1 Klompertjen en zijn wijfjen,
Die zouën vroeg opstaan,
Om eiertjens te verkoopen,
En naar de markt te gaan.
2 Ze waren halleverwegen,
Halleverwegen den dijk,
Daar braken al haar eiertjens,
En 't botertjen viel in 't slijk.
3 Het speet er niet om de eirtjens,
Maar om er mooien doek,
Die ze gisteren nog gemaakt had
Van Klompertjens besten broek.
Holländisch: Bauernlied in Camera obscura van Hildebrand (Nicol. Beets)
3. druk 1. Deel (Haarlem 1851.) bl. 76.
¶ Nr. 134.