Mooi als een plaatje uit zijn tijdschrift l'Echarpe d'Iris, met
nieuwe handschoenen, elegante schoenen, gladgeschoren, gefriseerd,
opgedraaide snorpunten, een wandelstokje in de hand, een monocle in
het oog, stralend en verjongd stond onze vriend, de dichter Rodolphe
op een Novemberavond op den boulevard op een rijtuig te wachten,
waarmede hij zich naar huis wilde laten brengen.
Rodolphe wachten op een rijtuig? Welk een ommekeer was er plotseling
in zijn particulier leven gekomen?
Op hetzelfde uur, dat de als het ware gemetamophorseerde dichter, een
grooten regalia in den mond, zijn snor opdraaide en de blikken der
dames trok, kwam een vriend van hem denzelfden boulevard langs. Het
was de wijsgeer Colline. Rodolphe zag hem in de verte aankomen en
herkende hem dadelijk; trouwens wie, die hem ook maar éénmaal in zijn
leven gezien had, zou hem niet herkennen? Colline was als gewoonlijk
belast en beladen met een dozijn oude boeken. In zijn onsterfelijken
bruinen paletot, welks onverslijtbaarheid de veronderstelling,
dat hij door de Romeinen gemaakt was, rechtvaardigde, en met zijn
beroemden, breedgeranden hoed, die op een vilten koepel geleek,
waaronder een zwerm hyperphysische droomen door elkaar krioelde,
en die den bijnaam had van de "stormhoed van den Mambrin der moderne
philosophie", liep Gustave Colline langzaam voort en declameerde voor
zichzelf zacht de voorrede van een werk, dat sedert drie maanden ter
perse lag ..... in zijn verbeelding. Zoo kwam hij langzamerhand bij
den plek, waar Rodolphe stond te wachten; hij meende hem te herkennen,
maar de buitengewone elegance van den dichter bracht den wijsgeer in
twijfel en onzekerheid.
"Rodolphe met handschoenen en een wandelstok! Een chimère! Een
utopie! Een verstandsverbijstering! Rodolphe, die al even weinig haren
heeft als de gelegenheid, gefriseerd! Waar zitten mijn oogen? Bovendien
is mijn ongelukkige vriend op dit oogenblik druk bezig met het
dichten van klaagliederen over het vertrek van zijn Mimi, die hem,
naar ik heb hooren vertellen, heeft laten zitten.
Intusschen was Colline, toen hij vlak bij Rodolphe stil bleef staan,
wel genoodzaakt zich door de werkelijkheid der feiten te laten
overtuigen; het was inderdaad Rodolphe, gefriseerd, met een wandelstok
en handschoenen; het was onmogelijk, maar het was waar.
"Alle duivels," riep Colline; "ik vergis me niet; jij bent het,
het kan niet missen, ik ben er zeker van."
"Ik ook," antwoordde Rodolphe.
Colline begon nu zijn vriend van top tot teen op te nemen en zette
daarbij een gezicht zooals de hofschilder Lebrun het geschilderd had,
om de allergrootste verbazing uit te drukken. Maar plotseling ontdekte
hij twee heel bijzondere dingen, die Rodolphe bij zich had, n.l. 1o
een touwladder en 2o een kooitje, waarin een vogel rondvloog. Toen
Colline die dingen zag, drukte zijn physionomie een gevoel uit, dat
de hofschilder Lebrun op zijn doek der "Menschelijke Hartstochten"
vergeten heeft weer te geven.
"Kom," zeide Rodolphe tot zijn vriend; "ik heb de nieuwsgierigheid
van je geest heel duidelijk door het venster van je oogen zien gluren;
ik zal ze bevredigen; maar laten wij niet zoo hier op straat blijven;
het is zoo koud, dat vraag en antwoord zouden bevriezen."
En zij gingen een café binnen.
Colline's oogen waren geen moment van den touwladder af, evenmin als
van het kooitje, waarin de vogel, die door de warmte van het café wat
fleuriger werd, begon te zingen in een taal, welke Colline, die toch
een polyglot was, niet kende.
"Vertel me nu eindelijk eens," vroeg Colline op den touwladder wijzend,
"wat dat is?"
"Een verbinding tusschen mijn geliefde en mij," antwoordde Rodolphe
met den klank van een mandoline in zijn stem.
"En dat?" vroeg de wijsgeer met een blik op den vogel.
"Dat," zeide de dichter en zijn stem werd zacht als een lentebriesje;
"dat is een klok."
"Spreek toch zonder gelijkenissen, in alledaagsch proza, maar
duidelijk!"
"Goed. Heb je Shakespeare gelezen?"
"En of! To be or not to be. Een groot philosoof.... Of ik hem
gelezen heb!"
"Herinner je je Romeo en Julia?"
"Dat zou ik denken!" zeide Colline.
En hij begon te reciteeren:
"It is not yet near day;
It was the nightingale, and not the lark,
That pierc'd the fearful hollow of thine ear. [47]
"Ja hoor, ik herinner me Romeo en Julia best. En verder?"
"Wat?" zeide Rodolphe, op den touwladder en den vogel wijzend, "begrijp
je het nu nog niet? Ik ben verliefd, kerel, verliefd op een meisje,
dat Julia heet!"
"Nou, en verder?" vroeg Colline ongeduldig.
"Welnu, daar mijn nieuwe geliefde Julia heet, heb ik het plan gevormd
met haar het drama van Shakespeare nogmaals op te voeren. In de eerste
plaats heet ik niet meer Rodolphe, maar Romeo Montague, en je zult me
zeer verplichten mij in het vervolg zoo te noemen. Bovendien heb ik,
opdat iedereen het zal weten, nieuwe visitekaartjes laten drukken. Maar
dat is niet alles: ik zal van de omstandigheid, dat we nog niet in
den carnavalstijd zijn, gebruik maken, om een fluweelen wambuis en
een degen te dragen."
"Om Tybalt te dooden?" vroeg Colline.
"Precies," antwoordde Rodolphe. "Kort en goed, deze touwladder moet
dienen, om binnen te komen bij mijn geliefde, die toevallig een balcon
voor haar kamer heeft."
"Maar die vogel, die vogel?" bleef Colline aandringen.
"Wel, die vogel is een duif en moet de rol spelen van nachtegaal
door iederen ochtend precies het oogenblik aan te geven, waarop mijn
geliefde, uit wier omarming ik mij losmaken wil, haar armen om mijn
hals slaan en juist zooals in de balconscène zeggen zal: "Neen, het
is nog niet de dag, het was de nachtegaal ....." d.w.z.: "Neen , het
is nog geen elf uur, het is vuil op straat, ga nog niet weg, het is
zoo lekker hier." Om de illusie volkomen te maken, zal ik probeeren
een min te krijgen en die ter beschikking van mijn geliefde stellen;
en ik hoop, dat de kalender zoo goedgunstig zal zijn om mij nu en
dan, wanneer ik het balcon van mijn Julia beklim, wat maneschijn te
verleenen. Wat zeg je van mijn plan, philosoof?"
"Heel aardig," antwoordde Colline; "maar wil je me misschien ook
het mysterie van dit prachtige omhulsel, dat je onherkenbaar maakt,
ontsluieren? .... Ben je millionair geworden?"
Rodolphe gaf geen antwoord, maar wenkte een kellner en gaf hem
onverschillig een louis met de woorden:
"Houd maar af!"
Dan sloeg hij op zijn vestjeszakje, dat begon te zingen.
"Heb je soms een klokketoren in je zak, dat het daar zoo luidt?"
"Een paar louis maar."
"Echte louis d'or?" zeide Colline met een van verbazing gesmoorde
stem. "Laat mij eens kijken, hoe die eruit zien!"
Dan scheidden de beide vrienden, Colline, om Rodolphe's schatten en
nieuwe liefde verder uit te bazuinen, Rodolphe om naar huis te gaan.
In de week, die gevolgd was op den tweeden breuk met Mimi, had zich
het volgende afgespeeld.
Toen de dichter met zijn vriendinnetje gebroken had, voelde hij
behoefte om van omgeving te veranderen en verliet hij met zijn vriend
Marcel het sombere hôtel garni, welks eigenaar de beide heeren zonder
al te veel spijt zag heengaan. Zooals wij reeds verteld hebben, gingen
zij samen een ander onderdak zoeken en huurden twee kamers in hetzelfde
huis en op dezelfde verdieping. De door Rodolphe gekozen kamer was
veel geriefelijker dan al degene, die hij vroeger bewoond had. Er
stonden bijna werkelijke meubels in; met name een canapé met een rood
overtrek, dat fluweel moest voorstellen, welke stof echter in geen
enkel opzicht het spreekwoord: "Doe wat ge moet" in praktijk bracht.
Op den schoorsteen flankeerden twee porceleinen vazen met bloemen en
een albasten pendule met afschuwlijke versieringen. Rodolphe zette
de vazen in een kast en verzocht den huisheer, toen deze de pendule
kwam opwinden, dat liever niet te doen.
"De pendule mag voor mijn part op den schoorsteen blijven staan," zeide
hij, "maar alleen als kunstvoorwerp; zij staat nu op middernacht,
dat is een mooi uur; zij moet er dus op blijven staan. Zoodra zij
vijf minuten later wijst, ga ik verhuizen ..... Een pendule!" ging
Rodolphe, die zich nooit aan de tyrannie van een wijzerplaat had
kunnen onderwerpen, tot zichzelf sprekende, voort; "een pendule is een
verbitterde vijand , die je onverbiddelijk je bestaan uur voor uur,
minuut voor minuut voortelt en je ieder oogenblik zegt: "Daar is weer
een deel van je leven voorbij!" O, ik zou niet rustig kunnen slapen
in een kamer, waarin een van die martelwerktuigen staat, in welker
nabijheid zorgeloosheid en droomen onmogelijk zijn .... Een pendule,
waarvan de wijzers zich verlengen tot aan je bed en je 's ochtends,
wanneer je in een heerlijken sluimer ligt, komen prikken ..... Een
pendule, die je steeds toeroept: "ding, ding, ding! Het is tijd,
om te gaan werken, maak je los uit de armen van je heerlijken droom,
onttrek je aan de liefkozingen van je visioenen (en soms aan die van
werkelijkheden). Zet je hoed op, trek je schoenen aan, het is koud, het
regent, ga aan je werk, het is tijd, ding, ding" ..... Een kalender is
al meer dan mooi .... Mijn pendule moet verlamd blijven, anders ...."
Gedurende dezen monoloog onderwierp Rodolphe zijn nieuwe kamer aan een
nauwgezette inspectie en voelde daarbij in zich die heimelijke onrust,
welke zich bijna altijd van ons meester maakt, wanneer we een nieuwe
woning betrekken.
"Ik heb," dacht hij bij zichzelf, "opgemerkt, dat de kamers, die we
bewonen, een geheimzinnigen invloed uitoefenen op onze gedachten en
derhalve ook op onze daden. Deze kamer hier is kil en stil als een
graf. Indien hier ooit vroolijkheid heerschen zal, dan moet zij van
buitenaf worden ingevoerd; en ook dan zal zij hier niet lang blijven,
want onder dezen lagen zolder, die koud en grijs als een sneeuwlucht
is, moet de lach zónder echo sterven. O wee, hoe zal mijn leven
tusschen deze vier muren zijn!"
Eenige dagen later echter was deze zoo trieste kamer verlicht en
weerklonk van vroolijk gelach: Rodolphe gaf een inwijdingsfeest, en
de talrijke ledige flesschen verklaarden meer dan genoeg de opgewekte
stemming der gasten. De dichter zelf had zich door de aanstekelijke
vroolijkheid der feestgenooten laten medesleepen. Hij zat met een
jong meisje, dat het toeval hier gebracht en waar hij dadelijk
beslag op gelegd had, in een hoek en flirtte met haar met woorden
en handbewegingen. Tegen het einde van het feest was hij al zoover,
dat hij een rendez-vous met haar had voor den volgenden dag.
"Zoo," zeide hij tot zichzelf, toen hij weer alleen was, "deze
avond is nog al aardig geslaagd. Mijn verblijf hier is onder goede
voorteekenen begonnen."
Den volgenden dag kwam Julia op het afgesproken uur bij hem. De avond
ging geheel weg met verklaringen en uitleggingen. Julia had gehoord,
dat Rodolphe kort geleden gebroken had met het blauwoogige meisje,
waar hij zooveel van gehouden had; zij wist ook, dat Rodolphe na de
eerste scheiding haar weer teruggenomen had, en was daarom bang het
slachtoffer van een nieuwe verzoening te zullen worden.
"Want, zie je," zeide zij met een aardig en schalksch gebaartje,
"ik voel er heelemaal niets voor een belachelijke rol te spelen. Ik
zeg je vooruit, dat ik niet makkelijk ben; ben ik hier eenmaal de
vrouw des huizes"--en met een guitigen blik onderstreepte zij de
beteekenis, die zij aan deze laatste woorden gaf--"dan blijf ik het
en sta ik mijn plaats niet af."
Rodolphe riep al zijn welsprekendheid te hulp om haar te overtuigen,
dat haar vrees ongegrond was, en daar het jonge meisje van haar kant
niets liever wilde dan overtuigd worden, waren zij het heel gauw
eens. Doch die eensgezindheid hield weer op, toen het twaalf uur was,
want Rodolphe wilde, dat Julia bleef, terwijl zij naar huis wilde gaan.
"Neen!" zeide zij, toen hij bleef aandringen. "Waarom zouden we ons
zoo haasten? Wij komen nog altijd vroeg genoeg waar we wezen willen,
als jij tenminste niet blijft staan. Morgen kom ik terug."
En zoo kwam zij een week lang iederen avond terug, om weer weg te gaan,
zoodra het twaalf uur sloeg.
Rodolphe vond dien langzamen voortgang volstrekt niet vervelend. Hij
behoorde in het land der liefde of verliefdheid tot die soort van
reizigers, die de reis rekken en schilderachtig trachten te maken. Deze
kleine sentimenteele inleiding voerde hem echter ten slotte verder
dan hij eigenlijk wilde gaan. En ongetwijfeld had mademoiselle Julia
deze taktiek toegepast met het oogmerk hem tot dat punt te brengen,
waarop verliefdheid, gerijpt door den tegenstand, op liefde begint
te gelijken.
Iederen keer, dat zij den dichter opzocht, merkte Julia in wat hij
tot haar zeide, een grootere innigheid, een duidelijker uitgesproken
gevoel op. Wanneer zij wat laat was, maakte zich die kenteekenende
onrust van hem meester, welke het jonge meisje in verrukking bracht;
en hij schreef haar zelfs brieven, welker bewoordingen haar reden gaven
te hopen, dat zij weldra zijn wettige "vrouw des huizes" zou worden.
Toen Marcel, die zijn vertrouwde gebleven was, bij toeval eens een
van die epistels gelezen had, vroeg hij lachend:
"Zijn dat stijloefeningen, of meen je werkelijk wat je schrijft?"
"Waarachtig, ik meen het," antwoordde Rodolphe; "en het verwondert
me zelf ook wel een beetje, maar toch is het zoo. Acht dagen geleden
was ik in een zeer droefgeestige stemming. Die stilte en die kalmte,
die zoo plotseling en onmiddellijk op de stormen van mijn vroeger leven
gevolgd waren, maakten mij vreeselijk van streek, maar heel onverwacht
kwam Julia. Ik hoorde in mijn ooren de fanfares van een vroolijkheid
van een twintig-jarige weerklinken. Ik zag voor mij een frisch
gezichtje, lachende oogen, een mondje om te kussen, en langzamerhand
heb ik mij laten medevoeren op die helling der verliefdheid, welke
mij misschien tot liefde leiden zal. Ik heb graag lief."
Intusschen begon Rodolphe al heel gauw te merken, dat het slechts
van hem afhing, om een slot te maken aan dezen roman, en was toen op
het denkbeeld gekomen Shakespeare's Romeo en Julia te monteeren. Zijn
toekomstige geliefde vond het een aardig idee en had haar medewerking
toegezegd.
De repetitie van de balconscène was vastgesteld juist op denzelfden
avond, dat de wijsgeer Colline Rodolphe op straat ontmoette. De
dichter had even te voren den zijden touwladder gekocht, waarmede
hij op het balcon van Julia wilde klimmen. Daar de vogelkoopman geen
nachtegaal voorhanden had, nam hij er een duif voor in de plaats, die,
naar hem verzekerd werd, iederen ochtend bij het opgaan der zon zong.
Op zijn kamer gekomen, bedacht de dichter, dat een hemelvaart per
touwladder nu niet zoo heel gemakkelijk was en dat het derhalve
wenschelijk was de balconscène vooruit in te studeeren, als hij niet,
behalve de kans om te vallen, ook het gevaar wilde loopen, belachelijk
en onhandig te schijnen in de oogen van haar, die hem wachtte. Hij
sloeg dus twee spijkers diep in het plafond, maakte daaraan den
touwladder vast en gebruikte de twee uren, die nog voor hem lagen,
voor gymnastische oefeningen. Na talrijke vergeefsche pogingen slaagde
hij er ten slotte in zoo goed en zoo kwaad als het ging twaalf sporten
hoog te klimmen.
"Ziezoo," zeide hij tot zichzelf; "nu ben ik zeker van mijn zaak;
trouwens als ik onderweg blijf steken, zal de liefde mij vleugels
geven."
En met zijn touwladder en zijn duivenkooitje ging hij op weg naar
Julia, die dicht in zijn buurt woonde. Haar kamer lag achter in een
kleinen tuin en had inderdaad een balcon. Doch helaas, deze kamer
bevond zich op den rez-de-chaussée en van den grond af kon men
makkelijk zoo op het balcon stappen.
Toen Rodolphe deze terreingesteldheid, welke zijn poëtisch klimplan
in duigen deed vallen, zag, was hij zeer teneergeslagen.
"Het zij zoo," zeide hij tot Julia; "wij kunnen de balconscène daarom
toch wel opvoeren. Deze vogel hier zal ons morgen vroeg met zijn
welluidende stem uit onzen sluimer wekken en ons precies het oogenblik
kond doen, waarop wij met wanhoop in onze ziel moeten scheiden."
En met deze woorden hing Rodolphe zijn kooitje in een hoekje van
de kamer.
Den volgenden ochtend om vijf uur vervulde de duif op tijd haar plicht
en de kamer met een langaangehouden gekir, dat de twee geliefden
zeker gewekt zou hebben, als zij geslapen hadden.
"Welnu," zeide Julia, "thans is het oogenblik gekomen om naar het
balcon te gaan en wanhopig afscheid te nemen."
"De duif gaat voor," zeide Rodolphe; "wij zijn in November en dan
gaat de zon pas om twaalf uur op."
"Dat komt er niet op aan," zeide Julia; "ik sta op!"
"En waarom?"
"Ik heb een leeg gevoel in mijn maag en zou graag wat eten."
"Het is merkwaardig, zooals onze sympathieën overeenstemmen, ik heb
ook zoo'n gruwelijken honger," zeide Rodolphe, die nu ook opstond en
zich vlug aankleedde.
Intusschen had Julia reeds vuur aangelegd en keek nu of er nog wat
in het buffet te vinden was; Rodolphe hielp haar zoeken.
"Hier," zeide hij; "uien!"
"En spek!"
"En boter!"
"En brood!"
"Maar dat is ook alles."
Gedurende dezen onderzoekingstocht kirde de optimistische duif niets
vermoedend voort.
Romeo keek Julia aan, Julia Romeo, en beiden de duif.
Zij spraken geen woord, maar met dien blik was het vonnis over de
klok-duif geveld. Hooger beroep en cassatie zou haar niet geholpen
hebben--honger is een wreede raadgever.
Rodolphe liet het spek in de sissende boter opkomen. Hij trok een
ernstig en plechtig gezicht.
Julia maakte in een droefgeestige stemming de uien schoon.
De duif kirde nog steeds door... het was haar zwanezang.
Het sudderen van de boter in de pan begeleidde het stervenslied.
Vijf minuten later sudderde de boter nog, maar de duif zong, evenals
de tempelridders, niet meer. [48]
Romeo en Julia hadden hun klok à la crapoudine [49] gebraden.
"Het diertje had een lieve stem," zeide Julia, toen zij aan tafel ging.
"Ja, het was een lief beest," zeide Romeo en sneed het volgens de
regelen der kunst bruingebraden duifje in stukken.
En de twee verliefden keken elkaar aan en zagen in elkaars oog
een traan.
De huichelaars! Dat hadden de uien gedaan!