AANTEEKENINGEN

[1] Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende

speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.

[2] Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia

[Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Het

religieuze instinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot

heden onverzwakt gebleven.

[3] De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet

kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding

behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de

mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.

[4] Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden.

Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met

den winter.

[5] Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling.

Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans

b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren

zeker leefden?

[6] Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten

unde singen, des vlizzen sie sich sêre” in Kudrun, vers 51.

[7] Vd. D. Detlefsen, Die Entdeckung des germanischen Nordens im

Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.

[8] Drie maagden in een gouden huis,

Die zijn van alle markten thuis,

De eene, die spint zijde,

De andere vormt uit krijde (krijt, leem)

De derde snijdt het haverstrôo

Behoede Wod ons kind’jes lôo. (land.)

[9] Naar een perkament uit 1300. n. Chr., dus bijna 15 eeuwen later,

dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat

het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna

juist hetzelfde:

Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet

te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken; zieken

niet aanraken!... Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige

opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw

na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en

wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk

nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de

bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de

nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en

priesters.

[10] Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl. Quellen and Forschungen zur

alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft II Berlijn

1904.

[11] Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer

Flevo werd.

[12] Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een

ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).

[13] Nachtreizen. De oude Germanen rekenden bij nachten, dus dagreis

kon hier niet gebruikt worden.

[14] De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch”

geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania”

van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen

echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich

met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht.

Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden

met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend

drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het

aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen

moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige

begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche

verdorvenheid is wel merkwaardig. Dertien eeuwen Christendom trouwens

vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te

geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs

peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort,

schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem

vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande... kortom tegen alle

zonden van de twaalf caesars bij elkaar!

Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch

reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar

de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door

onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals

in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen,

opvoedingsgestichten, kostscholen.

Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden

eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op

geslachtelijk gebied abnormaal.

De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend

door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch”

hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome

van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten

zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.

Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke

poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een

onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman

„Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot

der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde

zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat

verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons

in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!

[15] Er is geen reden om de waterproef voor onbekend bij de oude

Germanen te houden, hoewel de berichten omtrent haar toepassing niet

verder dan de middeleeuwen gaan. Het geloof aan heksen is veel ouder

dan de middeleeuwen, waarschijnlijk door de Germanen uit hun

vermoedelijk oer-land, Indië, medegebracht.

[16] De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord

zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke

streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht

als een soort speerbijl, in saks een stam ak of hak zoekend en deze

weder verbindend met haaks of hoeks.

[17] De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de

schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken,

niet.

[18] Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden

zijn. Sogol kon dit niet weten.

[19] Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen

houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v. Chr. bezielden en aan

een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter

in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een

hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen van

hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst

thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te

openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als

Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend.

Het Christendom, dat veel heeft van een Boeddhisme naar Joodschen

karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is

juist door de Germanen het best begrepen.

Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder

den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden

onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat

hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.

Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven

onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een

gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.

In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom

neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken,

waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie

de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus

eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa,

de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste

der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.

Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat

wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel

kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de

meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de

dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.

Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte,

zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van

geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest

buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën

tusschen den mensch en zijn werken.

Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche

Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de

verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen,

waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra

hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht,

fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit.

Sogols gebrekkige kennis heb ik laten doorschemeren.

[20] Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist,

wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten

krijgsgevangen waren gemaakt.

[21] Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit

Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de

onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk

waren? Eenige hunner schepen werden tot Scandia gedreven, daar landden

de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen

van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging

grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den

cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van

het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het

feit, dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo

goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het,

vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen,

Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus,

Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan

niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de

oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de

andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens

eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeft

getoond hoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De

vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende

fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens

ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden

omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd

heeft, maar niet geheel tot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan

wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.

En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het

Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de

zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot

b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot

dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd

hadden met de eilandbevolking?

Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier

raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.

Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.... en men bedenke, dat Othon

waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit

de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs

het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters

beoefend werd.

Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen

indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren

begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie

aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan

uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons

tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de

humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de

meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren,

wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.

[22] Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg,

Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.

[23] Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden,

gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder

heilzaam.

[24] Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel

Germanje gebracht.

[25] Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid

werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de

wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.

[26] Het komt mij voor, dat ook de oud-Germaansche kunstenaars

standaard-verhalen hadden van onbekenden ouderdom, die elk dichter naar

zijn eigen opvatting weergaf, juist zooals thans nog. Historische of

plaatselijke nauwkeurigheid bond hun evenmin als b.v. de Nederlandsche

schilders, die de geboorte te Bethlehem voorstelden, zelfs in een

tentje op ’t ijs. Vandaar het moeielijke werk van het nasporen van den

historischen achtergrond der sagen, die velen zeer vernuftig in de

Germaansche hemel-fantaisie zoeken. Bij mijn voorstudiën voor deze

reconstructie heb ik zeer een vergelijkend overzicht der oud-Indische

en oud-Germaansche sagen gemist. Een uitvoerig werk, dat de sagen der

menschheid omvatte, zou de vergelijkende sagen-studie zeer te stade

komen.

[27] Knods met geprikkelden knop.

Germania(#73888) · 第 44 / 44 题