„Kom dadelijk—gauw—ik heb den sleutel!”
Op dienzelfden tijd, toen de arme markies De Frontignac den kogel
kreeg, die een einde maakte aan zijn leven, riep een mooie, jonge vrouw
deze woorden door de telephoon, die in een weelderig ingericht vertrek
was aangebracht.
„Ik ben over een kwartier bij u,” luidde het antwoord en glimlachend
ging de mooie vrouw weg van de schrijftafel, waar het toestel stond.
Deze dame was de markiezin Adrienne de Frontignac.
Alles wat lord Lister gezegd had over de schoonheid van deze duivelin,
bleef nog ver onder de werkelijkheid.
De markiezin had een slanke figuur; haar weelderig haar was
kastanjebruin, haar oogen blauw als vergeet-mij-nieten en van onder
haar kostbaren peignoir kwam het allersierlijkste voetje te voorschijn.
Niet steeds had Adrienne de Frontignac in een paleis gewoond, dat was
ingericht met alle denkbare schatten en stond in een der voornaamste
stadsgedeelten van Parijs, op den Faubourg St. Germain.
Zeven jaren geleden had zij in een arbeiderskwartier van Parijs met
haar moeder in een klein huisje geleefd.
Moeder Faté, aldus werd Adrienne’s opvoedster genoemd, had, toen zij
nog jong en mooi was, met een kunstenaartroep door Frankrijk gereisd;
later was zij getrouwd met een koopman en toen naar Parijs gekomen.
De heer Faté had destijds een kleinen winkel, waarin hij goede zaakjes
maakte. Door spaarzaamheid en vlijt had hij een klein vermogen
bijeengegaard, maar vier jaren na zijn huwelijk was hij totaal
geruineerd en toen was hij aan den drank verslaafd geraakt.
Alleen zijn ongelukkig huwelijk was daaraan schuld. Madame Faté, die
een liederlijk leven leidde, had volop genoten van het Parijsche leven
en daar haar man veel te zwak en veel te verliefd was om haar
verkwisting paal en perk te stellen, waren al heel gauw alle
spaarduitjes opgemaakt.
Toen werden schulden gemaakt en op zekeren dag werd de heer Faté uit
zijn woning gezet en kwamen zijn mooie meubels onder den hamer.
De rampzalige man leidde nu een leven vol ellende aan de zijde van zijn
jonge vrouw, die hem nooit had lief gehad.
Hij begon uit vertwijfeling hoe langer hoe zwaarder te drinken, totdat
hij op zekeren dag dood in de goot werd gevonden. Juffrouw Faté ging
toen met haar dochtertje, de kleine Adrienne, in een ander
stadsgedeelte wonen en daar trachtte zij het lekke schip van haar
bestaan weer vlot te maken.
Zij was nog een knappe vrouw en kreeg onder de arbeiders al heel
spoedig een hoop vrienden en vereerders, die zich wel graag door haar
lieten plukken. Maar toen zij ouder en leelijker werd, begon zij een
ander beroep uit te oefenen.
Zij werd kaartlegster!
Op gezette tijden ontving zij in haar woning de lichtgeloovigen, die
zich door haar uit de kaarten, uit de lijnen der hand en uit het
koffiedik de toekomst lieten voorspellen en ook trok zij er zelf op uit
om het dienend personeel haar diensten aan te bieden.
Zoo gelukte het moeder Faté om zich met haar dochtertje door den tijd
te slaan.
De kleine Adrienne groeide op tot groot genoegen van haar moeder. Zij
werd van jaar tot jaar mooier en de oude rekende reeds uit, dat haar
dochter haar spoedig groote inkomsten zou verschaffen, want als kokotte
kan men in Parijs dikwijls grof geld verdienen als men jong en mooi is.
En Adrienne verzette zich geen oogenblik tegen de wenschen van haar
moeder.
Alle drommels, zij had meer dan genoeg van dat ellendige leven.
Elken dag had zij het groote glanzende Parijs voor zich met al zijn
verleidingen, zijn verlokkende schatten, waarnaar de vrouwenharten
zoozeer begeeren.
Een rijk rentenier van diep in de vijftig was Adrienne’s eerste
minnaar; toen volgden anderen en ten slotte bood een handelaar in
blanke slavinnen moeder Faté een groote som gelds, als zij haar
dochter, wilde afstaan.
De oude ging terstond op dit aanbod in en Adrienne werd meegenomen naar
Kaïro en daar in een publiek huis gebracht.
Hier leerde lord Lister haar op zekeren dag kennen.
Adrienne’s schoonheid trof hem en door allerlei leugenachtige verhalen
wist zij zijn medelijden op te wekken.
Hij kocht Adrienne vrij voor een groote som gelds, bracht haar naar
Engeland en huurde daar een huisje voor haar, waarin het meisje geheel
zorgeloos kon leven.
Maar lord Lister was er de man niet naar, die zich op den duur bij den
neus liet nemen.
Al heel spoedig kwam hij tot de conclusie, dat Adrienne een door en
door verdorven schepsel was, wie de ondeugd in het bloed zat.
Hij betrapte haar op allerlei leugens, op afspraken, die zij hield met
andere mannen en toornig stiet hij haar van zich.
Eenige jaren gingen voorbij.
Daar ontmoette lord Edward Lister op zekeren dag zijn besten vriend
markies Raoul de Frontignac, die destijds in Londen woonde, in
gezelschap van een jonge dame van buitengewone schoonheid, die zich
Adrienne de Malmaison noemde.
Algemeen werd van haar verteld, dat zij de dochter was van een Fransch
aristocraat, die haar veel millioenen had nagelaten. En ook de dames
der Londensche high life waren met Adrienne de Malmaison ten zeerste
ingenomen.
Zij betooverde iedereen en al haar vrienden en bekenden waren het er
over eens, dat Adrienne de Malmaison het bekoorlijkste schepsel op
aarde was.
Toen lord Lister deze mooie vrouw voor het eerst in de hooge kringen
van Londen ontmoette, wist hij ook terstond, dat zij een avonturierster
was van de ergste soort, en dat hij zelve deze Adrienne Faté uit een
bordeel in Kaïro had gehaald.
Maar hij gevoelde zich niet geroepen om de aristocraten de afkomst van
hun lieveling mee te deelen.
Hij vond er zelfs eenig vermaak in om het spel gade te slaan, dat deze
moedige avonturierster speelde met de zoo koele, ongenaakbare Engelsche
aristocratie, en hij lachte in zijn vuistje om deze ironie van het
noodlot.
En bovendien—lord Lister was edelman; hij zou Adrienne niet
ontmaskeren.
Deze schoone, jonge vrouw had ook hem eens toebehoord en een man, die
eens de gunsten van een vrouw heeft aanvaard, is tot zwijgen verplicht.
Jammer genoeg, bewaarde lord Lister ook het stilzwijgen tegenover zijn
besten vriend, markies De Frontignac.
Hij vond trouwens niet eens tijd genoeg om den markies het verleden van
Adrienne de Malmaison op te helderen, want destijds verliet lord Lister
voor zes weken Londen om een reis te maken naar Zuid-Europa.
Toen hij terugkeerde, ontstelde hij van de tijding, dat markies De
Frontignac zich intusschen met Adrienne de Malmaison had verloofd.
Mocht hij zijn besten vriend een slachtoffer laten worden van deze
slechte vrouw? Mocht hij het mede aanzien, dat de dochter van een
kaartlegster en van een dronkaard, die in de goot gestorven was,
markiezin De Frontignac werd?
Neen, duizendmaal neen! Lord Lister besloot zelf zijn vriend de oogen
te openen.
Het bal bij den Portugeeschen gezant zou daartoe de beste gelegenheid
bieden.
Wij weten ondertusschen, hoe ongelukkig de poging van lord Lister, om
zijn vriend een en ander op te helderen, is afgeloopen.
Reeds na Listers eerste woorden, die hij tot zijn vriend, den markies
had gesproken; reeds na zijn woorden: „Ik waarschuw je voor Adrienne de
Malmaison, zij is een bedriegster, een deerne!” viel de markies op een
toon van de heftigste razernij in:
„Deze beleediging, mijn bruid aangedaan, zul je met je bloed betalen!”
Markies de Frontignac wachtte niet af, tot lord Lister hem nog meer kon
zeggen. Hij stormde weg en den volgenden dag nam hij maatregelen om den
man, die zijn bruid beleedigd had, tot een duel uit te dagen.
Besloten werd, dat dit duel drie maanden later in het Bois de Boulogne
te Parijs zou worden gehouden.
Lord Lister had om dit uitstel gevraagd.
Dit had hij niet gedaan uit eigenbelang, maar hij hoopte, dat in den
loop van die drie maanden Adrienne zich zelve zou verraden.
Maar het tegendeel geschiedde.
Adrienne verstond het op een uitnemende manier om den markies smoorlijk
verliefd op haar te maken en op zekeren dag hoorde lord Lister, dat het
huwelijk van dit ongelijke tweetal in de Notre Dame-kerk te Parijs
gesloten was.
Zoo was dus de dochter van de kaartlegster de gade geworden Van een der
meest geachte aristocraten van Frankrijk en hoe verachtelijk deze vrouw
ook mocht zijn—één ding verstond zij uitnemend: zij speelde haar rol op
schitterende wijze.
Ook in de Parijsche kringen wist zij zich heel spoedig bemind te maken
en geen sterveling vermoedde iets van haar zondig leven.
— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — —
Toen zij den hoorn weer op het telephoontoestel had gelegd, trad
Adrienne voor een prachtigen spiegel en bekeek zich daarin van top tot
teen.
Toen maakte zij haar blouse aan den hals los en haalde een klein,
kunstig gevormd sleuteltje te voorschijn, dat aan een dun, maar stevig
gouden kettinkje op haar boezem verborgen was.
„Eindelijk heb ik mijn doel bereikt”, fluisterde zij, „mister Baxter,
van Scotland Yard kan tevreden zijn. Hij zal zijn woord zeker houden,
als ik hem het groote geheim openbaar, dat thans het mijne is.
„En dan—dan heb ik niet meer te vreezen, dat het spook uit vroeger
tijden mij komt storen! Dan weet niemand, wie ik was, voordat ik
markiezin de Frontignac werd!”
Een livrei-bediende trad binnen en diende een dame aan.
„Zij zegt, dat zij de directrice is van het modemagazijn, waar mevrouw
groote inkoopen heeft gedaan!”
„Laat dadelijk binnenkomen en stoort mij niet, zoolang deze dame bij
mij is!”
Die dienaar boog en vertrok.
Even daarna trad een slanke dame binnen met scherpe, verstandige
gelaatstrekken en donker haar, dat reeds grijsde aan de slapen.
„Ge zijt gauw gekomen, miss Wilson”, zei Adrienne. „Ge waart toch
alleen, toen ik door de telephoon met u sprak?”
„Natuurlijk! Ik ben overigens zeer belangstellend, mevrouw, waarom ge
mij hier hebt laten komen. Ge hebt gezegd, dat uw doel bereikt was. Wat
is dat doel en wat wenscht ge overigens?”
„Ik zal u alles meedeelen, maar neem eerst eens plaats! Zoo! Heeft mr.
Baxter ü inderdaad naar Parijs gestuurd, zonder u op de hoogte te
brengen van de zaak?”
„Mr. Baxter van Scotland Yard, mijn chef”, antwoordde de vrouwelijke
detective, heeft mij ongeveer veertien dagen gelegen gezegd naar Parijs
te gaan en daar mijn intrek te nemen in een hotel, dat in de nabijheid
van uw paleis zich bevindt, mevrouw. Overigens moest ik mij geheel en
al te uwer beschikking stellen.
„Tot nog toe hebt ge van mijn diensten geen gebruik gemaakt en ik ben
nog in volmaakte onwetendheid omtrent den band, die bestaat tusschen u
en mr. Baxter!”
„Luister dan! Het gaat om niets minder dan om de inhechtenisneming van
den Grooten Onbekende!”
Miss Wilson vloog overeind.
„Om John C. Raffles? En kunt u aan de politie eenige aanwijzing geven,
mevrouw?”
„Ja, dat kan ik! Raffles, de meesterdief, is verloren en over eenige
dagen is hij overgeleverd aan de Londensche politie!”
„Dat zal een triomf zijn voor mr. Baxter! Die John C. Raffles is zijn
doodsvijand en hoeveel moeite de politie zich reeds heeft gegeven om
dien man in handen te krijgen, is niet te zeggen, maar telkens als men
denkt vat op hem te hebben, is hij spoorloos verdwenen!”
„Mr. Baxter zal voortaan rustig kunnen slapen”, zei Adrienne de
Frontignac glimlachend. „Maar voordat ik u verder iets meedeel, moet ge
mij eerst eens heel openhartig de vraag beantwoorden, of mr. Baxter u
iets heeft onthuld omtrent mijn verleden.”
Miss Wilson zweeg een wijl.
Toen keek ze de schoone markiezin eenige oogenblikken doorborend aan en
sprak:
„Ik weet alles! Mr. Baxter heeft mij alles verteld!
„Het is mij bekend; mevrouw, wie en wat ge geweest zijt; ik weet ook,
dat ge door mr. Baxter hier in de hooge kringen zijt geïntroduceerd en
dat ge de kostbare toiletten en al het geld, waarover ge hebt kannen
beschikken, van de Londensche politie hebt gekregen.
„Gijt zijt Baxter’s spion geweest!”
„Dat was ik, waarom zou ik het loochenen, wij zijn dus nog gedeeltelijk
collega’s, miss Wilson!”
„Niet heelemaal!” haastte deze zich te zeggen. „Ik ben detective van de
Londensche politie en gij zijt—nu, wij noemen zoo iemand gewoonlijk een
speurhond—het onderscheid ligt voor de hand!”
Adrienne haalde met verachtelijk gebaar de ronde schouders op.
„En uit die speurster der Londensche politie is later markiezin de
Frontignac geworden”, antwoordde zij, „maar laat ons hierover niet
redetwisten en luister nu liever, hoe markies de Frontignac mij op
zekeren dag openbaarde wat hij, als eenig persoon ter wereld, wist,
namelijk wie John C. Raffles is!
„Hij kende den man, die zich achter dezen naam schuil houdt en spoedig
zal die inbreker ontmaskerd worden.
„En wanneer zal dat oogenblik komen?” vroeg ik hem.
„Dat is er, als ik het wensch”, antwoordde de markies op mijn vraag,
„ik heb voorloopig echter niet de minste reden om de Londensche politie
eenig genoegen te doen.
„Maar met mijn dood kan het geheim niet te gronde gaan, want ik heb in
een document vastgelegd, wie Raffles, de Groote Onbekende is!
„Dat verzegelde document ligt in mijn safe in de Engelsche Bank en als
ik soms eens plotseling mocht komen te sterven, dan kun jij, liefste,
het gewelf openen om den brief aan de Londensche politie te geven!”
„En hebt ge dien sleutel, mevrouw?”
Met een zegevierend lachje haalde Adrienne het gouden kettinkje met het
kunstig vervaardigde sleuteltje te voorschijn.
„Hier is het. Mijn man, markies de Frontignac, heeft het mij vóór twee
uur gegeven, met de aanwijzing, dat ik onmiddellijk naar Engeland moest
reizen, als hij niet terug mocht komen van zijn wandeling. Ge snapt,
miss Wilson, wat dat beteekent. Ik heb het dadelijk begrepen!
„De markies heeft geduelleerd. Als hij inderdaad gedood is in dit
tweegevecht, zal ik morgen vroeg dadelijk op reis naar Londen gaan om
Baxter zoo gauw, mogelijk te kunnen meededen, wie feitelijk de inbreker
Raffles is!”
Het lichtte een oogenblik zeldzaam op in de oogen van de vrouwelijke
detective.
„Dan hebt ge het moeilijke raadsel opgelost,” stiet zij uit, „waarmee
de Londensche politie zich al zoo lang bezighoudt, en ge zult grooten
dank oogsten!
„De duizend pond sterling, die op het hoofd van den behendigen inbreker
gezet zijn, zullen dan ook uw deel worden!”
De schoone Adrienne lachte smalend.
„Dacht ge, miss Wilson, dat ik iets geef om die duizend pond sterling?
„Ik ben rijk! Mijn man, de markies De Frontignac, behoort tot de
Fransche aristocratie. In de safe in de Engelsche Bank liggen
millioenen, die mijn eigendom zijn:
„Om duizend pond sterling speel ik niet voor spion!”
„Ha, ik begrijp u! Het is u om heel iets anders te doen!”
„Ik zal u alles verklaren, miss Wilson, luister!
„Baxter heeft mij zijn woord erop gegeven, dat hij, in hetzelfde
oogenblik waarin ik hem vertel wie John C. Raffles is, al de papieren,
die mijn herkomst aanwijzen, zal vernietigen!”
„Mr. Baxter zal zeker zijn woord houden, maar ik betwijfel het,
mevrouw, of ge wel ooit in de gelegenheid zult zijn dezen prijs te
verdienen.”
„Wie zou mij daarin hinderen? Ik draag den sleutel hier op de borst en
ik weet uit den mond van mijn lieven man, dat het document in de safe
ligt!”
„Juist! Nu hebt ge den sleutel nog in uw bezit, maar over een half uur
zult ge hem misschien niet meer op uw borst dragen!”
„En waarom niet?”
„Omdat de markies gezond en wel kan terugkomen en van u den
noodlottigen sleutel kan terug vragen!”
Adrienne verbleekte.
Aan deze mogelijkheid had zij allerminst meer gedacht.
„Luister eens naar mijn voorstel, mevrouw,” sprak nu de vrouwelijke
detective, „maak het uw echtgenoot onmogelijk, u den sleutel weer af te
nemen!
„Ge zegt, dat het twee uur geleden is, dat de markies naar de plaats
van samenkomst is gegaan?
„Welnu, wat verhindert u dan, aan te nemen dat hij reeds als
slachtoffer is gevallen?
„Aarzel geen oogenblik!
„Reis dadelijk af naar Londen!
„Hoe laat is het? Nog tien minuten vóór achten, markiezin! De sneltrein
naar Havre vertrekt om negen uur precies van het station; wij kunnen
dus, zonder al te groote overhaasting, nog dien trein halen.
„Wij nemen een slaapcoupé, zodat ge niet alleen zijt en geen gevaar
loopt, dat het kostbare sleuteltje u ontroofd wordt.
„Overigens kunt ge volmaakt gerust zijn, mevrouw, ik zal bij u waken.
Met zonsopgang is de trein trouwens al in Havre. Daar gaan we dadelijk
op een schip en zijn dan om drie uur ’s middags op de Theems.
„De Bank van Engeland blijft tot vijf uur des avonds geopend, we hebben
dan dus nog volle twee uren den tijd!”
Adrienne had opmerkzaam geluisterd.
Eerst had zij afwerende bewegingen gemaakt, maar langzamerhand was een
en ander haar toch niet meer zoo heel dwaas voorgekomen.
Nu sprong ze op en op stelligen toon riep ze uit:
„Ge hebt gelijk, miss Wilson!
„Ik moet van deze gunstige gelegenheid gebruik maken!
„Wacht mij dan hier! Ik ben over vijf minuten terug. Intusschen zal ik
een rijtuig voor ons bestellen dat ons naar het station kan brengen.”
„Uitstekend, mevrouw! Nu is John C. Raffles verloren!”
De markiezin ging heen.
Toen de deur achter haar was dichtgevallen, verscheen een spotlach om
den mond van de vrouwelijke detective.
„Baxter is een slimmerd,” fluisterde zij, „hij heeft altijd wel
vermoed, dat Raffles, de groote onbekende, geen gewone dief is, maar
dat hij behoort tot de hoogste kringen.
„Daarom heeft hij ook die mooie avonturierster afgericht en haar in de
voorname kringen geïntroduceerd!”
Eenige oogenblikken later kwam Adrienne haastig het vertrek weer
binnen, waarin de vrouwelijke detective wachtte.
Het costuum, dat zij droeg, kleedde haar prachtig en deed haar
eigenaardige schoonheid nog des te beter uitkomen.
„Ik heb een koffertje in het rijtuig laten brengen”, sprak zij, „waar
alles in is, wat wij voor ons kort verblijf in Londen noodig hebben! Ge
behoeft dus niet eerst naar uw hotel te gaan!”
„Ik reis, zooals ik ben!” antwoordde miss Wilson, „ik ben dat gewend.”
„Kom dan gauw! Het rijtuig wacht!”
Het tweetal snelde de trappen af.
De koetsier legde er de zweep over.
„De sleutel, markiezin?”
„Dien draag ik op mijn borst,” antwoordde Adrienne de Frontignac en zij
glimlachte daarbij veelbeteekenend.
— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — —
Een uur later later keerde de markies De Frontignac inderdaad weer in
zijn paleis terug—maar hij was een stille, stomme, bleeke man geworden!