„Ik smeek u, Heeren, laat mij eenige oogenblikken met den markies
alleen, wij willen afscheid van elkander nemen. Ik heb hem onder vier
oogen nog een laatste mededeeling te doen!”
Op heeschen toon kwamen deze woorden den Engelschman over de lippen,
maar in het volgende oogenblik had hij ook volkomen alle
tegenwoordigheid van geest terug gekregen.
Graaf Epernay, de Engelsche baron en de dokter verwijderden zich nu.
De Engelschman stond onbewegelijk, totdat hij er zich van overtuigd
had, dat de drie mannen buiten het gehoor waren.
Toen boog hij zich opnieuw over den gewonde en fluisterde:
„Ongelukkige, kent ge mijn geheim?”
„Ik ken het, lord Lister!” antwoordde de markies met matte stem, „ik,
je beste vriend, wist al sinds langen tijd, dat jij John C. Raffles
bent, die door Scotland Yard al sinds zoo langen tijd wordt gezocht en
op wiens hoofd een prijs van duizend pond sterling is gesteld.”
„Maar waarom heb je mij dan niet verraden?”
„Ik zweeg, omdat ik van je hield, maar nu ik je haat, zal ik ook
spreken!”
„Je zult daar geen tijd meer voor hebben”, sprak Raffles op somberen
toon, „niet jij zult het de wereld meedeelen, dat lord Lister de groote
onbekende is, die alle detectives in spanning houdt, omdat hij
duizendmaal sluwer en moediger is dan zij allen. Niet gij zult
vertellen, dat lord Lister onder den naam van John C. Raffles bij de
inbrekerswereld bekend is.
„Neen, jij bent ten doode gedoemd, ongelukkige en voordat er een
kwartier verloopen is, zul je voor den rechterstoel van God
verschijnen!”
Een gorgelend geluid ontsnapte de zwaar gewonde borst van den markies.
„Ik weet, dat je mij maar àl te goed hebt geraakt, lord Lister,”
antwoordde hij, „maar ik heb ervoor gezorgd, dat mijn geheim niet met
mij in het graf gaat!
„Je hebt het heiligste, dat ik bezat, het liefste ter wereld met je
minachting bezoedeld, daarvoor wil ik— —”
„Houd op”, viel lord Lister in, en zijn groote grijze oogen schoten
vonken, „houd op, markies, dit punt verdient opheldering.
„Je hebt mij tot dit duel gedwongen.
„Ik kon het niet weigeren. Dat was ik aan mijn eed als edelman
verplicht.
„Maar ik zweer je thans nog eens, nu je de dood zoo nabij is, dat ik de
waarheid sprak, toen ik je op dien avond van het bal toevoegde:
„Als je Adrienne de Malmaison tot je vrouw maakt, dan geef je je edelen
naam aan een eerlooze avonturierster, aan een deerne; en je voorvaderen
zullen uit hun graven opstaan om je te straffen voor die snoode daad!”
Het gelaat van den markies was reeds vaalgrauw geworden.
Maar nog eens spande hij alle krachten in.
„Ja, die woorden heb je mij toegevoegd, lord Lister.
„En, zooals ik zei: deze minachting kost jou of mij het leven, wij
strijden op leven en dood!”
„Je ziet, beste vriend, dat het jou het leven moet kosten.
„Maar voordat je heengaat, zal ik je toch van mijn onschuld overtuigen!
„Zie je dezen brief?
„’t Is Adrienne’s handschrift, zooals je ziet en als je nog lezen kunt,
arme, bedrogen kerel, dan zul je bemerken, hoe je geleefd hebt aan de
zijde van een beestachtig wijf.”
Vlug had lord Lister een geel geworden brief uit zijn portefeuille te
voorschijn gehaald.
Hij hield het blad papier voor de oogen van den stervende en deze las
de volgende woorden:
„Dierbaarste lord Lister!
„Ik smeek je, mijn geheim te bewaren. Zoo juist heeft markies Raoul
de Frontignac mij gesmeekt, zijn vrouw te worden. Die arme, goede
gek is tot over de ooren op mij verliefd. Hij is rijk, van
voornamen stand, en iemand, die zich om den vinger laat wikkelen,
als een mooie vrouw het er op aanlegt.
„Ik smeek je, lord, verstoor mijn geluk niet. Denk eens aan de
dierbare woorden van vroeger, die ons vereenigden. Als de markies
hoort, dat ik de dochter van een kaartlegster ben, en dat je mij in
een bordeel in Kaïro hebt gevonden, waar mijn moeder mij
heenbracht, toen ik zestien jaar was, dan is voor mij alles
verloren.
„Maar ik weet, dat je een gentleman bent en zoo iemand verraadt
geen vrouw, die hem eens zoo vurig heeft liefgehad.
„Adrienne de Malmaison.”
„Deerne, mooie slang, je hebt mijn leven vergiftigd”, siste de markies
en hij stiet den brief op zij, „om die door en door slechte vrouw ben
ik dus in den dood gegaan! Daarvoor heb ik mijn besten vriend
opgeofferd! Edward, Edward! Kun je mij vergeven?”
De Engelschman greep de beide handen van zijn vriend, die reeds koud
begonnen te worden.
„Of ik je vergeven kan? Maar beste kerel, ik ben het immers, die
vergiffenis moet vragen en niet jij!”
„Jij bent onschuldig, Edward, ik heb je tot dit duel gedwongen. Maar
waarom heb je mij niet eerder gewaarschuwd, dan had ik die feeks liever
geworgd dan dat ik haar mijn naam had gegeven!”
„Ik kòn, ik mocht niet spreken. Ik zou geen edelman geweest zijn, als
ik haar verraden had, want helaas heeft haar schoonheid ook mij vele
jaren geleden betooverd en ik haar zoete gunsten van haar aangenomen,
die verplichten tot zwijgen, zelfs tegenover de beste vrienden!”
„Ik begrijp je! Ik zou ook niet anders hebben gehandeld!” De stervende
zuchtte zwaar.
„Maar luister nu naar mijn vreeselijke bekentenis, Edward, ook jij bent
verloren—ik heb je in het verderf gestort!”
„Ik vermoed verschrikkelijke dingen”, stiet lord Lister uit,
„ongelukkige, je hebt een vrouw het geheim van mijn leven meegedeeld,
verraden! Een vrouw weet, dat lord Edward Lister en John C. Raffles een
en dezelfde persoon zijn!”
„Zij weet het nog niet, maar zij heeft het geheim onder haar berusting.
Luister, want ik ga spoedig sterven, maar ik wil, ik moet je redden!”
„Spreek, ongelukkige, elke seconde is kostbaar, vertel mij alles!”
„Ik heb je geheim altijd bewaard als mijn oogappel, maar op dien avond,
toen ik mij door jou doodelijk beleedigd gevoelde, toen jij Adrienne
een deerne hebt genoemd, toen verliet ik het bal van den Portugeeschen
gezant en begaf mij spoorslags naar huis. Ik schreef toen alles op, wat
ik wist van je dubbel leven, alle bewijzen, die ik daarvoor bezat! Ik
verzegelde den brief en ging naar de Engelsche Bank!”
„Naar de Engelsche Bank? En wat deed je daar met dien brief?”
„Ik heb in die Bank een safe, waarin mijn geheele vermogen aan baar
geld en de papieren van waarde zijn geborgen. Daar heb ik den brief
bewaard!”
„En ligt hij daar nog?” schreeuwde lord Lister in de grootste
opwinding.
„Nog—nog—daar!” reutelde de stervende, „maar voordat ik vandaag—naar
het duel ging—gaf ik—Adrienne—den sleutel—en zei—tegen haar:
„Als ik—voor zonsondergang niet—levend ben teruggekeerd—ga dan naar
Londen—maak mijn safe—in de Engelsche Bank—open—daar ligt een brief—o,
Lister—ik heb je overgeleverd aan een slecht wijf—aan een deerne— —zij
zal je met duivelsche vreugde vernietigen—want ik weet—dat ze jou haat—
—omdat jij haar minacht!”
In dit oogenblik veranderde de groote onbekende geheel en al.
Ieder spoor van opwinding was uit zijn gelaatstrekken verdwenen. Een
ijzeren kalmte straalde uit zijn blik en deed zijn mannelijk, jeugdig,
schoon gelaat als uit marmer gehouden voorkomen.
„Antwoord mij vlug, beste vriend”, sprak hij toen, „nu kun je nog
denken, nog spreken!
„Heb je in de Bank van Engeland het bevel achtergelaten, dat ieder, die
den sleutel brengt, toegang heeft tot de kluis, of kan dat slechts een
bepaald persoon zijn?”
„Wie den sleutel brengt, kan de deur van de safe openen.
„Hoop er echter niet op, dat je de deur op de een of andere manier kunt
laten springen, of dat eenige sleutel zou passen. Je weet, dat de
Engelsche Bank iederen sleutel op andere manier laat maken en dat elk
voorwerp een kunststukje op zichzelf is!”
„Dat weet ik. Maar waar verbergt je vrouw den sleutel? Heb je dat
gezien, toen je haar dien hebt gegeven?”
„Ja!”
„Waar dan?”
„Zij draagt den sleutel aan een gouden ketting om den hals!”
„Denk je, dat zij dadelijk naar Londen zal gaan?”
„Ik vermoed, dat zij nog vandaag zal gaan,” antwoordde de markies met
een stem, die steeds zwakker werd, „zij zal zoodra mogelijk in het
bezit van mijn vermogen willen komen!”
„Dan is alles in orde!” mompelde lord Lister. „Adrienne de Malmaison is
nog niet in Londen aangekomen!
„Je kunt met een veilige gedachte aan mij sterven, markies! Ik zou niet
John C. Raffles, de groote onbekende zijn, als ik den sleutel niet
afhandig maakte aan deze vrouw!”
Met de diepste droefenis zag lord Lister, dat zijn brave vriend geen
klank meer kon uiten.
Nog slechts een zwak handdrukje, toen zakte het lichaam van den markies
ineen.
„Dood!” stiet Lister uit, „dood!”
Hij drukte zijn gestorven vriend zachtjes de oogen toe en beroerde met
zijn lippen toen even het witte voorhoofd van den ontslapen vriend.
Toen hij zich daarna oprichtte, sprak groote vastberadenheid uit zijn
blik.
„Acht uur, vijf minuten,” fluisterde hij, terwijl hij zijn horloge te
voorschijn haalde, „als zij inderdaad vanavond nog naar Havre reist,
moet zij den sneltrein nemen, die om negen uur vertrekt!
„Ik hoop nog op tijd te komen om met haar mee te kunnen reizen.
„Maar—ik mag geen minuut verliezen, want de weg naar het station is
lang!”
Thans kwamen de getuigen van het vreeselijke duel met den dokter terug.
„Markies Raoul de Frontignac is dood,” sprak lord Lister op ernstigen
toon, „wij hebben ons verzoend en thans, heeren, moet ge mij
verontschuldigen. Gij, waarde baron Bruce, zult wel zoo goed willen
zijn, met de heeren per rijtuig naar Parijs terug te willen gaan. Ik
moet de auto gebruiken!”
En zonder verder eenige verklaring te geven van zijn raadselachtig
gedrag, stormde lord Lister weg en sprong hij in de auto.
De jonge chauffeur keek hem vragend aan.
„Naar het Lyonerstation, wij moeten er om negen uur zijn,” sprak lord
Lister.
„Onmogelijk, mijnheer! Van hier naar dat station is vijf kwartier
rijden! Ik kan er niet voor instaan, dat ge op tijd komt!”
„Werkelijk niet? Stap dan uit! Ja, stap dan uit!”
Het werd gezegd op een toon, die geen tegenspraak duldde.
De chauffeur deed, wat hem bevolen was.
In het volgende oogenblik was de handel overgehaald en als door den
wind voortgedragen, stoof de auto langs de vlakte en door den
herfstavondnevel, die intusschen over Parijs was neergedaald.