twijfelde er geen oogenblik aan, dat hij den markies voor zich
zag.
Twee jaar geleden had hij hem eens gesproken op een buitenpost, en zich
toen langen tijd met hem onderhouden, en het gebruinde gelaat, met de
even grijzende snorren was den gebieder van Scotland Yard niet uit het
geheugen gegaan.
„Wel, markies, zijt gij het inderdaad!” riep Baxter uit, „ge zijt dus
niet dood?”
„Dood? Ik? Zooals ge ziet, waarde inspecteur, leef ik nog!”
„Ge zijt dus gister niet in een duel gevallen?”
„Een duel? De laatste tweestrijd dien ik gevoerd heb, ligt reeds vijf
jaren achter mij. Maar ik begrijp alles. Deze leugen is waarschijnlijk
uitgestrooid door het slechte wezen, dat ik tot gisteren nog mijn vrouw
noemde, en dat, ik moet het tot mijn schande bekennen, heden nog mijn
naam draagt!”
Baxter en miss Wilson keken elkander verstomd aan.
„Ge hebt dus heel droevige ervaringen met uw vrouw opgedaan?” vroeg
Baxter. „Ja, mijn waarde markies, de vrouwen zijn een wonderlijk en
meestal zeer treurig hoofdstuk in het leven der mannen.”
Het gelaat van den markies werd somber, en zijn stem klonk hard, toen
hij uitriep:
„Zoo schandelijk als ik werd nog nooit een man bedrogen!
„Ik heb deze vrouw lief gehad, en elken wensch van haar ijdel hart
vervuld!
„Ik was in de verbeelding, dat ik een eerlijk meisje, van ouden doch
verarmden adel naar het altaar had geleid!
„En thans...
„Thans ben ik er achter gekomen, dat ik een deerne tot mijn vrouw heb
gemaakt, eene verworpelinge, die op zeventien-jarigen leeftijd naar een
bordeel in Kaïro werd gebracht, en daar eenige jaren een
allerellendigst bestaan heeft geleid.
„Ik stik van woede, als ik aan de schande denk, die over mijn hoofd is
gegaan!”
„Ik moet u tot mijn spijt mededeelen, markies”, zei Baxter, „dat alles
uit het verleden van uw vrouw reeds lang bekend is, maar er zijn
gevallen, waarin zelfs de politie moet zwijgen!”
„Maar thans vraag ik de hulp der politie”, riep de markies uit, „die
mij thans niet mag en kan geweigerd worden, want deze vrouw staat op
het punt om mij mijn geheele vermogen te ontstelen, en daarbij een
bewijs te vernietigen, dat haar zelve in het tuchthuis zou kunnen
brengen”.
„Dat zijn allemaal dingen, die aanleiding geven tot onmiddellijke
inhechtenisneming van de voormalige Adrienne Faté”, zei Baxter.
„Vertel eens, markies, wat is er eigenlijk gebeurd?”
„Zij heeft mij den sleutel van mijn safe in de Engelsche Bank
gestolen”, donderde de markies. „Zij is daarmee naar Londen gevlucht en
wil nu zich al mijn schatten toeëigenen...”
„Als wij het tenminste zoover laten komen”, viel Baxter in.
„Bovendien beschuldig ik deze Adrienne Faté ervan”, vervolgde de
markies, „dat zij vroeger de minnares is geweest van den misdadiger,
die zich Raffles noemt.
„Ik vond een brief van haar, en toen ik dien wilde lezen, wierp zij
zich voor mij op de knieën, en bekende, dat zij een liefdesbetrekking
met den Grooten Onbekende had onderhouden en sindsdien wist, wie
Raffles is.
„Dat alles had zij in dien brief geschreven. Zij smeekte mij, onder een
vloed van tranen, om den brief niet te openen, en daar ik destijds nog
waanzinnig veel van haar hield, vergaf ik haar alles, maar deponeerde
den brief bij mijn vermogen in de safe op de Bank van Engeland.”
Baxter wreef zich de handen. „Dat is prachtig!” lachte hij op
triomfantelijken toon. „Nu slaan we twee vliegen in één klap. Die
Adrienne Faté moet onmiddellijk gearresteerd worden.
„Zij woont in Hotel Bristol. Gelukkig, miss Wilson, dat gij dit weet,
en dat we nu eindelijk eens zullen ontdekken, wie die schurk, die
Raffles is!
„Nu zal ik de wereld eens toonen, wat inspecteur Baxter van Scotland
Yard vermag!
„Detective Brown!”
De detective kwam binnen, en Baxter vulde een formulier in, terwijl hij
voor zijn schrijftafel plaats nam.
„Ga dadelijk naar Hotel Bristol. Hier is een bevel tot
inhechtenisneming, ten name van Adrienne de Frontignac, alias Adrienne
Faté.
„Arresteer die vrouw, en breng haar naar Scotland Yard.
„Morgen vroeg, om zeven uur, zal ik haar een kort verhoor doen
ondergaan, en haar voor den rechter van instructie brengen.”
„Zoudt ge mij willen toestaan,” vroeg nu de markies, „om die
inhechtenisneming bij te wonen?”
„Met genoegen—Brown, de markies gaat met je mee!”
„En zoudt ge den detective willen opdragen, om die vrouw onmiddellijk
den sleutel van mijn safe af te nemen, en dien mij te overhandigen?”
„Dat is niet meer dan recht en billijk. Brown zal u den sleutel geven,
en morgen vroeg, om zeven uur, verzoek ik u hier op Scotland Yard
aanwezig te zijn.
„A propos, Brown, neem nog drie detectives mee. De vrouw zal zich
misschien verweren.”
De detective verliet het bureau, en de markies nam afscheid.
„Ge hebt mijn vermogen gered, mr. Baxter,” sprak hij.
„Ik deed niets meer dan mijn plicht, markies. De Londensche politie
handelt altijd vlug en goed!”
Nog een handdruk, nog een buiging voor de vrouwelijke detective, en in
militaire houding verliet markies De Frontignac het bureau.
Eenige minuten later rolden twee rijtuigen naar Bristol-Hotel.
In het een zaten de markies met detective Brown, in het tweede zaten de
drie andere detectives.
Toen het rijtuig het voorname hotel naderde, sprak de markies op
bewogen toon: „Ik heb die onwaardige te lief gehad—ik kan haar
vernedering niet aanzien.
„Doe mij het genoegen, waarde Brown, en breng mij den sleutel in het
café aan de overzijde. Ik zal u daar wachten.”
Detective Brown vond dit uitstekend, en de majoor verdween in het café.
Tien minuten later zag hij hoe een vrouw, wier handen geboeid waren,
onder hevig tegenstribbelen, door de detectives in het rijtuig werd
gezet.
De majoor glimlachte.
Even later ging de deur open, en Brown trad binnen. Hij hield het
sleuteltje je in de opgeheven rechterhand.
„Hier majoor,” sprak hij, „hier is het sleuteltje van uw safe. No. 77
staat er in gegraveerd.”
„Juist, dat is mijn sleuteltje. Ik dank u, mr. Brown, en sta mij nu
toe, dat ik deze banknoot van honderd pond u aanbied voor uw moeite.”
De detective stak met verheugd gelaat het geschenk in zijn
portefeuille.
„De markiezin heeft het ons niet gemakkelijk gemaakt,” sprak hij. „Zij
ging als een krankzinnige te keer. Maar het baatte haar niet veel. Wij
hebben haar eenvoudig geboeid en aan den lijve gefouilleerd.”
„En waar hebt ge het sleuteltje gevonden?”
„Wij twijfelden reeds er aan, het te zullen vinden, toen mij plotseling
het hooge kapsel van de dame opviel. Ik dwong haar, dit kapsel los te
maken, en kletterend viel het sleuteltje op den vloer.”
„Ge zijt een uitstekende rechercheur, mr. Brown, maar dat is geen
wonder. In de leerschool van mr. Baxter moet ge het wel tot zulk een
hoogte brengen.”
Even nadat Brown was heengegaan, verliet ook de majoor het café.
In een cab liet hij zich naar Regent Street brengen en verdween in het
huis van lord Lister.
Wat zou inspecteur Baxter wel voor een gezicht hebben gezet, als hij
had kunnen zien, hoe de Fransche majoor zich de pruik en den valschen
baard voor een spiegel afrukte, en het fijne, geestige gelaat van lord
Lister te voorschijn kwam.
En lord Lister lachte—lachte van ganscher harte, toen hij het kostbare
sleuteltje bekeek. Want thans geloofde hij gewonnen spel te hebben.