1 'Ik wou dat alle de boomkens bloeiden
die daar in de wilde woude staan,
behalven een klein boomken,
dat en kander geene loveren ontfaan.'
2 Wat zoude ik loveren dragen,
ik en heb er geen wortelkijn.
mijn zoete lief is uit den lande,
hei! hoe zeere verlanget mijn!
3 Ik en magze zien noch hooren spreken,
hei! quaa klappers die benijden dat's mijn.
ik wou dat alle de quaa nijders
en quaa klappers waren over den Rijn!
4 En ik met mijn zoete waarde liefjen
waar gesloten in een duister kamerkijn,
hoe luttelijk zoude ik vragen,
hei! wanneer het schoon licht dag zoude zijn!
5 Het daget in het Oostnoordoosten,
hei! dat doeter mijn jong hertje zoo wee:
te scheiden van mijn zoete liefjen,
hei! dat breekter mijn jong hertje aan twee.
* * *
6 Ten einde van mijn liefjens hoofden
hei! daar staater noch een kofferkijn,
en daar leit inne besloten
hei! mijn zoete liefjens trouwetjen van mijn.
7 Ten einde van mijn zoete liefjens voeten
hei! daar staater noch een flesje met wijn,
en daar en zal niemand uit drinken,
of het zal den alderliefste zijn.
8 Ten einde van mijn liefs bogaarde,
hei! daar staander noch twee boomkens fijn,
den eenen draagt nooten muschaten,
hei! den ander die draagt nagelen fijn.
9 Die nagelen smaken alzoo zoete,
o de nootjens bennen alzoo rond:
ik hooper noch t' avond te kussen
hei! mijn zoete liefjens rooder mond.
10 De nagelen, noote muschaten,
hei! dat isser zoo goed malenkruid,
dat zullen wij de mooie meisjes schenken
hei! wanneer zij zullen zijn de bruid.
Nordholländisch: Scheltema's Samml., Anf. des 18. Jahrhunderts. Das
Lied wird in der Ueberschrift ein "altes nordholländisches"
genannt. Es scheint bei Verlobungen oder Hochzeiten gesungen
zu sein. Gewürznägelein und Muscatnüsse wurden bei solchen
Gelegenheiten der Braut geschenkt, wie der Schluss (10, 3. 4.) deutlich
ausspricht. Das malenkruid findet dadurch auch seine Erklärung, es
ist an kein malkruid (Bilsenkraut) der heutigen Sprache zu denken,
sondern vielmehr ein altes maalkruid, dem maalschat entsprechend
anzunehmen. Es fragt sich, ob sich nicht am Ende das Kraut in "Kraut
u. Wein" Theophilus I. 265. (meine Ausgabe S. 41.) auch so erklären
lässt?
Wenn nicht bessere Texte zum Vorschein kommen, wird das Verständniss
dieses Liedes schwer zu erreichen sein.
Str. 6-9. finden sich auch häufig in deutschen Volksliedern.
¶ 1, 4. loveren, Mz. von loof, wie Laubern von Laub nicht mehr
üblich--3, 2. klapper, Klaffer, Verläumder--4, 3. luttelijk, sehr
wenig--9, 1. nagelen, Gewürznägelein, weil die Frucht die Gestalt
der Nägel hat.
¶ Nr. 89.