Op een goeden morgen werd Mimi, die anders gewoon was tot diep in den
ochtend te slapen, reeds op klokslag van tien uur wakker en scheen heel
verbaasd Rodolphe noch naast zich noch in de kamer te zien. Den vorigen
avond had zij hem, voor zij in slaap viel, toch aan zijn schrijftafel
zien zitten, waaraan hij van plan was den geheelen nacht te blijven
werken aan een extra-litterairen arbeid, die hem opgedragen was en
waarbij, als hij gereed was, Mimi zeer veel belang had. De dichter
had zijn vriendinnetje namelijk beloofd haar van de opbrengst van
zijn werk een bepaalde voorjaarsjapon te koopen, waarvan zij een
coupon had zien liggen in "De Twee Apen", een bekend modemagazijn,
voor welks etalages Mimi's coquetterie haar godsdienstige plichten
dikwijls ging vervullen. Sedert Rodolphe met het werk begonnen was,
nam de voortgang ervan al de gedachten van Mimi in beslag. Dikwijls
ging zij vlak bij den schrijvenden Rodolphe staan, keek over zijn
schouder en zeide dan heel ernstig:
"Nou, en hoe staat het met mijn japon?"
"Wees maar gerust hoor, er is al een mouw klaar!"
Toen zij op een goeden nacht hoorde hoe Rodolphe met zijn vingers
klapte, wat meestal een bewijs was, dat hij tevreden was over zijn
werk, ging zij plotseling rechtop in bed zitten, en riep, terwijl
zij haar bruin kopje door de gordijnen stak:
"Is mijn japon af?"
"Kijk maar", antwoordde Rodolphe en liet haar vier groote,
dichtbeschreven zijdjes zien; "ik heb zooeven den corsage gekocht."
"Heerlijk!" riep Mimi. "Nu ontbreekt alleen de rok nog maar; hoeveel
blaadjes heb je noodig om een rok te maken?"
"Dat hangt ervan af; maar daar jij niet groot bent, zullen we met een
blaadje of tien van vijftig regels à drie-en-dertig letters een heel
fatsoenlijken rok kunnen hebben."
"Ik ben niet groot, dat is zoo," zeide Mimi; "maar het mag toch niet
den schijn hebben, alsof we stof te kort kwamen: de rokken worden op
het oogenblik heel wijd gedragen en ik zou graag mooie groote plooien
hebben, die zoo aardig frou-frou maken, wanneer je loopt."
"Heel goed hoor," antwoordde Rodolphe ernstig, "ik zal tien letters
meer op een regel zetten, dan kan jij je frou-frou krijgen."
En overgelukkig sliep Mimi weer in.
Daar zij zoo onvoorzichtig geweest was met haar vriendinnen Musette
en Phémie te spreken over de mooie japon, die Rodolphe bezig was voor
haar te maken, hadden de twee jonge meisjes al heel gauw de heeren
Marcel en Schaunard in kennis gesteld met de vrijgevigheid van hun
vriend tegenover zijn liefje; welke vertrouwelijke mededeelingen al
even spoedig gevolgd waren door ondubbelzinnige toespelingen om het
door den dichter gegeven voorbeeld na te volgen.
"Wanneer het namelijk nog acht dagen zoo duurt," zeide Musette en
trok daarbij aan de snor van Marcel, "dan zal ik me verplicht zien
een broek van je te leenen, wanneer ik uit wil gaan."
"Ik moet nog vijftien francs van een solide firma hebben," antwoordde
Marcel; "zoodra ik die som krijg, zal ik een vijgeblad naar de nieuwste
mode voor je koopen."
"En wat krijg ik?" vroeg Phémie aan Schaunard. "Mijn peigne noir
(zij kon het woord peignoir niet uitspreken) valt aan flarden."
Schaunard vischte drie sous uit zijn vestjeszak op en gaf die aan
zijn maîtresse met de woorden:
"Hier kan je naald en draad voor koopen. Naai daar je peigne noir
maar mee, dat zal je kennis vermeerderen en je tevens aangenaam bezig
houden: utile dulci."
Toch kwamen in een zeer in het geheim gehouden bijeenkomst Marcel en
Schaunard met Rodolphe overeen, dat ieder van zijn kant zou trachten
de rechtmatige ijdelheid van hun vriendinnetjes te bevredigen.
"Een kleinigheid maakt die arme kinderen al mooi," had Rodolphe gezegd;
"maar die kleinigheid moeten zij dan ook hebben. Sedert eenigen tijd
gaat het met de schoone kunsten en de litteratuur zeer naar wensch;
we verdienen bijna even veel als pakjesdragers."
"Dat is zoo," antwoordde Marcel, "ik heb niet te klagen: de schoone
kunsten verheugen zich in een ongekenden bloei; je zoudt bijna denken
in den tijd van Leo X te leven."
"Dat is waar ook," viel Rodolphe hem in de rede, "Musette heeft mij
verteld, dat je de laatste acht dagen 's morgens vroeg al weggaat en
pas met het vallen van den avond thuiskomt. Heb je werkelijk zooveel
te doen?"
"Een prachtig werk, mijn waarde! Médicis heeft het mij bezorgd. Ik maak
n.l. in de kazerne Ave Maria de portretten van achttien grenadiers
tegen gemiddeld 6 francs per stuk, met een éénjarige garantie voor
de gelijkenis, net als bij horloges. Ik hoop het heele regiment tot
klant te krijgen. Het was juist mijn voornemen Musette weer eens
op te tuigen, zoodra Médicis mij betaald heeft, want met hem heb ik
gecontracteerd, niet met de modellen."
"En wat mij betreft," zeide Schaunard langs zijn neus weg, "ik heb,
al zou je het niet zeggen, tweehonderd francs ergens liggen."
"Laat ze dan voor den donder opstaan!" riep Rodolphe.
"Binnen een paar dagen hoop ik ze bij den bankier te gaan halen,"
ging Schaunard verder; "en ik wil het voor jullie niet onder stoelen
en banken steken, dat het mijn plan is om, wanneer ik ze in ontvangst
genomen heb, aan enkele van mijn hartstochten den vrijen teugel te
laten. Bij den uitdrager hier vlak naast hangen n.l. een nangkin rok
en een jachthoren, die me reeds lang de oogen uitsteken. Die zal ik
me zeker zelf cadeau doen."
"Maar," vroegen Marcel en Rodolphe tegelijk, "waar hoop je dat
reusachtige kapitaal vandaan te krijgen?"
"Luistert, heeren," zeide Schaunard, terwijl hij met een ernstig
gezicht tusschen zijn twee vrienden ging zitten; "we behoeven
elkaar niet te verhelen, dat we, voor we lid van het Instituut en
belastingplichtig worden, nog een aardig stukje roggebrood zullen
moeten naar binnen werken, en het dagelijksch brood is moeilijk te
verdienen. Bovendien zijn we niet alleen; waar de hemel ons met een
liefderijk hart geschapen heeft, heeft ieder van ons zijn tweede ik
gekozen, om zijn lot met haar te deelen."
"Waar natuurlijk een niet op gevallen is," viel Marcel hem in de rede.
"Nu is het," ging Schaunard voort, "zelfs al betracht je de grootste
zuinigheid, beslist onmogelijk, wanneer je niets hebt, nog wat over te
leggen, vooral niet wanneer je honger altijd grooter is dan de schaal."
"Waar wil je eigenlijk op neer komen?" vroeg Rodolphe.
"Hierop", antwoordde Schaunard, "dat wij in onzen tegenwoordigen
toestand al heel verkeerd zouden doen, om onzen neus op te halen,
wanneer er zich, zelfs buiten het gebied van onze kunst, een
gelegenheid voordoet, om een cijfer te zetten voor de nul, die ons
maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt."
"Hei, hei!" zeide Marcel, "wien van ons kan jij verwijten, dat hij zijn
neus ophaalt? Heb ik, hoe groot schilder ik mettertijd ook zal zijn,
er niet in toegestemd mijn penseel te offeren aan een schilderachtige
reproductie van Fransche krijgers, die mij van hun zakgeld betalen? Ik
zou zoo denken, dat ik niet aarzel af te dalen van den ladder van
mijn toekomstige grootheid!"
"En ik dan?" zeide op zijn beurt Rodolphe; "weet je niet, dat ik sinds
veertien dagen aan een medisch-chirurgisch-osanorisch gedicht bezig
ben voor een beroemden tandarts, die mijn inspiratie subsidieert met
vijftien sous voor een dozijn Alexandrijnen, dat is iets meer dan voor
een dozijn oesters? .... En toch schaam ik me daar niet voor; voor ik
mijn Muze werkeloos zou laten, zou ik nog liever het adresboek van
Parijs op rijm brengen. Wanneer je een lier hebt, dan moet je die,
duivels nog toe, gebruiken ook .... En bovendien heeft Mimi hard
schoenen noodig."
"Dan zult ge mij er niet hard om vallen, wanneer je hoort, uit
welken bron de Pactolus, waarvan ik een overstrooming verwacht,
ontsprongen is."
De geschiedenis van Schaunards tweehonderd francs was de volgende:
Een dag of veertien geleden was hij binnengeloopen bij een
muziekuitgever, die hem beloofd had hem bij zijn klanten muzieklessen
of een plaats als pianist te bezorgen.
"Bliksems," zeide de uitgever, toen hij hem binnen zag komen, "u komt
als geroepen. Er is mij juist vandaag om een pianist gevraagd. Het
is een Engelschman. Ik geloof, dat hij goed betalen zal .... Bent u
werkelijk een goed pianist?"
Schaunard dacht, dat een bescheiden optreden hem in de achting van
zijn uitgever zou kunnen doen dalen. Een musicus, vooral een pianist,
en bescheiden .... dat is een weinig voorkomende combinatie. Schaunard
antwoordde dan ook met veel aplomb:
"Ik ben een prima-pianist; als ik de tering, lange haren en een
zwarten rok had, zou ik op dit oogenblik even beroemd zijn als de zon,
en zoudt u, in plaats van aan mij achthonderd francs te vragen voor
het drukken der partituur van de "Dood van de jonge maagd", mij op
uw knieën en in een zilveren schaal er drieduizend komen aanbieden.
"Doch hoe het zij," ging de kunstenaar voort, "een feit is het, dat,
waar mijn vingers reeds tien jaar lang dwangarbeid op de toetsen
verrichten, ik het ivoor en de kruisen vrij goed weet te behandelen."
De persoon, tot wien Schaunard verwezen werd, was een Engelschman,
Mr. Birn'n geheeten. De musicus werd het eerst in ontvangst genomen
door een blauwen lakei, die hem aan een groenen lakei overhandigde,
welke op zijn beurt hem weer overgaf aan een zwarten lakei, die hem
in een salon bracht, waar hij een eilandbewoner tegenover zich zag,
die in de houding van een spleenlijder, waardoor hij aan Hamlet
deed denken, peinzend over de nietswaardigheid van ons bestaan,
in een fauteuil weggedoken zat. Juist wilde Schaunard het doel
van zijn komst uiteenzetten, toen doordringende kreten zich lieten
hooren en hem de woorden afsneden. Dit vreeselijke gekrijsch, dat je
trommelvlies bijna deed scheuren, werd uitgestooten door een papegaai,
die op het balcon van de benedenverdieping op zijn stok zat.
"O, deze beest, deze beest!" jammerde de Engelschman, die uit zijn
fauteuil opsprong. "Hij zal doen sterven mij."
En op hetzelfde oogenblik begon de vogel zijn repertoire af
te krijschen, dat veel uitgebreider was dan dat van gewone
papegaaien. Schaunard bleef stom verbaasd staan, toen hij het dier,
op bevel van een vrouwelijke stem, de eerste verzen van het verhaal
van Théramène [34] met de intonaties, die op het Conservatoire geleerd
worden, hoorde voordragen.
Deze papegaai was de lieveling van een actrice, wier boudoir
toentertijd zeer gezocht was. Het was een van die vrouwen, welke,
zonder dat men weet waarom of hoe, op den turf der galanterie
tot waanzinnige prijzen genoteerd zijn en wier naam op de menu's
van vrijgezellensoupers staat, waar zij als levend dessert dienst
doen. In onzen tijd staat het voor een Christen "gekleed" om gezien
te worden in het gezelschap van zulke heidinnen, die dikwijls niets
antieks hebben behalve haar geboortebewijs. Wanneer zij knap zijn,
zit er per slot van rekening nog zooveel kwaad niet bij: het ergste,
dat je riskeert, is dat je eens op stroo moet slapen, omdat je haar
een palissanderhouten ameublement gegeven hebt. Maar wanneer ze haar
schoonheid bij het ons in parfumeriewinkels koopen en deze niet bestand
is tegen drie druppels water op een lapje, wanneer haar geestigheid
ophoudt bij een café-chantant-couplet en haar talent zetelt in de
hand van een claqueur, dan is het bijna onbegrijpelijk hoe menschen
van stand, die soms geest, een naam en een nieuw-modisch pak hebben,
zich uit liefde tot het laag-bij-den-grondsche zoo laten medeslepen,
dat zij schepsels, die hun huisknecht niet als liefje zou willen
hebben, tot een mode-voorwerp verheffen.
De hier bedoelde actrice nu behoorde tot die modeschoonheden. Zij
noemde zich Dolorès en gaf zich uit voor een Spaansche, hoewel zij
geboren was in het Parijsche Andalusië, dat de rue Coquenard [35]
heet. Ofschoon de afstand tusschen de rue Coquenard en de rue de
Provence slechts tien minuten bedraagt, had zij toch zeven à acht
jaar noodig gehad om dien weg af te leggen. Haar voorspoed was
toegenomen in denzelfden mate als haar schoonheid afgenomen was. Zoo
had zij op den dag, dat zij haar eersten valschen tand liet inzetten,
één paard, en den dag, dat zij een tweeden een buurman gaf, twee
paarden. Thans leefde zij op zeer grooten voet, woonde in een paleis,
gaf op de wedrennen te Longchamp de mode aan en organiseerde bals,
waarop geheel Parijs tegenwoordig was, d.w.z. het geheele Parijs van
die dames: de nietsdoende hovelingen van de lichtzinnigheid en van het
schandaal, de lansquenetspelers en paradoxenjagers; zij, die met ledige
hoofden rondboemelen en hun eigen tijd en die van anderen verspillen;
de bravi der ontucht, de valsche adel, de ridders van geheimzinnige
orden, die geheele bohème, waarvan men niet weet vanwaar zij komt en
waar zij heen gaat; al die slechtbefaamde en beruchte schepsels; al
die Eva's-dochteren, welke vroeger de lichaamsvrucht van haar moeder
op een stalletje verkochten en deze nu in elegante boudoirs te koop
aanbieden; dat geheele van de wieg tot het graf in het vuil wentelende
ras, dat men bij de premières vindt met Golconda op het voorhoofd
en Tibet op de schouders, en waarvoor toch de eerste viooltjes der
lente en de eerste liefde der jonge mannen bloeien. Al die menschen,
welke de couranten tout Paris noemen, verkeerden in de salons van
mademoiselle Dolorès, de meesteres van de bovenbedoelde papegaai.
Deze vogel, dien zijn oratorische talenten in den geheelen wijk
beroemd gemaakt hadden, was langzamerhand de schrik der naaste buren
geworden. Van zijn stang op het balcon maakte hij een tribune, vanwaar
hij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat eindelooze redevoeringen
hield. Enkele met zijn meesteres bevriende journalisten hadden hem een
paar parlementaire spreekwijzen geleerd, waardoor het dier buitengewoon
sterk in de suikerquaestie was. Hij kende het repertoire der actrice
van buiten en declameerde het zòò goed, dat hij in geval van ziekte
desnoods haar rollen zou kunnen opnemen. Daar deze bovendien een
polyglotte in haar gevoelens was en uit alle oorden der wereld
bezoeken ontving, sprak de papegaai alle talen en ging zich soms
in alle idiomen te buiten aan vloeken en verwenschingen, welke den
schippersknechts, aan wie Vert-Vert [36] zijn al te geavanceerde
opvoeding te danken had, het schaamrood naar de wangen gejaagd zoude
hebben. Het gezelschap van dien vogel, dat de eerste tien minuten
leerzaam en amusant kon zijn, werd een ware kwelling, wanneer het
langer duurde. De buren hadden reeds meermalen geklaagd, doch de
actrice had er geen oor voor gehad. Twee of drie huurders, eerzame
familievaders, hadden in hun verontwaardiging over de lichte zeden
der actrice, waarin de indiscreties van den papegaai ze had ingewijd,
zelfs hun huur opgezegd aan den huiseigenaar, dien Dolorès in zijn
zwakke zijde had weten te tasten.
De Engelschman, bij wien we Schaunard hebben zien binnenkomen, had
drie maanden lang geduld geoefend.
Op een goeden dag echter hulde hij zijn woede, die eindelijk
uitgebarsten was, onder een rok en witte das en liet zich met al
de plichtplegingen, die noodig zijn om te Windsor bij koningin
Victoria voor den handkus te worden toegelaten, bij mademoiselle
Dolorès aanmelden.
Toen deze hem zag binnenkomen, dacht zij eerst, dat het Hoffmann [37]
in zijn kostuum van lord Spleen was, en noodigde hem, daar zij een
collega goed wilde ontvangen, uit bij haar te blijven déjeuneeren. De
Engelschman echter antwoordde in een Fransch, dat een Spaansche réfugié
hem in vijf-en-twintig lessen geleerd had, met den grootsten ernst:
"Ik neem aan uw uitnoodiging op voorwaarde, dat wij zullen opeten dien
.... vreeselijken vogel," en hij wees op de kooi van den papegaai,
die reeds den eilandbewoner in hem geroken had en hem met het "God
save the King" begroette.
Dolorès dacht, dat de Engelschman gekomen was, om haar voor den gek
te houden, en wilde juist een heftig antwoord geven, toen Mr. Birn'n
eraan toevoegde:
"Daar ik ben zeer rijk, ik vogel wel koopen wil."
Dolorès antwoordde, dat zij zeer gehecht was aan het dier en het niet
in de handen van een ander wilde zien overgaan.
"O, ik wil het ook niet hebben in mijne handen, maar onder mijne
voeten!" zeide de Engelschman en liet den hak van zijn laarzen zien.
Dolorès beefde van woede en wilde in verontwaardiging losbarsten,
toen zij aan den vinger van den Engelschman een ring zag, waarvan de
diamant misschien wel een rente van vijf-en-twintighonderd francs
vertegenwoordigde. Die ontdekking werkte als een stortbad op haar
woede. Zij bedacht, dat het niet verstandig zou zijn het aan den stok
te krijgen met een man, die vijftigduizend francs aan zijn pink droeg.
"Goed, mijnheer!" zeide zij dan ook; "als de arme Coco u last
veroorzaakt, zal ik hem in de achterkamer zetten; op die manier zult
u hem niet meer kunnen hooren."
Het gezicht van den Engelschman helderde eenigszins op.
"Maar toch," zeide hij en liet nogmaals zijn schoenen zien, "zou ik
liever ...."
"Wees maar niet bang," viel Dolorès hem in de rede; "van de plek,
waar ik hem zetten zal, kan hij milord onmogelijk lastig vallen."
"O, ik niet ben milord .... ik enkel ben esquire."
Toen echter Mr. Birn'n zich, na een stijve buiging gemaakt te
hebben, wilde terugtrekken, nam Dolorès, die haar belangen onder alle
omstandigheden in het oog hield, van een hoektafeltje een klein pakje
en zeide:
"Mijnheer, vanavond wordt in den * * * Schouwburg mijn
benefice-voorstelling gegeven. Ik moet in drie stukken optreden. Zoudt
u mij willen toestaan u een paar loges aan te bieden. De prijs der
plaatsen is slechts weinig verhoogd."
En met die woorden drukte zij den eilandbewoner een tiental
loge-biljetten in de hand.
"Nu ik zoo bereidwillig geweest ben hem een dienst te bewijzen," dacht
zij bij zichzelf, "is het voor hem, als hij tenminste een welopgevoed
iemand is, onmogelijk mij dit te weigeren; en wanneer hij mij in mijn
rood costuum ziet .... je kan nooit weten .... we wonen zoo vlak naast
elkaar .... de diamant, dien hij aan zijn pink draagt, is de voorhoede
van een millioen. Nou ja, hij is wel leelijk en erg vervelend, maar
dat zal mij gelegenheid geven om zonder zeeziekte naar Londen te gaan."
Nadat de Engelschman de toegangsbewijzen in zijn zak gestoken had,
liet hij zich het doel, waarvoor zij bestemd waren, nog eens verklaren
en vroeg dan naar den prijs.
"De loge kost zestig francs en u hebt er tien .... Maar het heeft geen
haast," voegde Dolorès eraan toe, toen zij zag, dat de Engelschman zijn
portefeuille voor den dag wilde halen; "ik hoop, dat u, als buurman,
mij van tijd tot tijd wel een bezoek zult brengen."
Doch Mr. Birn'n antwoordde:
"Ik niet houd van zaken op crediet;" en hij nam een billet van duizend
francs uit zijn zak, legde het op tafel en stak de toegangsbewijzen
in zijn portefeuille.
"Ik zal u teruggeven," zeide Dolorès en opende een kastje, waarin
zij haar geld bewaarde.
"O, neen," zeide de Engelschman; "dat is drinkgeld," en hij ging heen,
Dolorès, die door die woorden met stomheid geslagen was, alleen latend.
"Drinkgeld!" riep zij uit, toen zij haar spraak teruggekregen had. "Wat
een lomperd! Ik zal hem zijn geld teruggeven."
Doch deze grofheid van Mr. Birn'n had slechts de opperhuid van haar
trots gekwetst; bij nadere overweging werd zij kalmer; zij bedacht
zich, dat twintig louis d'or toch een aardig sommetje vormden, en
dat zij vroeger voor heel wat minder geld veel meer had moeten slikken.
"Ach wat," zeide zij tot zichzelf; "je moet niet zoo trotsch
zijn. Niemand heeft mij gezien en vandaag komt juist mijn
waschvrouw. En bovendien radbraakt die Engelschman onze taal zoo,
dat hij misschien wel gedacht heeft mij een complimentje te maken."
En vroolijk deed Dolorès haar twintig louis achter slot en
grendel. Doch na de voorstelling kwam zij woedend thuis. Mr. Birn'n had
de toegangsbewijzen niet gebruikt en de tien loges waren leeg gebleven.
Toen zij dan ook om half een het tooneel betrad, las de ongelukkige
beneficiante op het gezicht van haar coulissen-"vriendinnen" heel
duidelijk, hoe zij zich verkneukelden, dat de zaal zoo leeg was.
Zij hoorde zelfs, hoe een vriendelijke collega, terwijl zij op de
leege loges wees, tot een andere zeide:
"Die arme Dolorès heeft een leeg huis."
"In de loges zit bijna niemand."
"En in het orkest geen kip!"
"Lieve Hemel; haar naam op het affiche werkt als een luchtpomp."
"En dan nog zoo verwaand, om de prijzen te verhoogen."
"Een mooie benefiet. Ik wed, dat de recette in een spaarpot of in
een hiel van een kous kan."
"Daar is ze met haar fameus costuum met rood fluweelen linten."
"Zij ziet er uit als een gekookte kreeft."
"Hoeveel heb jij met je laatste benefiet gemaakt?" vroeg een der
actrices aan haar vriendin. "Ik heb slechts zes francs overgehouden;
de rest heeft mijn modiste genomen. Als ik niet bang was voor
winterkloven, dan zou ik naar St. Petersburg gaan."
"Wat? Nog geen dertig jaar en dan wil je al naar Rusland gaan!"
"Wat zal ik je zeggen? En is jouw benefiet gauw?"
"Over veertien dagen. Ik heb al voor duizend daalders verkocht,
ongerekend de cadetten."
"Kijk eens, de stalles loopen leeg."
"Omdat Dolorès zingt."
Inderdaad bracht Dolorès, even rood als haar kostuum, haar niet aan te
hooren coupletten eruit. Toen zij met groote moeite het slot bereikt
had, werden haar twee bloemruikers toegeworpen door twee vriendinnen
(eveneens actrices), die zich over haar baignoire heen bogen en riepen:
"Bravo, Dolorès!"
Men kan zich voorstellen hoe woedend zij was. Zoodra zij op haar
kamer kwam, opende zij, hoewel het midden in den nacht was, het
raam en maakte Coco wakker, die op zijn beurt Mr. Birn'n weer wekte,
die in vol vertrouwen op het woord der actrice was gaan slapen.
Van dien dag af was de oorlog tusschen de actrice en den Engelschman
uitgebroken: een oorlog op leven en dood, een oorlog zonder
wapenstilstand of rust, waarin de beide betrokken deelnemers voor
geen kosten of moeiten terugdeinsden. De papegaai, die door Dolorès
diensovereenkomstig opgeleid werd, had een ernstige studie gemaakt van
de tale Albions en braakte nu den geheelen dag door met zijn scherpste
faussettonen vloeken tegen zijn buurman uit. Dat was inderdaad iets
onverdragelijks. Dolorès zelf leed eronder, maar zij hoopte dat
dit Mr. Birn'n binnen enkele dagen tot den aftocht zou dwingen:
dat toch was het doel, dat haar eigenliefde zich gesteld had. De
eilandbewoner van zijn kant had allerlei middelen uitgedacht om zich
te wreken. Om te beginnen had hij in zijn salon een trommel-academie
gesticht, maar de commissaris van politie had daarover zijn veto
uitgesproken. Toen had hij, met den dag vindingrijker wordend, een
schietbaan voor pistool aangelegd; dagelijks verschoten zijn bedienden
minstens vijftig schijven. Weer kwam de commissaris tusschenbeide
en maakte hem opmerkzaam op een artikel uit de politieverordening,
waarbij het gebruik van vuurwapen in bewoonde huizen strafbaar
gesteld was. Mr. Birn'n liet het vuren dus staken. Maar acht dagen
later merkte mademoiselle Dolorès dat het in haar appartementen
regende. Ten gevolge daarvan stelde de huiseigenaar een onderzoek in
bij Mr. Birn'n, dien hij aantrof juist op het oogenblik, dat hij op
het punt stond een zeebad te nemen in zijn salon. De wanden van dit
vrij groote vertrek waren n.l. in de rondte met zinken platen bekleed;
alle deuren waren toegespijkerd; en in dat geïmproviseerde bassin
had men in een honderd drachten water een vijfhonderd centenaars zout
vermengd. Het was een echte Oceaan in het klein. Niets ontbrak eraan,
zelfs de visschen niet. Door een in het bovenpaneel van de middendeur
aangebrachte opening kon men in dit zeetje afdalen en Mr. Birn'n nam
op die wijze dagelijks een bad. Na korten tijd begon men in den wijk
de werkingen van eb en vloed waar te nemen, terwijl mademoiselle
Dolorès een halven duim water in haar slaapkamer had staan.
De huisheer werd woedend en dreigde Mr. Birn'n met een proces tot
schadevergoeding voor de in zijn pand aangerichte verwoesting.
"Ik dan niet heb het recht in mijn huis mij te baden?"
"Neen, mijnheer!"
"Als ik niet heb het recht, dan goed," zeide de Engelschman vol
eerbied voor de wet van het land, waarin hij leefde. "Het is jammer,
ik amuseerde zoo mij."
En denzelfden avond nog gaf hij order zijn Oceaan te laten
leegloopen. Het was inderdaad hoog tijd: op den vloer had zich reeds
een oesterbank gevormd.
Doch daarom had Mr. Birn'n den strijd niet opgegeven; integendeel
hij zocht naar een wettig middel tot voortzetting van dezen zeldzamen
oorlog, die het onderwerp van gesprek uitmaakte van geheel Parijs, want
de tijding van dit avontuur had zich spoedig in de schouwburg-foyers
en andere openbare plaatsen verspreid. Het was dus voor Dolorès
een eere-zaak om als overwinnares uit dezen strijd, die reeds tot
verschillende weddenschappen aanleiding gegeven had, te voorschijn
te treden.
Mr. Birn'n was toen op het denkbeeld van den piano gekomen. Dat was
zoo'n kwaad denkbeeld niet: het nietswaardigste van alle instrumenten
was zonder twijfel in staat den strijd aan te binden tegen den
nietswaardigsten van alle vogels. Zoodra dat goede denkbeeld
bij hem opgekomen was, had de Engelschman zich gehaast het ten
uitvoer te brengen. Hij had een piano gehuurd en daarbij een pianist
gevraagd. Die pianist nu was, zooals men zich herinneren zal, onze
vriend Schaunard. De Engelschman wijdde hem dadelijk in alle hem
door den papegaai van zijn buurvrouw aangedane martelingen in en
stelde hem ook in kennis met alles wat hij reeds geprobeerd had om
de actrice tot overgave te dwingen.
"Maar milord," zeide Schaunard; "er bestaat toch een heel eenvoudig
middel om dat beest uit den weg te ruimen; peterselie. Alle
scheikundigen zijn het volkomen eens, dat deze soepplant Pruisisch
zuur voor die dieren is; strooi dus wat fijngehakte peterselie op uw
tapijten en laat die uit het raam boven de kooi van Coco uitkloppen:
hij zal daar even zeker aan sterven als wanneer hij te dineeren
gevraagd was bij paus Alexander VI."
"Daar ik wel aan heb gedacht," antwoordde Mr. Birn'n, "maar de dier
wordt bewaakt; de piano is zekerder."
Schaunard, die den Engelschman in den beginne niet begreep, keek hem
verwonderd aan.
"Luister eens wat ik bedacht heb. De comediante en haar dier slapen
tot 's middags twaalf uur. Volg nu goed mijn redeneering ..... Ik
van plan ben haar te storen in haar slaap. De wet van dit land mij
toestaat te maken muziek van den ochtend tot den avond. Begrijpt u,
wat ik verwacht van u?"
"Maar de actrice zal het heusch niet zoo onaangenaam vinden om mij
den geheelen dag piano te hooren spelen, en dat nog wel gratis,"
meende Schaunard. "Ik ben een eerste klas pianist en wanneer ik tering
had ....."
"Ho, ho!" viel de Engelschman hem in de rede; "ik u ook niet zeg
te maken goede muziek. U moet maar slaan op het instrument. Zoo
bijvoorbeeld ....." en Mr. Birn'n probeerde een gamma te spelen;
"en altijd hetzelfde, altijd hetzelfde, meedoogenloos, mijnheer
de muzikant, altijd weer de gamma. Ik weet wat van geneeskunde,
dat maakt krankzinnig. Zij zullen daar beneden krankzinnig worden,
daarop ik reken. Neem plaats aan het instrument, mijnheer; ik betalen
zal u goed."
"Dit nu," zeide Schaunard, die al de bijzonderheden, welke men
hierboven gelezen heeft, verteld had; "dit nu is sedert veertien
dagen mijn bezigheid: een gamma en niets dan diezelfde gamma van
's ochtends vijf uur tot 's avonds. Het behoort, strikt genomen,
niet tot de ernstige kunst; maar wat kan ik eraan doen, kinderen? De
Engelschman betaalt voor het lawaaimaken tweehonderd francs per maand;
je moet wel een beul voor je eigen lichaam zijn, om zoo'n buitenkansje
van de hand te wijzen. Ik heb het aangenomen en over een paar dagen
ga ik naar de bank om het salaris voor de eerste maand te halen."
Aan het slot van die wederkeerige vertrouwelijke mededeelingen
besloten de drie vrienden dit gelijktijdige binnenkomen van
looddeelen te gebruiken, om de gerechtvaardigde coquetterie van hun
vriendinnetjes te bevredigen en haar het voorjaarscostuum te geven,
waarnaar zij zoo vurig verlangden. Bovendien spraken zij af, dat
degene, die het eerst zijn geld krijgen zou, wachten moest tot bij
de andere dezelfde blijde gebeurtenis plaats gehad zou hebben, om op
die manier de inkoopen gemeenschappelijk te doen en de dames Mimi,
Musette en Phémie gelijktijdig het genoegen te laten smaken zich
"in een nieuwe huid te steken", zooals Schaunard het noemde.
Twee of drie dagen na deze geheime bijeenkomst opende Rodolphe de
rij, zijn osanorisch gedicht was betaald; hij woog tachtig francs
zwaarder. Nog twee dagen later had Marcel van Médicis het honorarium
voor achttien korporaalsportretten à zes francs ontvangen.
"Het is net, of ik goud zweet," zeide de dichter.
"Ik heb precies hetzelfde gevoel," antwoordde Marcel. "Als Schaunard
nog lang talmt, zal ik onmogelijk mijn rol van anonymen Croesus verder
kunnen spelen."
Maar den volgenden dag reeds zagen de bohémiens Schaunard in een
prachtig goudgeel nangkin jaquette thuiskomen.
"Goede God!" riep Phémie, die door het zien van haar zoo elegant
gebonden minnaar verblind werd; "waar heb jij die jas gevonden?"
"Tusschen mijn papieren," antwoordde de gammakunstenaar, terwijl hij
zijn vrienden een wenk gaf, om hem te volgen.
"Ik heb het," zeide hij, toen zij alleen waren; "daar heb je het
zaakje," en hij liet een handvol goudstukken zien.
"Voorwaarts, marsch dan!" riep Marcel uit; "laten we de magazijnen
gaan plunderen! Wat zal Musette in haar schik zijn!"
"En Mimi dan!" voegde Rodolphe eraan toe. "Nou vooruit, ga je mee,
Schaunard?"
"Laat ik nog even op één ding wijzen!" antwoordde de
gammakunstenaar. "Wanneer we de dames overladen met de duizend
luimen der mode, begaan we misschien een dwaasheid. Denkt eens goed
na. Zijn jullie niet bang, dat, als zij op de platen uit de Echarpe
d'Iris gelijken, al die pracht en praal een verderfelijken invloed
op haar karakter zal uitoefenen? En past het bovendien jongemannen,
zooals wij zijn, de vrouwen zoo te behandelen, alsof wij afgeleefde en
gerimpelde grijsaards waren? Ik zeg dit niet, omdat ik geen veertien of
achttien francs ervoor over heb, om Phémie een nieuw costuum te geven,
maar omdat ik bang ben, dat zij mij niet meer zal willen groeten, als
zij eenmaal een nieuwen hoed heeft. En wat is ze knap, als ze alleen
maar een bloem in haar haar heeft. Wat zeg jij ervan?" Deze vraag was
gericht tot Colline, die tijdens Schaunard's rede binnengekomen was.
"Ondank is de zoon der weldaad," zeide de wijsgeer.
"En ook mogen jullie wel eens overwegen," ging Schaunard voort, "wat
voor figuur jullie in je afgedragen pakken naast je vriendinnetjes
in haar elegante costuums zult maken. Je zult er uit zien als haar
kamermeisjes. Ik zeg dat niet voor mij," voegde Schaunard er aan toe,
terwijl hij in zijn nangkin rok een breede borst zette, "ik kan mij
nu, Goddank, overal laten zien!"
Niettegenstaande de oppositie van Schaunard werd toch besloten
den volgenden dag alle bazars in de buurt ter wille van de dames
te plunderen.
En werkelijk kwamen den volgenden ochtend op hetzelfde uur, dat wij
in het begin van dit hoofdstuk mademoiselle Mimi heel verbaasd over
de afwezigheid van Rodolphe wakker hebben zien worden, de dichter
en zijn twee vrienden met een loopjongen uit de "Twee Apen" en een
modiste, die de stalen droegen, de trap naar hun kamer op. Schaunard,
die inmiddels den beroemden jachthoorn gekocht had, liep voorop en
blies de ouverture van "De Karavaan."
Musette en Phémie, door Mimi, die in den entresol woonde, geroepen,
vlogen op het bericht, dat er hoeden en japonnen voor haar gebracht
werden, als een lawine de trap af. Bij het zien van al de armzalige
rijkdommen, die voor haar uitgestald lagen, werden de drie vrouwen
bijna dol van blijdschap. Mimi kreeg een aanval van overmoedige
vroolijkheid: zij sprong rond als een geit en zwaaide een dunne
wollen sjaal heen en weer. Musette was Marcel om den hals gevlogen
en had in iedere hand een klein groen laarsje, die zij als cymbalen
tegen elkaar sloeg. Phémie keek snikkend Schaunard aan en kon niets
anders uitbrengen dan de woorden:
"O, mijn Alexander, mijn Alexander!"
"Bij haar is het gevaar niet groot, dat ze de geschenken van Artaxerxes
weigert," mompelde de wijsgeer Colline.
Toen de eerste vreugde wat geluwd, de keuze gemaakt en de rekeningen
betaald waren, zeide Rodolphe tot de drie dames, dat zij zorgen
moesten den volgenden ochtend haar costuums af te hebben.
"We gaan naar buiten!" zeide hij.
"Dat is zoo moeilijk niet!" riep Musette uit. "Het is niet voor het
eerst, dat ik op één en denzelfden dag een japon gekocht, geknipt,
genaaid en aangetrokken heb. Wij zullen klaar zijn, niet waar dames?"
"Natuurlijk!" riepen Mimi en Phémie tegelijk uit.
Dadelijk gingen zij aan het werk en de eerstvolgende zestien uur
gaven zij schaar en naald geen oogenblik rust.
De volgende dag was de eerste Mei. De Paaschklokken hadden reeds
eenige dagen tevoren de opstanding der lente ingeluid; en van alle
kanten kwam zij nu haastig en vroolijk aan; zij kwam, zooals het in
het Duitsche volkslied heet, als de jonge bruidegom, die den Meiboom
onder het venster van zijn geliefde gaat planten. Zij schilderde den
hemel blauw, de boomen groen en al het andere in mooie kleuren. Zij
wekte de zon, die in haar nevelbed sliep, het hoofd op de van sneeuw
zwangere wolken, die haar tot kussen dienden, en riep haar toe:
"Sta op, vriendin, het is tijd! Hier ben ik! Vlug aan het werk! Trek
zonder talmen je mooi nieuw stralenkleed aan en laat je dadelijk op
je balkon zien, om mijn komst te melden!"
Op dit verzoek was de zon inderdaad op weg gegaan en wandelde nu
trotsch en stralend als een hoveling rond. De zwaluwen, die van hun
pelgrimstocht naar het Oosten teruggekeerd waren, schoten pijlsnel
door de lucht, de meidoorn sierde de struiken met de sneeuw van zijn
bloesems; het viooltje doorgeurde het gras der bosschen, waarin men
reeds de vogels met een liederenboek onder de vleugels uit hun nest
zag komen. Het was inderdaad de lente, de echte lente der dichters
en verliefden, en niet de lente van Matthieu Laensberg, [38] een
leelijke lente met een rooden neus en door koude stijve vingers,
die den arme nog doet rillen aan het hoekje van zijn haard, waarin
de laatste vonken van zijn laatste houtblok reeds lang uitgedoofd
zijn. Zoele koeltjes golfden door de heldere atmospheer en droegen
de eerste geuren der naburige velden naar de stad. De heldere, warme
zonnestralen klopten tegen de vensterruiten en zeiden tot den zieke:
"Doe open, wij zijn de gezondheid!" en tot het meisje, dat in haar
dakkamertje voor haar spiegel staat, die onschuldige eerste liefde
der onschuldigen: "Doe open, opdat wij uw schoonheid beschijnen;
wij zijn de lenteboden; nu kunt ge je linnen pakje aantrekken,
je stroohoed opzetten en je mooie schoentjes gaan dragen: zie, de
grasperken, waarop gedanst wordt, tooien zich met nieuwe bloemen,
en reeds lokken de violen ten dans. Gegroet, gij schoone!"
Toen de dichtstbijzijnde kerkklokjes het Angelus luidden, stonden onze
drie ijverige coquetten, die nauwelijks tijd hadden kunnen vinden,
om een paar uur te slapen, reeds voor haar spiegel, om een laatsten
onderzoekenden blik op haar nieuwe toiletjes te werpen.
Zij zagen er in haar gelijkkleurige costuums alle drie bekoorlijk
uit en op haar gezichtjes was duidelijk de bevrediging te lezen,
die de verwezenlijking van een lang gekoesterden wensch geeft.
Vooral Musette straalde van schoonheid.
"Ik ben nog nooit zoo in mijn schik geweest," zeide zij tot Marcel;
"het is net, alsof de goede God al het geluk, dat voor mij bestemd is,
in dit eene uur samengedrongen heeft, en ik ben bang, dat er nu voor
het vervolg niet veel meer overblijft. Maar kom, wanneer er niet meer
zijn zal, dan maken we het zelf. Wij hebben er een goed recept voor,"
voegde zij er vroolijk aan toe, terwijl ze Marcel een kus gaf.
Phémie had iets, dat haar hinderde.
"Ik houd wel van het groen en de kleine vogels," zeide zij; "maar
buiten kom je niemand tegen, zoodat niemand mijn mooien hoed en japon
zal zien. Kunnen we niet op den boulevard gaan picnicken?"
Om acht uur werd de geheele straat door de fanfares van den jachthoorn
van Schaunard, die het signaal tot vertrek gaf, in rep en roer
gebracht. De buren kwamen aan het venster, om de bohémiens voorbij
te zien gaan. Colline, die van de partij was, sloot den stoet met
de parasols der dames onder zijn arm. Een uur later was het geheele
vroolijke troepje in Fontenay-aux-Roses.
Toen zij 's avonds, aardig laat, thuiskwamen, verklaarde Colline,
die den geheelen dag de functies van schatbewaarder vervuld had, dat
zij zes francs vergeten hadden uit te geven, en legde dat overschot
op tafel.
"Wat moeten we daarmee beginnen?" vroeg Marcel.
"Hoe zou je het vinden, als we er effecten voor kochten?" was
Schaunard's antwoord.