1 'Ik klommer den boom al op
en die mijn te hooge was.
de takjes braken aan stucke
en ik viel in het gras,
en met een quam daar mijn zoete lief aan rijden.'
2 'Lief, wilt gij met mijn rijden,
lief, wilt gij met mijn gaan,
ik zalder jou heenen leiden,
daar de geele goudroosjes staan
en daar zal ik jou trouwen voor mijn vrouwe.'
3 'Ik wilder niet met jou rijden,
ik wilder niet met jou gaan,
mijn moeder zouder mijn schelden,
mijn vader zou mijn slaan
en ik zou alzoo zeer geslagen worden.'
4 'Waarom zou moeder jou schelden,
waarom zou vader jou slaan?
gij hebt de geele goudroosjes
voorwaar geen leed gedaan
en gij hebt uw eertje alzoo wel gehouwen.'
* * *
5 'Ik lagger te nacht en sliep
al inne mijn zoete liefs arm,
ik moester wederom uit.
hei, 't was heet, 't was koud, 't was warm!
van de alderliefste moest ik scheiden.
6 O scheiden, bittere scheiden,
als het immers wezen moet!
hoe noo is dat wij scheiden
al van dat 's herten bloed!
hei, hoe noo is dat wij scheiden van de liefsten!
Holländisch: Scheltema's Sammlung, Anf. des 18. Jahrh.
¶ 1, 3. takjes, Zweige--4, 5. gehouwen für gehouden--6, 2. immers,
allerdings--6, 3. noo für noode, ungern.
¶ Nr. 114.