Het is den 11den April 1888, juist vijftig jaren na den dood van David
Malan en ik verzoek u om met mij mede te gaan naar de plaats van
Johannes Joubert, gelegen aan de Mooirivier, eenige uren van
Potchefstroom. Volg mij een oogenblik; ik ga u in een ziekenkamer
brengen. Het gordijn van het venster is nedergelaten, en hoewel het nog
vroeg in den dag (het is zoowat tien uur) is, heerscht er een halve
schemer in de kamer. Op het bed ligt een zieke vrouw. Zij is niet meer
jong, zooals gij bemerkt aan de diepe rimpels op haar gelaat; inderdaad
is zij reeds achtenzestig jaar oud. De lijderes is blijkbaar zwaar ziek
en aan de korte ademhaling, die zeer onregelmatig is, kan men bemerken
dat de dood op den drempel van de deur staat, en weldra zal
binnentreden om de ziel van deze vrouw op te eischen.
Aan de eene zijde van het bed staat de eigenaar der plaats, Frans
Joubert, een man wiens haren ook reeds grijs zijn, en die dan ook reeds
63 zomers telt. Aan de andere zijde van het bed zit zijne vrouw Anna,
terwijl aan het voeteneinde twee meisjes van bijna twintig jaar op de
lijderes nederzien.
„Haar pols raakt heelemaal weg, Frans,” zegt tante Anna zachtjes; „zij
zal net nu sterven.” Haar man antwoordt niet; hij ziet slechts neder op
de zieke vrouw, en zijne gedachten houden zich bezig met
gebeurtenissen, die vijftig jaren geleden plaats gevonden hebben. Wel
was hij toen nog maar dertien jaar oud, doch toch staan hem die
gebeurtenissen levendig voor den geest.
Plotseling richt de zieke vrouw zich snel op, alsof zij het bezit harer
volle krachten met een tooverslag teruggekregen had.
„Wat is dit zuster,” vroeg tante Anna opstaande.
De zieke keek strak voor zich; de glazigheid harer oogen verdween; een
liefelijke glimlach verspreidde zich om haren mond, en zij riep—„Ja
David, ik kom.” Toen viel zij op de kussens terug.—Martje was dood.