Voorzichtig ging hij naar den muur, die zijn coupé van Adrienne’s
scheidde.
Hij luisterde en daar de wanden vrij dun waren, kon hij letterlijk
ieder woord verstaan.
„Ga nu wat slapen, mevrouw”, sprak een volmaakt vreemde stem.... „ik
zal wakker blijven!”
„Zijt ge dan niet vermoeid, miss Wilson?”
Dat was Adrienne’s stem, die hij zoo dikwijls had gehoord.
„Moe? Een detective mag nooit moe zijn, en mr. Baxter heeft mij
opgedragen, u te bewaken en te beschermen ten allen tijde.”
„Ha zoo, een vrouwelijke detective”, lachte lord Lister. En Baxter
heeft haar Adrienne toegevoegd, opdat deze steeds een waakzaam persoon
in haar buurt zal hebben.
„Dan zal mr. Baxter ook weer eens leelijk bij den neus worden genomen.”
„Ik zal in het onderste bed gaan liggen”, hoorde Lister nu Adrienne
weer zeggen. „Gij kunt dan bovenin gaan liggen, want ook als ge niet
slapen gaat, zal toch de rust u goed doen!”
Toen hoorde hij het ritselen van zijden rokken en—was het
verbeelding—het kwam hem voor, alsof een zoet parfum zijn reukorganen
streelde.
„Hebt ge den sleutel nog, mevrouw?” hoorde hij toen zeggen.
Lister spitste de ooren.
„Natuurlijk. Hij hangt aan een kettinkje op mijn borst.”
Toen werd het een paar minuten stil. en een oogenblik later hoorde
Lister Adrienne nog eens met slaperige stem zeggen:
„’t Is hier toch wel verrukkelijk tusschen de koele lakens. Zijt ge nog
wakker, miss Wilson?”
„Natuurlijk! Mijn revolver ligt naast mij en ik denk niet aan slapen!”
Toen hoorde Lister niets meer dan het ratelen der spoorwegwielen.
„En nu zal ik het mij toch maar eens wat gemakkelijk gaan maken”, sprak
lord Lister, „dat is me een dagje geweest. Eerst van iemand hooren, dat
hij het geheim van mijn leven kent, dan als een dolleman door de
straten van Parijs rennen, iemand bijna dood rijden en ten slotte een
eind op de treeplank van den sneltrein naar Havre meerijden.”
„Oef!”
Hij trok zij gekleede jas uit, haalde een gouden sigarettenkoker voor
den dag en begon op z’n dooie gemak te rooken.
Hij wist, dat de sterke, prikkelende geur van deze Egyptische
sigaretten zijn zenuwen staalde en met welbehagen blies hij de blauwe
wolkjes voor zich uit.
Met halfgesloten oogen leunde hij achterover in de fluweelen kussens,
en door zijn lange, krullende wimpers tuurde hij nadenkend voor zich
uit.
Zoo verstreek een vol uur.
Toen stond hij op.
„Nu aan ’t werk, Edward”, fluisterde hij tot zichzelf, „gelukkig heb ik
steeds alles bij mij, wat ik noodig kan hebben.”
Hij haalde uit zijn vest een juchtleeren étui te voorschijn.
Daaruit nam hij een klein fleschje, gevuld met een lichtkleurige
vloeistof, een penseel, een stalen boor, een zaag, een breekijzer en
een kleine tang.
Om niet het minste geluid te veroorzaken, trok de Groote Onbekende zijn
lakshoenen uit en liep op de teenen naar den muur, die zijn coupé van
Adrienne’s verblijf scheidde en luisterde, of alles volkomen stil was
geworden.
Ja, hij kon, nadat hij zijn oor tegen den wand had gedrukt, zelfs het
regelmatig ademen hooren, dat uit het onderste bed kwam.
Nu kon hij aan het werk gaan!
Van zijn horlogeketting nam hij een gouden potlood en teekende een
vierkantje tegen den muur op de plaats, waar de wand het dunst was.
Daarna bestreek hij de plek met de vloeistof uit het fleschje, waarvoor
hij het penseel gebruikte.
Dit experiment herhaalde hij tot vier keeren toe. Toen drukte hij met
de duimen op de plek en al heel spoedig week het hout onder dien druk,
een bewijs dat de tinctuur, waarmee de muur bestreken was, het hout
totaal had opgelost.
Nu zette lord Lister er de boor op.
Een regen van fijne houtsnippers daalde neer en voorzichtig blies
Lister het zaagsel van den muur en van zijn kleeren.
Daarna nam hij de zaag op en begon geheel geruischloos te werken.
Nu moest hij probeeren, of zijn werk gelukt was.
De meesterdief haalde een lange speld uit zijn das. Het was een gouden
sieraad, met een prachtigen diamant bezet.
Den naald stak hij in den drilboor en toen kon hij, zonder eenige
moeite, het sieraad tot een diepte van vijf centimeter in de opening
steken.
Nu stak hij zijn vingers in de opening en met eenige moeite gelukte het
hem, een groot stuk hout los te maken en naar zich toe te halen.
Dit heele werkje had de grootste inspanning gekost en den meesterdief
uiterst opgewonden gemaakt.
Zweetdroppels parelden op zijn voorhoofd en zijn handen beefden zoo
geweldig, dat hij een oogenblik rust moest nemen.
Het gat in den muur was zoo groot, dat Lister in de andere coupé kon
kijken.
Daar hij echter niet naar boven kon kijken, wist hij nog niet, of miss
Wilson ook was ingeslapen, of dat ze misschien nog wakker lag.
Hij veronderstelde het laatste en besloot uiterst voorzichtig te werk
te gaan.
Hij kon miss Wilson niet zien, maar hij kon ongehinderd in Adrienne’s
legerstede kijken.
Zij had zich ten deele ontkleed en onder de kanten van haar hemd kon
Lister het sleuteltje zien schitteren.
Dat sleuteltje moest hij veroveren, als hij niet verloren wilde gaan.
Een diepe ademtocht ontsnapte zijn borst. Toen greep hij het tangetje,
opende het eenige keeren op onderzoekende wijze en deed toen een zwart
masker voor de oogen.
Nu perste hij zijn lichaam tegen den muur en stak beide handen, waarin
hij het pincet hield, door de opening.
Nu kwam het er op aan, voorzichtig te zijn.
Een enkele misgreep en Adrienne zou ontwaken.
Misschien ook waakte de vrouwelijke detective nog.
Langzaam hief Lister zijn hand op, waarin hij de tang hield.
Zachtjes, nauwelijks merkbaar, raakte het tangetje den sleutel.
De trekken van lord Lister spanden zich als die van een roofdier, zijn
oogen fonkelden, maar zijn hand beefde niet.
Een kleine beweging, een enkel drukje—de tang had het gouden kettinkje
doorgeknepen.
In het volgende oogenblik had lord Lister het sleuteltje beetgepakt en
terwijl de vrouwelijke detective zich luisterend over den rand van haar
bed boog, roofde lord Lister den sleutel. Als een slang gleed zijn arm
terug, terwijl hij zelf, diep ademhalend, met wijd geopende oogen zich
van den wand verwijderde.
Zijn handen hielden den kostbaren sleutel vast, een kleinood, dat voor
hem meer waard was dan alle schatten der aarde, want het
vertegenwoordigde zijn eer, zijn vrijheid, misschien zijn leven.
Maar lord Lister was het niet gewend, zich lang over te geven aan
vreugdevolle overpeinzingen, als hem iets gelukt was.
Met een snelle beweging borg hij het sleuteltje, zette het stuk hout
weer in de opening, stak een nieuwe sigaret op, trok lakschoenen en
gekleede jas weer aan en overtuigde zich door een blik in den spiegel,
dat hij er weer tip-top uitzag.
Maar hij begreep nu ook, dat hij niet in den slaapcoupé kon blijven en
dat hij zich op het station te Londen niet aan Adrienne mocht
vertoonen.
Hij moest zich dus vermommen.
Maar bij zijn plotselinge afreis uit Parijs, had hij zijn koffers in
het hotel gelaten.
Hoe zou hij nu aan andere kleeren komen?
Nog geen vijf minuten had hij over dit laatste vraagstuk nagedacht,
toen hij glimlachend opstond en den coupé verliet.
Nu wist hij, waar en hoe hij zich zou kunnen verkleeden.
Want toen hij langs de treeplank liep, had hij, terwijl hij naar binnen
keek, in een der waggons een persoon zien zitten, die hem in dezen uit
de verlegenheid kon helpen.
Deze man was een Russisch koopman, die een lange kaftan droeg, en een
breedgeranden cylinder op het hoofd had.
Aan een station, waar de sneltrein slechts een minuut stopte, werd de
deur van dezen coupé geopend en een jonge man trad binnen.
Hij groette hoffelijk en het duurde niet lang of het tweetal was in een
geanimeerd gesprek gewikkeld.
De jongeman sprak vloeiend Russisch en de oude reiziger was bijzonder
in zijn nopjes, dat hij iemand ontmoette, die met hem zoo prettig kon
converseeren. Hij vertelde, dat hij naar Londen reisde, omdat een
koopman, wien hij voor vele duizenden roebels waren had gestuurd, op
het punt stond failliet te gaan.
„Ik zal zien, wat ik nog kan redden,” zei de koopman uit Moskou, „ik
ben gelukkig nog op tijd gewaarschuwd, maar, als ik morgen niet tijdig
in Londen ben, verlies ik mijn geld en dan ben ik er ellendig aan toe!”
De man sprak op klagenden toon.
„Op mijn eerewoord, beste meneer,” vervolgde de Rus, „ik heb een vrouw
en vier kinderen, het zou toch vreeselijk zijn, als die schurk mij
straatarm maakte.”
De jongeman antwoordde niet.
Hij haalde zijn sigarettenkoker te voorschijn en begon te rooken.
„Rookt ge niet? Kom, neem ook een sigaret,” voegde hij zijn reisgenoot
toe.
Hij had zijn gouden koker al weer gesloten en toen hij den Rus nu het
doosje voorhield, had hij dit bliksemsnel omgedraaid; heel andere
sigaretten kwamen nu te zien.
„Heel graag,” zei de Rus, „uw sigaret ruikt uitstekend.”
Met welbehagen begon de koopman te dampen, terwijl hij lord Lister van
zijn kinderen begon te vertellen.
Maar, plotseling begon de man allerlei wartaal te praten, zijn oogen
knipperden, totdat hij ze heelemaal sloot en insliep.
„Wel te rusten, Moskowitsch,” zei lord Lister. „Als je morgen niet op
tijd in Londen aankomt, zul je er toch geen schade van hebben. Lord
Lister vraagt nooit diensten voor niemendal!”—
Toen de eerste zonnestralen de zee verlichtten, in wier onmiddellijke
nabijheid het stationsgebouw lag, stopte de trein en een der eerste
passagiers, die uitstapte, was een Russisch koopman, die huiverend zijn
kaftan om zich heentrok en wiens hoofd bijna verdronk in den veel te
grooten cylinderhoed.
Hij was ook een der eersten, die op de wachtende boot stapten en den
matroos in gebroken Engelsch vroeg:
„Ik ben doodziek, beste vriend! Breng mij gauw naar een kajuit!”
„Ben je al zeeziek geworden, voordat de tocht begint?” lachte de
zeerob.
„Wel, voor geld kun je alles krijgen. Ga maar mee, ik zal je bij den
steward brengen, die zal je wel een hut aanwijzen!”
De Rus liep achter den matroos aan, maar bij de trap bleef hij verbaasd
staan.
Een mooie brunette was aan dek gekomen en achter haar liep een andere
dame—Adrienne en miss Wilson. Zij liepen echter niet samen, maar ieder
op zichzelf kwam aan boord.
Toen zij elkander ontmoetten, maten de beide dames elkander met
woedenden blik.
Lord Lister lachte.
„Ik begrijp die boosheid volkomen”, dacht hij. „Adrienne beschuldigt
miss Wilson van den diefstal en zegt, dat deze den sleutel heeft
gestolen om hem Baxter te kunnen uitleveren!
„Hahaha!”
Toen verdween de Rus van het dek en al heel gauw had hij zich
teruggetrokken in zijn behagelijk ingerichte hut.
Precies op tijd, om drie uur in den namiddag, liep de boot de
Theemsmonding binnen en bij de eerste halte verliet de Rus het schip.
Hij liep vlak langs Adrienne heen.
Zij keek glimlachend voor zich heen en geen zweempje van diepe
teleurstelling over den diefstal was op haar gelaat te lezen.
„Wonderlijk”, dacht lord Lister, „ik had gedacht, dat het verlies van
het sleuteltje haar in de grootste opwinding zou brengen. Enfin, het
sleuteltje is van mij!”
Nauwelijks was lord Lister aan land gestapt, toen hij een rijtuig nam
en naar zijn prachtige woning in Regentstreet reed.
Hij had den koetsier een goede fooi beloofd en deze bracht hem nu in
onmogelijk korten tijd aan het doel en lette er niet op, dat een
elegant gekleed heer in plaats van een Russisch koopman, in kaftan
gehuld, uit het rijtuig stapte.
Lord Lister keek op zijn horloge.
Het was tien minuten vóór vieren. Hij kon dus nog wat eten, zich
verfrisschen en kleeden. Vóór vijf uur moest hij aan de Engelsche Bank
zijn.
Het was vijf minuten over half vijf, toen Lister de Bank van Engeland
betrad.
Hij ging dadelijk naar het betreffende bureau en zeide:
„Ik zou wel even in mijn safe willen gaan!”
„Hebt ge den sleutel?”
„Hier is hij”, antwoordde lord Lister en hij toonde het sleuteltje, dat
hij in den afgeloopen nacht door list had veroverd.
De beambte bekeek het sleuteltje een minuut lang en zei toen:
„Ge vergist u, mijnheer—dat is geen sleuteltje van een der safes van de
Engelsche Bank!”
Lord Lister kromp ineen.
Het kostte hem alle moeite om een schreeuw van woede te onderdrukken.
Met wijd opengesperde oogen staarde hij naar het sleuteltje, dat hij in
de hand hield en dat alles kon ontsluiten, behalve de safe van markies
de Frontignac!