We hebben reeds verteld op welke wijze de schilder Marcel mademoiselle
Musette had leeren kennen. Op een goeden dag door den priester van
de luim, die tevens maire van het dertiende arrondissement [31] is,
met elkaar verbonden, hadden zij, zooals dat dikwijls het geval is,
gemeend, met uitsluiting van hun hart getrouwd te zijn. Maar op een
avond, toen zij na een heftigen twist besloten hadden onmiddellijk van
elkaar weg te gaan, kwamen zij tot de ontdekking, dat hun handen,
die zij elkaar ten afscheid gereikt hadden, elkander niet meer
loslaten wilden. Bijna zonder het zelf te weten was hun luim liefde
geworden. Half lachend bekenden zij elkaar hun liefde.
"Dat is een heel ernstige zaak," zeide Marcel. "Hoe zijn we zoover
gekomen?"
"O," antwoordde Musette, "we zijn onoplettend geweest, we hebben niet
genoeg voorzorgsmaatregelen genomen."
"Wat is er aan het handje?" vroeg Rodolphe, die naast Marcel was
komen wonen, toen hij de kamer binnenkwam.
"Wel," antwoordde de schilder en wees daarbij op Musette, "mademoiselle
en ik zijn daar zooeven tot een prachtige ontdekking gekomen. Wij
zijn verliefd op elkaar. Dat is zeker in den slaap gekomen."
"Oho, in den slaap, neen, dat geloof ik zoo gauw niet. Maar waar
is het bewijs, dat jullie van elkaar houdt? Je overdrijft misschien
het gevaar."
"Voor den duivel!" riep Marcel uit, "we kunnen elkaar niet uitstaan."
"En kunnen niet buiten elkaar," voegde Musette eraan toe.
"Dan is de zaak zoo duidelijk mogelijk, kinderen. Jullie hebt allebei
heel mooi willen spelen en je hebt allebei verloren. Het is precies
mijn geschiedenis met Mimi. Bijna twee jaar lang hebben we nu al van
's morgens vroeg tot 's avonds laat ruzie. Met dat systeem laat je de
huwlijken eeuwig duren. Vereenigt een Ja met een Neen en je krijgt
een verbintenis à la Philemon en Baucis. Jullie huishouden zal een
pendant van het mijne worden; en wanneer Schaunard en Phémie bij hun
dreigement blijven en bij ons komen wonen, dan kan ons trio het hier
in huis erg gezellig maken."
Op dat oogenblik kwam Gustave Colline binnen. Ze vertelden hem het
ongeluk, dat Musette en Marcel overkomen was.
"Nou, philosoof," vroeg deze, "wat denk jij ervan?"
Colline krabbelde op de haren van zijn hoed, die hem als dak diende,
en bromde:
"Dat heb ik van te voren wel zien aankomen. De liefde is een
hazardspel. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Het is
niet goed, dat de mensch alleen zij."
Toen Rodolphe 's avonds bij Mimi kwam, waren zijn eerste woorden:
"Ik heb nieuws. Musette is dol op Marcel en wil niet van hem vandaan."
"Arme meid!" zeide Mimi. "Zij had zoo'n gezonde eetlust."
"En van zijn kant is Marcel smoor op Musette. Zijn liefde is
zes-en-dertig karaat, zooals die intrigant van een Colline zou zeggen."
"Arme jongen," vond Mimi; "hij is zoo jaloersch!"
"Dat is zoo," zeide Rodolphe; "hij en ik zijn leerlingen van Othello."
Eenigen tijd later kwamen werkelijk Schaunard en Phémie Klad in
hetzelfde huis als Rodolphe en Marcel wonen.
Van af dien dag sliepen alle andere bewoners op een vulkaan en zegden
na afloop van het kwartaal gezamenlijk de huur op.
Inderdaad ging er bijna geen dag voorbij of er barstte in één van
de huishoudens een onweer los. Nu eens waren het Mimi en Rodolphe,
die, wanneer hun de krachten om te schreeuwen begonnen te ontbreken,
elkaar hun meening duidelijk maakten door elkander de eerste de beste
projectielen, die ze in handen kregen, naar het hoofd te slingeren. Dan
weer, en dat gebeurde het meest, maakte Schaunard met het einde van
zijn wandelstok eenige aanmerkingen op de melancholieke Phémie. Marcel
en Musette echter hielden hun beraadslagingen met gesloten deuren;
zij waren tenminste zoo voorzichtig de deuren en ramen dicht te doen.
Wanneer er toevallig eens vrede heerschte in de drie huishoudens, dan
waren de andere huurders wederom het slachtoffer van die tijdelijke
eensgezindheid. De indiscretie der tusschenmuren verried hun al de
geheimen der bohème-families en wijdde hen tegen hun wil in al hun
mysteriën in. Meer dan een buurman verkoos dan ook den casus belli
boven de ratificatiën der vredes-verdragen.
Het bestaan, dat onze vrienden gedurende zes maanden leidden, was,
eerlijk gezegd, al heel buitengewoon. De meest oprechte broederschap
heerschte, zonder eenige mooidoenerij, in den vriendenkring, waarin
alles aan allen behoorde, en, al naar het viel, geluk of ongeluk
trouw gedeeld werd.
Er waren in iedere maand enkele gala-dagen, dagen, waarop ze voor geen
geld van de wereld zich zonder handschoenen op straat vertoond zouden
hebben, dagen van uitgelatenheid, waarop ze van 's morgens vroeg tot
's avonds laat aten. Er waren echter ook andere dagen, waarop ze
bijna zonder schoenen naar beneden gegaan zouden zijn, vastendagen,
waarop ze, na niet gemeenschappelijk ontbeten te hebben, ook niet
samen dineerden of hoogstens ertoe kwamen met behulp van oeconomische
combinaties een van die maaltijden te ensceneeren, waarbij borden en
lepels en vorken "geen rol speelden", zooals Mimi dat noemde.
Doch wonderlijk genoeg ontstond er in dien kring, waartoe toch drie
jonge, knappe vrouwen behoorden, tusschen de mannen niet de geringste
oneenigheid; zij knielden dikwijls neer voor de minste luim van hun
maîtresse, maar geen van drieën zou ook maar één oogenblik geaarzeld
hebben tusschen de vrouw en den vriend.
Liefde ontstaat vooral uit eigen beweging: zij is als het ware een
improvisatie. Vriendschap daarentegen bouwt zich om zoo te zeggen op;
zij is een gevoel, dat met omzichtigheid en bedachtzaamheid rondtast;
zij is het egoïsme van den geest, terwijl de liefde het egoïsme der
ziel is.
Zes jaar lang kenden onze bohémiens elkaar nu al. Dit lange
tijdsverloop, waarin zij dagelijks in elkaars gezelschap verkeerden,
had, zonder de scherp omlijnde individualiteit van ieder afzonderlijk
afbreuk te doen, een overeenstemming van ideeën, een geheel geschapen,
dat zij elders niet gevonden zouden hebben. Zij hadden hun eigen zeden
en gewoonten en een bijzondere taal, waarvan een vreemde den sleutel
niet gevonden zou hebben. Wie hen niet van dichtbij kende, noemde hun
vrije manier van optreden cynisme. En toch was het niets anders dan
zich geven zooals zij waren. Als uitgesproken vijanden van iederen
dwang, haatten zij alles wat onwaar, verachtten zij alles wat laag
en gemeen was. Wanneer men hen van zelfoverschatting beschuldigde,
antwoordden zij met een openhartige uiteenzetting van hun eerzucht,
en in het bewustzijn van hun eigen waarde misbruikten zij hun eigen
Ik niet.
Hoewel zij gedurende de vele jaren van hun gemeenschappelijk leven
en streven dikwijls door den nood gedwongen werden met elkaar te
wedijveren, hadden zij nooit den vriendschapsband verbroken en,
zonder er bepaald moeite voor behoeven te doen, den gevaarlijken
klip van eigenliefde en ijdelheid weten te omzeilen, telkens wanneer
anderen die in hen hadden trachten op te wekken, om oneenigheid
tusschen hen te zaaien. Zij schatten elkaar op hun juiste waarde;
en de trots, het beste tegengif tegen de ijverzucht, bewaarde hen
voor alle kleinzielige beroepsjaloezie.
Doch na zes maanden gemeenschappelijk samenleven brak er plotseling
onder de bohémiens een echtscheidings-epidemie uit.
Schaunard opende de rij. Op een goeden dag merkte hij, dat de eene
knie van Phémie Klad beter gebouwd was dan de andere, en daar hij
op het gebied der plastiek het strengste purisme huldigde, zond hij
Phémie weg en gaf haar als souvenir den wandelstok, waarmede hij haar
zoo dikwijls opmerkingen gemaakt had. Hij zelf ging inwonen bij een
bloedverwant, bij wien hij gratis onderdak kreeg.
Veertien dagen later verliet Mimi Rodolphe, om plaats te nemen in
de equipage van den jongen vicomte Paul, den vroegeren leerling van
Barbemuche, die haar geelzijden japonnen beloofd had.
Na Mimi verdween Musette, om op opzienbarende wijze terug te keeren
in de aristocratie der galante wereld, die zij verlaten had, om Marcel
te volgen.
Deze scheiding geschiedde zonder twist, zonder strijd, zonder
voorbedachten rade. Geboren uit een luim, die liefde geworden was,
werd deze liaison door een andere luim weer verbroken.
Op een carnavalsavond had Musette op het gemaskerde bal in de Opera,
waarheen zij met Marcel gegaan was, in een contredans als vis-à-vis
een jongen man, die haar vroeger het hof gemaakt had. Zij herkenden
elkaar en wisselden onder het dansen enkele woorden. Misschien
zonder het te willen liet Musette, toen zij den jongen man van haar
tegenwoordige levenswijze op de hoogte bracht, eenige spijt over het
verleden doorschemeren. Doch hoe dit zij, aan het einde der quadrille
vergiste Musette zich en nam, in plaats van Marcel, die haar cavalier
was, de hand te geven, die van haar vis-à-vis, welke haar meetrok en
met haar in het gewoel verdween.
Marcel, die vrij ongerust was, zocht haar. Na een uur zag hij haar aan
den arm van den jongen man en een van haar lievelingsliedjes zingend,
uit het café van de Opera komen. Toen zij Marcel, die met zijn armen
over elkaar in een hoek stond, zag, wierp zij hem een afscheidsgroet
toe en zeide:
"Ik kom terug."
"Dat wil zeggen: wacht niet op mij!" vertaalde Marcel. Hij was
jaloersch, maar logisch en kende Musette; hij wachtte dan ook niet
langer, doch keerde met een vol hart en een leege maag naar huis
terug. Hij keek in de kast, of er niet een paar kliekjes over waren:
hij vond een stuk brood, zoo hard als graniet, en het skelet van een
haring in het zuur.
"Tegen truffels kon ik niet op," dacht hij. "Enfin, Musette zal
tenminste goed gesoupeerd hebben." En nadat hij, onder voorwendsel
zijn neus te moeten snuiten, een punt van zijn zakdoek tegen zijn
oogen gedrukt had, ging hij naar bed.
Twee dagen later werd Musette in een in rose tinten gehouden boudoir
wakker. Voor de deur wachtte een blauwe equipage, en alle feeën der
mode, die tot haar dienst gerequireerd waren, legden haar wonderwerken
aan haar voeten. Musette zag er uit om te stelen, en haar jeugd scheen
in dezen eleganten lijst nog jonger te worden. Zij begon nu haar oude
leven weer, nam deel aan alle feesten en heroverde weer spoedig haar
vroegere beroemdheid. Overal werd over haar gesproken: op de beurs
zoowel als in de koffiekamer van het Parlement. Haar nieuwe minnaar,
mijnheer Alexis, was een charmante jonge man. Dikwijls beklaagde hij
zich tegenover Musette, dat hij haar wat lichtzinnig en onverschillig
vond, wanneer hij over zijn liefde met haar sprak; dan keek Musette
hem glimlachend aan, gaf hem haar hand en zeide:
"Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? Ik heb zes maanden lang geleefd
met een jongen man, die me voedde met salade en waterachtige soep,
me in het katoen gekleed liet gaan en me veel meenam naar het Odéon,
omdat hij niet rijk was. Daar de liefde niets kost en ik gewoonweg
gek op dat monster was, hebben we heel wat liefde verbruikt. Er zijn
alleen nog maar wat kruimels over. Raap die op, ik zal je dat niet
beletten. Ik heb je trouwens van te voren alles opgebiecht; en als
de linten en strikjes niet zoo duur waren, zou ik nu nog bij mijn
schilder zijn. En wat mijn hart betreft, ik hoor het, sedert ik een
corset van tachtig francs draag, bijna niet meer kloppen, en ik ben
erg bang, dat ik het in een van de laden van Marcel heb laten liggen."
Het verdwijnen der drie Bohème-huishoudens gaf aanleiding tot een groot
feest in het huis, dat zij bewoond hadden. Als vreugdebetoon gaf de
eigenaar een grootsch diner en illumineerden de huurders hun ramen.
Rodolphe en Marcel waren samen gaan wonen. Beiden hadden zij een
idool gevormd, waarvan zij den naam niet goed wisten. Tusschenbeide
gebeurde het, dat de een over Musette en de ander over Mimi sprak;
dan hadden zij stof genoeg voor den geheelen avond. Zij haalden
hun vroeger leven weer op en de liederen van Musette en de liederen
van Mimi, en de slapelooze nachten en de verslapen ochtenduren en
de in droomen genoten diners. Een voor een lieten zij in hun duo's
van herinneringen al die vervlogen uren aan hun geest voorbijgaan;
en zij eindigden gewoonlijk hun tweegesprek met te zeggen, dat zij
per slot van rekening nog gelukkig waren, daar zij gezellig samen met
hun voeten op het haardkleedje zaten, het houtvuur konden oppoken
en hun pijp rooken en zij elkander hadden, om al die dingen hardop
te zeggen, welke zij tot zichzelf zeiden, als zij alleen waren:
n.l. dat zij van die schepseltjes, die bij haar verdwijning een stuk
van hun jeugd hadden medegenomen, veel gehouden hadden en dat zij ze
misschien nog lief hadden.
Toen op een goeden avond Marcel den boulevard overstak, zag hij op
enkele passen voor zich een jonge dame, die bij het uit haar rijtuig
stappen een witten kous liet zien, welke een buitengewoon zuiveren
vorm van het been verried; de koetsier zelf verslond de bekoorlijke
"fooi" met zijn oogen.
"Bliksems," dacht Marcel, "een alleraardigste kuit! Ik heb waarachtig
zin haar mijn arm aan te bieden; laat eens kijken .... op welke manier
zal ik haar het best aanspreken!.... Daar heb ik een idee.... Iets
heel nieuws!"
"Pardon, mevrouw," zeide hij, terwijl hij naar de onbekende, wier
gezicht hij niet dadelijk zien kon, toe ging; "u hebt bij toeval mijn
zakdoek niet gevonden?"
"Zeker, mijnheer," antwoordde zij; "als het u blieft."
En zij gaf Marcel een zakdoek, die zij in haar hand hield.
De schilder rolde bij die woorden in een afgrond van verbazing.
Maar een luid gelach, waarvan hij plotseling de volle laag in het
gelaat kreeg, deed hem weer tot zichzelf komen; aan die vreugdefanfare
herkende hij zijn oude liefde.
Het was mademoiselle Musette.
"Zoo, zoo!" riep zij uit; "mijnheer Marcel op jacht naar galante
avontuurtjes. Hoe vindt je dit, zeg? Vroolijk is het zeker."
"Ik vind het tamelijk," was zijn antwoord.
"Wat doe je zoo laat in dit stadsdeel?" vroeg Musette.
"Ik ga naar dit gebouw," lichtte hij haar in en wees naar een kleinen
schouwburg, waar hij vrijen toegang had.
"Uit liefde voor de kunst?"
"Neen uit liefde voor Laure."
"Wie is Laure?" vroeg Musette, wier oogen vraagteekens schoten.
Marcel ging op zijn flauwe aardigheid door.
"Dat is een chimère, die ik najaag en die binnen deze kleine muren
ingénue-rollen speelt."
En hij verfrommelde met zijn hand een imaginairen boezem.
"U bent vanavond wel geestig," zeide Musette.
"En u nieuwsgierig!"
"Praat toch wat zachter, iedereen hoort ons, ze zullen ons nog voor
een verliefd paar, dat ruzie heeft, aanzien."
"Het zou de eerste keer niet zijn, dat zoo iets ons overkwam!" zeide
Marcel.
Musette zag in die woorden een uitdaging en antwoordde vlug:
"En misschien de laatste keer ook niet, wel?"
De vraag was duidelijk, zij klonk Marcel als het fluiten van een
kogel in het oor.
"Gij schitterende hemellichten," riep hij, opkijkend naar de sterren;
"gij zijt getuigen, dat ik niet het eerste schot gelost heb. Vlug
mijn pantser."
Van dat oogenblik af was het vuur geopend.
Het eenige noodige was nu nog maar, om een verbindingsstreepje te
vinden, ten einde deze twee grillen, welke plotseling weer met zulk
een gloed ontwaakt waren, samen te brengen.
Al verder loopend keek Musette Marcel en Marcel Musette aan. Zij
spraken niet, maar hun oogen, die plenipotentiarissen van het hart,
ontmoetten elkaar dikwijls. Na een diplomatieke conferentie van een
kwartier had dit congres van blikken deze aangelegenheid in alle
stilte geregeld. Alleen de ratificatie moest nog plaats hebben.
Het afgebroken gesprek werd weer voortgezet.
"Zeg nou eens eerlijk," vroeg Musette, "waar wou je daarnet heen?"
"Ik heb het je al gezegd: naar Laure."
"Is zij knap?"
"Haar mond is een nestje van glimlachjes!"
"Dat ken ik al," zeide Musette.
"Maar jij?" vroeg Marcel, "waar kwam jij vandaan op de vleugelen van
dat rijtuig?"
"Ik heb Alexis, die zijn familie gaat bezoeken, naar het station
gebracht."
"Wat is die Alexis voor een man?"
Op haar beurt ontwierp Musette van haar tegenwoordigen minnaar een
bekoorlijk beeld. Al verder wandelend bleven Marcel en Musette midden
op den boulevard de comedie: "De terugkeer der liefde" spelen. Met
dezelfde, nu eens liefkoozende, dan weer spottend plagende naïeveteit
herhaalden zij strophe voor strophe die onsterfelijke ode, waarin
Horatius en Lydia met zooveel gratie en bekoorlijkheid de heerlijkheid
van hun nieuwe liefde bezingen en ten slotte aan hun oude liefde een
postscriptum toevoegen.
Toen zij bij den hoek van een straat kwamen, marcheerde plotseling
een vrij sterke patrouille voorbij.
Musette "organiseerde" vlug een angstige houding, klampte zich vast
aan Marcel's arm en zeide:
"Lieve Hemel, kijk eens, daar komen de schutters, zeker een
revolutie. Laten we maken, dat we wegkomen; ik ben zoo bang: breng
me weg!"
"Maar waarheen?" vroeg Marcel.
"Naar mijn huis," zeide Musette; "je zult eens zien hoe aardig het
er is. Ik geef een souper: we zullen over politiek praten."
"Neen," antwoordde Marcel, die steeds aan Alexis dacht; "ik ga
niettegenstaande je uitnoodiging voor een souper niet met je mee. Ik
drink niet graag wijn uit een andermans glazen."
Musette wist op die weigering geen antwoord te geven. Plotseling zag
zij door de mist van haar herinneringen weer het armoedige kamertje van
den armen schilder--want Marcel was geen millionair geworden--en zij
kwam op een ander denkbeeld. Een tweede patrouille, die kwam aanrukken,
was voor haar een welkome gelegenheid om opnieuw een aanval van angst
te krijgen.
"Ze zullen gaan vechten!" riep zij uit; "ik durf niet naar huis
terug. Lieve Marcel, breng mij naar een vriendin van me, die dicht
bij jou wonen moet!"
Toen zij den Pont Neuf overgingen, barstte Musette in een schaterlach
uit.
"Wat heb je?" vroeg Marcel.
"Niets," antwoordde Musette; "ik bedenk me daar op eens, dat mijn
vriendin verhuisd is. Zij woont tegenwoordig in Batignolles!"
Toen Rodolphe Marcel en Musette arm in arm binnen zag komen, was hij
heelemaal niet verbaasd.
"Als de liefde niet goed begraven is," zeide hij, "is dat altijd het
slot van het lied!"