1 'Danst, danst, kwezelken!
ik zal u geven een peerd.'
daer sprak dat loddelyk kwezelken
'dat is het dansen niet weerd;
ik en kan niet dansen,
ik en kan niet springen,
dansen is onzen regel niet,
nonnen en paters dansen niet.'
2 'Danst, danst, kwezelken!
ik zal u geven een koe.'
daer sprak dat loddelyk kwezelken:
'ik ben het dansen moê;
ik en kan niet dansen,
ik en kan niet springen,
dansen is onzen regel niet,
nonnen en paters dansen niet.'
3 'Danst, danst, kwezelken!
ik zal u geven 'ne man!'
daer sprak dat loddelyk kwezelken:
'ik zal al doen wat ik kan:
ik kan wel dansen,
ik kan wel springen,
dansen is onsen regel ook,
nonnen en paters dansen ook.'
Vlämisch: Wodana door J. W. Wolf bl. 81.
¶ Nr. 146.