1 Daar reed een heer met zijn schildknecht, Santio
het smalle pad en de breede weg.
nu weder de kneder de koorde
sante jante iko
kante ko de kandelaar de isio.
2 De heer al tegen zijn' dienstknecht sprak:
'stijgt op den boom, krijgt het duifje daaraf!'
3 'Mijn heer, en dat en doe ik niet,
de takken zijn zwak ende dragen mij niet.'
4 De heer werd toornig ende gram,
hij zelver op den boom op klam.
5 'Nu is mijn heer gevallen dood,
hoe krijg ik nu mijn verdiende loon?'
6 'Uw verdiende loon krijgt gij wel,
daar zijn nog rossen en wagens op stal.'
7 'Rossen en wagens begeer ik niet,
maar de jongste dochter en verzweer ik niet.'
8 Nu is de knecht geworden een heer,
hij rijdt met koets en paarden weêr.
Holländisch: VolksLB. 1754 u. Apollo's St. Nicolaasgift. Der Kehrreim
wird bei allen Strophen wiederholt, eben solcher Unsinn, wie er
sich auch in anderen Kehrreimen wiederfindet. Le Jeune, Volkszangen
115. macht dazu die Bemerkung: "Santico een Heiligje. Cantico de
Candelaria." Es ist damit wenig gewonnen. Snellaert hat ganz Recht,
wenn er entgegnet (Willems Nr. 110.): "Het refrein, volgens my,
is zonder beduidenis, dergelyke men meer in onze volksliederen
aentreft. Deze byzonderheid van onverstaenbare woorden uit te galmen
behoort tot een hoofdgebrek in onzen landaerd,--de zucht om het
vreemde na te bootsen, zelfs daer waer het niet verstaen wordt."
Das Lied in dieser Gestalt ist sehr bruchstücklich, kann aber deshalb
doch ursprünglich ganz verschieden gewesen sein von dem deutschen. Nach
diesem ist der Knecht der Geliebte von seines Herrn Frau und ermordet
denselben. Der älteste Text bei Uhland Volksl. Nr. 94. aus Hans
Daubmanns Bergkreyen 1547. Das Lied lebt noch im Munde des Volkes,
abweichend von der alten Fassung, s. die Nachweisungen in meinen
Schles. Volksliedern S. 15.
Lesarten: 3, 2. de takke benne zwak en verdragen mijn niet. 8, 2. voor
(für weêr).
¶ Nr. 40.