DER OSTINDIENFAHRER.

1 Wie wil hooren een nieuw lied?

hoort toe, ik zal 't u gaan verklaren

al van een oostindischvaar met zijn lief,

hoe zij beide in zorge waren.

2 'Zoete lief, als gij na Oostindien vaart,

hoe lang zal de reis duren?

mocht ik u om 't jaartje eens wederzien

en zoo goelijken avonturen?'

3 'Zoete lief, dat mag alzoo niet zijn:

zet mij derd'half jaar uit zinne,

en draagter stadig liefde tot mijn

en kijkt te met zeewaart inne!'

4 'Of ik er al zeewaart inne kijk,

ik en mag u zien of spreken.

als gijder uw buidel vol daalders draagt,

zult gij mij dan ook vergeten?'

5 'Schoon lief, betrout gij mij dat wel toe?

zoud' ik doen als de ontrouwe?

ik hebber geen liever op aarden als jou,

hei! de fleur van schoon jonkvrouwen!'

6 Die ons dit nieuw lied heeft gedicht,

die hevet zoo wel gezongen;

hij heeft 't al van zijn liefjen gedicht

en spijt alle quaanijderstongen.

Holländisch: Scheltema's Sammlung, Anfang des 18. Jahrhunderts.

¶ 1, 3. vaar für vaarder, Fahrer--2, 4. goelijk, angenehm--3,

3. stadig, gestadig, beständig--3, 4. te met, mitunter, dann und

wann--6, 4. spijt, trotz.

¶ Nr. 131.

Niederländische Volkslieder · 第 139 / 217 题