Idem idem bij de melkvrouw . . . . 3 fr. 85 c.
Enz. enz.
Uit deze aanhalingen ziet men duidelijk hoe uitgebreid de
handelsbetrekkingen van den Jood Médicis waren, die, niettegenstaande
zijn wijze van zaken doen niet steeds door den beugel kon, nog nooit
door iemand lastig gevallen was.
Toen de Jood met zijn intelligent gezicht bij de bohémiens binnentrad,
zag hij dadelijk, dat hij op een voor hem gunstig oogenblik
kwam. Inderdaad zaten de vier vrienden in krijgsraad bijeen en
bespraken, onder voorzitterschap van een in hun maag hamerenden honger,
de hoogst belangrijke brood- en vleeschvraagstukken. Het was een Zondag
tegen het einde der maand--een rampzalige dag en een sinistere datum.
Het binnenkomen van Médicis werd derhalve met een luid Hoera begroet,
want ze wisten, dat de Jood te gierig was met zijn tijd, om dien met
beleefdheidsbezoeken te verspillen. Zijn komst was dan ook steeds
een zeker bewijs, dat er zaken te doen waren.
"Goedenavond, heeren!" zeide de Jood. "Hoe gaat het?"
"Colline!" riep Rodolphe, die languit op zijn bed lag en zwelgde in
het genot van een horizontale houding; "Colline, neem jij de honneurs
waar en geef onzen gast een stoel; een gast is heilig. Ik groet u
uit naam van Abraham!" voegde de dichter eraan toe.
Colline haalde een fauteuil, die even elastisch als staal was, schoof
dien naar den Jood toen en zeide gastvrij:
"Stel u een oogenblik voor, dat u Cinna [33] bent, en neem dezen
zetel."
Médicis liet zich in den fauteuil vallen en wilde enkele opmerkingen
omtrent de hardheid ervan maken, toen hem nog juist bijtijds te
binnen schoot, dat hij zelf dien indertijd met Colline geruild had
voor een beginselverklaring, welke hij verkocht had aan een Kamerlid,
dat de gave der improvisatie miste. Toen de jood ging zitten, lieten
zijn zakken een zilveren klank hooren, waarvan de melodie de vier
bohémiens in zoete droomerijen deed verzinken.
"Laten we nu naar het lied luisteren," fluisterde Rodolphe Marcel
in. "Het accompagnement is niet kwaad."
"Mijnheer Marcel," zeide Médicis, "ik kom uw fortuin maken. Dat
wil zeggen, ik kom u een prachtige gelegenheid aanbieden, om u in
den artistieken wereld te introduceeren. U weet, mijnheer Marcel,
de kunst is een dorre woestijnweg, waarop de roem een oase is."
"Papa Médicis," zeide Marcel, die op kolen van ongeduld zat; "in naam
der vijftig procent, uw gebenedijden schutspatroon, wees kort!"
"Ja," voegde Colline eraan toe; "even kort als koning Pepijn, die even
bondig was als u, want gij moet kort en bondig zijn, zoon van Jacob!"
"Hei, hei, hei!" riepen de bohémiens verschrikt en keken rond, of de
vloer zich niet opende, om den wijsgeer te verzwelgen.
Doch ditmaal werd Colline nog niet verzwolgen.
"De zaak is deze," ging Médicis voort. "Een rijke liefhebber, die een
galerij verzamelt, welke een tournée door Europa moet maken, heeft
mij opgedragen een reeks interessante schilderijen voor hem aan te
koopen. Ik kom u nu voorstellen u in dat museum een plaatsje in te
ruimen; in één woord: ik wil uw "Doortocht door de Roode Zee" koopen."
"A contant?" vroeg Marcel.
"A contant," antwoordde de Jood en liet het orkest in zijn broekzak
weer spelen.
"Ben je nou tevreden?" vroeg Colline.
"Natuurlijk," zeide Rodolphe woedend; "we moeten waarachtig een paar
bittere pillen koopen, om dien kerel zijn mond te stoppen. Zie je
dan niet, lummel, dat hij met daalders spreekt? Bestaat er dan niets
heiligs voor jou, vervloekte atheïst?"
Colline klom op een tafel en nam de houding van Harpokrates, den god
van het zwijgen, aan.
"Ga verder, Médicis," zeide Marcel en wees op zijn schilderij:
"Ik wil u de eer laten zelf den prijs van dit werk, dat eigenlijk
onbetaalbaar is, te bepalen."
De Jood legde vijftig nieuwe daalders op de tafel neer.
"Dat is de voorhoede," zeide Marcel; "en wat verder?"
"Mijnheer Marcel," zeide Médicis, "u weet heel goed, dat mijn eerste
woord ook altijd mijn laatste is. Ik geef geen sou meer. Denk eens
goed: 50 daalders, dat is 150 francs. Dit is een heele som, wat?"
"Maar te weinig," antwoordde de artist; "alleen aan den mantel van
Pharao zit voor meer dan vijftig daalders kobalt. Betaal tenminste
het maakloon. Maak de stapeltjes gelijk, rond de som af en ik zal u
Leo X noemen, Leo X bis."
"Ziehier mijn laatste woord," antwoordde Médicis; "ik doe er geen sou
bij, maar ik bied u alle vier een diner aan, wijn zooveel als u lust,
en bij het dessert betaal ik in goud."
"Niemand meer?" brulde Colline en sloeg driemaal met zijn vuist op
tafel. "Eenmaal, andermaal; niemand meer? ten derden male!"
"Nou goed dan!" zeide Marcel.
"Ik zal morgen de schilderij laten halen," zeide de Jood. "En nu mee,
mijne heeren, de tafel is gedekt!"
Onder het zingen van het koor uit de Hugenooten: "A table, à
table!" gingen de vier vrienden naar beneden.
Médicis onthaalde de bohémiens op zeer royale manier. Hij liet hun een
groot aantal gerechten voorzetten, die tot nog toe voor hen onbekende
grootheden geweest waren. Na dit diner was kreeft niet langer een
mythe voor Schaunard, die voor deze amphibie een hartstocht opvatte,
welke dicht aan waanzin grensde.
De vier vrienden verlieten het festijn dronken als waren zij op een
wijnoogstfeest geweest. Deze dronkenschap had bijna betreurenswaardige
gevolgen voor Marcel, die, toen hij 's morgens om twee uur voorbij
zijn kleermaker kwam, met alle geweld zijn schuldeischer wilde wekken,
om hem de honderd vijftig francs, die hij zoo pas ontvangen had,
op afrekening te geven. Een sprankje gezond verstand, dat nog in
Colline's geest over was, redde den kunstenaar nog juist op den rand
van den afgrond.
Acht dagen later zag Marcel in welke galerij zijn doek een plaatsje
gekregen had. Toen hij door den faubourg Saint Honoré liep, stootte hij
op een troepje menschen, dat blijkbaar met alle aandacht toekeek hoe er
aan een winkel een uithangbord werd aangebracht. Dit uithangbord was
niets meer of minder dan de schilderij van Marcel, die door Médicis
aan een delicatessenhandelaar verkocht was. Alleen had de "Doortocht
door de Roode Zee" nog een nieuwe verandering ondergaan en weer een
anderen naam gekregen. Er was nog een stoomschip bij geschilderd en
het doek heette nu: "In de haven van Marseille." Toen het doek onthuld
werd, liet de nieuwsgierige menigte een gemompel van goedkeuring en
bewondering hooren.
Verrukt over dezen triomf, keerde Marcel zich om en zeide tot zichzelf:
"De stem van het volk is de stem van God!"