1 De zondag is wel na mijn zin,
hij komt zoo gemakkelijk in;
ik slaap met rust zoo lang 't my lust
zonder misbaar:
ik wou dat 't altijd zondag waar!
2 Zondags staat alle handwerk stil,
dat gaat zoo fraai na onzen wil;
elk tot zijn vriend gaat waar 't hem dient,
den een tot d'aêr:
ik wou dat 't altijd zondag waar!
3 Het werken is een groot verdriet
voor hem die geeren en werkt niet;
't is hem een plaag ook alle daag
en al het jaar:
ik wou dat 't altijd zondag waar!
4 Zondags gaan ook de visschers uit
met emmer, korf al om den buit,
om vangen met schakel, werpnet:
den hengelaar,
hij wou dat 't altijd zondag waar!
5 De vrouwtjens toogen dan haar vlijt
om zondags te wezen verblijd;
elk in zijn huis of bij zijn bruid
of zijn minnaar:
ik wou dat 't altijd zondag waar!
6 De knechten zijn dan ook bereid
om te gaan al met de meid,
ginds ende weêr na haar begeer
in 't groen eenpaar:
ik wou dat 't altijd zondag waar!
7 Oorlof hier mede voor het lest,
het dunkt mij altijd zondags best,
dan is er vreugd al bij de jeugd,
al bij malkaêr:
ik wou dat 't altijd zondag waar!
Holländisch: Oudt Haerl. LB. 27. druk 1716. bl. 49. mit Weglassung
einiger Strophen (Willems Nr. 249.) Gehört der neueren Zeit an.
¶ 1, 4. misbaar, Lärm--2, 4. aêr für ander--4, 3. schakel, Klebegarn,
Fischernetz--4, 4. hengelaar, Angelfischer--5, 1. toogen in Seeland
und Flandern für toonen, zeigen.
¶ Nr. 158.