Carolus Barbemuche had het den avond, waarop hij een door de bohémiens
gebruikt souper uit zijn particuliere kas betaald had, zoo weten aan te
leggen, dat Gustave Colline met hem het café verliet, om naar huis te
gaan. Van af het oogenblik n.l., dat hij de bijeenkomsten van de vier
vrienden in het etablissement, waar hij hen uit een pijnlijken toestand
verloste, bijwoonde, had Colline zijn bijzondere aandacht getrokken
en voelde hij zich aangetrokken tot dien Sokrates, wiens Plato hij
later worden zou. Daarom had hij al dadelijk Colline uitverkoren, om
zich in den vriendenkring te introduceeren. Onderweg stelde Barbemuche
Colline voor even in een café, dat nog open was, binnen te loopen, om
nog wat te gebruiken. Niet alleen sloeg Colline die uitnoodiging af,
maar hij verhaastte nog zijn tred, toen hij genoemd café voorbijging,
en drukte zijn hyperphysischen vilten hoed diep in zijn oogen.
"Waarom wilt u daar niet binnengaan?" vroeg Barbemuche, die met
fijngevoelde beleefdheid aandrong.
"Daar heb ik mijn redenen voor," antwoordde Colline. "De buffetjuffrouw
in dat etablissement houdt zich veel met de exacte wetenschappen
bezig, en wanneer wij er binnen gingen, zou het onvermijdelijk op een
langdurig debat uitloopen, wat ik tracht te vermijden door noch op
den middag, noch op andere uren, dat de zon schijnt, door deze straat
te gaan. Dat is trouwens heel natuurlijk", voegde hij eraan toe;
"ik heb met Marcel in dezen wijk gewoond."
"Toch zou ik graag onder het genot van een glas punch nog een
oogenblikje met u praten. Weet u hier in de buurt niet een of
ander lokaal, waar u zoudt kunnen gaan zonder bezwaren .... van
natuur-philosophischen aard weerhouden te worden?" vroeg Barbemuche,
die het noodig oordeelde buitengewoon geestig te zijn.
Colline dacht een oogenblik na.
"O, ja, dat is waar, hier is een lokaal, waar ik beter verschijnen
kan."
En hij wees op den winkel van een wijnhandelaar.
Barbemuche zette een leelijk gezicht en scheen te aarzelen.
"Is het een fatsoenlijke inrichting?" vroeg hij.
Zijn koude, gereserveerde houding, zijn weinige spraakzaamheid,
zijn discreet glimlachje en vooral zijn horloge en zijn ketting met
breloques hadden Colline op het denkbeeld gebracht, dat Barbemuche
tot het een of ander gezantschap behoorde en bang was om zich te
compromitteeren, wanneer hij in zoo'n kroeg kwam.
"Er is geen kans, dat wij gezien worden," zeide hij; "op dit uur ligt
het geheele corps diplomatique al onder de wol."
Eindelijk besloot Barbemuche toch maar om naar binnen te gaan;
maar met den geheimen wensch een kartonnen neus te hebben. Voor alle
zekerheid vroeg hij een afzonderlijke kamer en hing een servet voor
de ruiten van de glazen deur. Na deze voorzorgsmaatregelen scheen
hij minder ongerust en bestelde een bowl punch. Door de warme drank
wat opgewonden, werd Barbemuche iets spraakzamer; en na enkele
bijzonderheden over zichzelf medegedeeld te hebben, waagde hij het
de hoop uit te spreken, dat hij officieel in den bond der bohémiens
zou worden opgenomen, en verzocht hij Colline's medewerking om hem
te helpen dit eerzuchtige plan te verwezenlijken.
Colline antwoordde, dat hij voor zijn persoon zich gaarne ter
beschikking van Barbemuche stelde, doch dat hij hem natuurlijk niets
zeker beloven kon.
"U kunt op mijn stem rekenen," zeide hij, "maar ik kan natuurlijk
niet op mij nemen over die van mijn vrienden te beschikken."
"Maar om welke redenen zouden zij weigeren mij in hun kring op
te nemen?"
Colline zette het glas, dat hij juist naar zijn mond wilde brengen,
weer op tafel en vroeg met een zeer ernstig gelaat aan den vermetelen
Carolus:
"Cultiveert u de schoone kunsten?"
"Ik bebouw op bescheiden wijze deze edele velden der intelligentie,"
antwoordde Carolus, die de vlag van zijn kunst meende te moeten toonen.
Colline vond de phrase mooi gestyleerd en vroeg met een buiging:
"Doet u aan muziek?"
"Ik heb op den contrabas gespeeld."
"Dat is een philosophisch instrument; die geeft zulke ernstige
tonen. Welnu, daar gij dus verstand hebt van muziek, begrijpt u heel
goed, dat men niet, zonder de wetten der harmonie te verstoren, een
vijfden speler aan een quartet kan toevoegen; anders zou het geen
quartet meer zijn."
"Dat is zoo, dan wordt het een quintet," antwoordde Carolus.
"U zegt?" vroeg Colline.
"Een quintet."
"Precies--juist op dezelfde wijze, alsof je aan de Drieëenheid, dien
goddelijken driehoek, een vierden persoon toevoegde; het zou dan een
vierhoek vormen, maar de godsdienst zou zijn basis verloren hebben."
"Neem me niet kwalijk," zeide Carolus; wiens verstand te midden
van al die doornstruiken van Colline's logica begon te struikelen,
"maar ik zie niet in ...."
"Let eens goed op," ging Colline voort; "hebt u verstand van
astronomie?"
"Een beetje .... ik ben bachelier." [26]
"Daar bestaat nog een liedje over," zeide Colline: "Bachelier
de Lisette .... Het wijsje herinner ik me niet meer .... Dus dan
weet u natuurlijk, dat er vier hoofdwinden bestaan. Welnu, als er
nu plotseling een hoofdwind bijkwam, dan zou de heele harmonie der
natuur verstoord worden. Dat noemt men een cataclysme. Begrijpt u me?"
"Ik wacht op de slotsom."
"Inderdaad de slotsom is het slot van een rede, evenals de dood het
einde van het leven en het huwelijk het einde van de liefde is. Welnu,
mijn waarde heer, mijn vrienden en ik zijn gewoon met elkaar te leven
en wij zijn bang door de opneming van een vijfde in onzen kring, de
harmonie, die in ons concert van zeden, meeningen, smaak en karakter
heerscht, te verstoren. Wij moeten eenmaal de vier hoofdwindstreken
der moderne kunst worden; ik zeg u dit zonder er doekjes om te winden;
en daar wij nu eenmaal met dat denkbeeld vertrouwd zijn, zou het ons
onaangenaam stemmen nog een vijfde hoofdwindstreek te zien."
"Maar wanneer je met je vieren bent, kan je toch even goed met je
vijfjes zijn," waagde Carolus op te merken.
"Ja, zeer zeker, maar dan ben je niet meer met je vieren."
"Dat is een nietswaardige uitvlucht."
"Er is niets nietswaardigs in deze wereld, alles is in alles, kleine
beken maken groote rivieren, kleine lettergrepen maken alexandrijnen
en bergen zijn uit zandkorrels opgebouwd; dat las ik dezer dagen in de
Sagesse des nations; u kunt een exemplaar daarvan op den quai vinden."
"U denkt dus, dat de heeren bezwaar zullen hebben mij in hun intiemen
kring op te nemen?"
"Ik ben er wel eenigszins bang voor. Maar vertel me eens, waarde heer,
welke vore beploegt u het liefst in de edele velden der intelligentie?"
"De groote wijsgeeren en de goede klassieke schrijvers zijn mijn
voorbeelden, ik voed mij met hun studie. Télémaque heeft mij het
eerst den hartstocht, die mij verteert, ingeboezemd."
"Télémaque vind je bij hoopjes op de boekenstalletjes," zeide
Colline. "Onlangs heb ik er nog een voor vijf sous gekocht, omdat
het een koopje was. Maar ik wil het u, om u een pleizier te doen,
graag afstaan. Overigens een goed en voor den toenmaligen tijd heel
aardig samengesteld werk."
"Ja, mijnheer," ging Carolus voort, "de hooge philosophie en de
gezonde litteratuur, daarheen gaat mijn streven; mijns inziens is de
kunst een priesterschap."
"Zeker, zeker ...." zeide Colline; "daar bestaat nog een liedje op."
En hij begon te zingen:
"Oui, l'art est un sacerdoce
Et sachons nous en servir.
Ik geloof dat het uit Robert le Diable is," voegde hij eraan toe.
"Ik zeide dus," ging Barbemuche voort, "dat de kunst een heilig beroep
is en dat de schrijvers dus onophoudelijk ...."
"Pardon, mijnheer," viel Colline, die een laat uur had hooren slaan,
hem in de rede; "het zal zoo dadelijk ochtend zijn en ik ben erg bang,
dat ik door nog langer uit te blijven iemand, die mij dierbaar is,
ongerust zal maken; trouwens," mompelde hij nog in zichzelf, "ik had
haar beloofd vroeg thuis te komen; het is vandaag haar ontvangdag!"
"Inderdaad het is tamelijk laat!" zeide Carolus. "Laten we naar
huis gaan."
"Woont u ver hiervandaan?"
"Rue Royale-Saint-Honoré, 10."
Colline was bij een vroegere gelegenheid eens in dit huis geweest en
herinnerde zich, dat het een prachtig heerenhuis was.
"Ik zal morgen met de heeren over u spreken," zeide hij bij het
afscheid nemen tot Carolus, "en ik beloof u, dat ik al mijn invloed
zal aanwenden, om ze gunstig voor u te stemmen .... A propos, mag ik
u nog een raad geven?"
"Gaarne".
"Wees aardig en galant tegenover de dames. Mimi, Musette en Phémie
hebben een niet geringen invloed op mijn vrienden, en wanneer u het
zoo weet aan te leggen, dat zij onder den druk van hun maîtressen
komen, dan zult gij veel makkelijker bereiken, wat gij van Marcel,
Schaunard en Rodolphe gedaan wilt krijgen."
"Ik zal er mijn best voor doen."
Den volgenden dag viel Colline als een bom te midden van het gezelschap
der bohémiens: het was op het ontbijtuurtje, en ditmaal was werkelijk
het ontbijt met het uur gekomen. De drie paren zaten aan tafel en
deden zich te goed aan een orgie van artisjokken in pepersaus.
"Alle donders!" zeide Colline; "het gaat hier royal toe, dat zal
niet lang zoo kunnen duren. Ik kom," ging hij voort, "als gezant
van den edelmoedigen sterveling, dien wij gisteravond in het café
ontmoet hebben."
"Zou hij nu het geld al komen terugvragen, dat hij ons voorgeschoten
heeft?" vroeg Marcel.
"He," zeide mademoiselle Mimi, "dat zou ik nooit van hem gedacht
hebben, hij ziet er zoo fatsoenlijk uit."
"Daar is geen sprake van," antwoordde Colline; "de jonge man zou gaarne
in onzen kring worden opgenomen; hij wil aandeelen in onze maatschappij
nemen en, zooals van zelf spreekt, ook de voordeelen daarvan genieten."
De drie bohémiens keken elkaar aan.
"Het voorstel is ingediend," eindigde Colline; "de discussies erover
kunnen geopend worden."
"Welke maatschappelijke positie bekleedt je beschermeling?" vroeg
Rodolphe.
"Hij is geen beschermeling van me," antwoordde Colline; "toen we
gisteren avond uiteen gingen, hebben jullie me gevraagd hem te volgen,
en hij, van zijn kant, noodigde me uit om met hem mede te gaan, dat
viel dus prachtig samen. Ik heb hem dus gevolgd; en hij heeft mij
een gedeelte van den nacht met allerlei attenties en fijne likeuren
overstelpt, maar desniettemin heb ik mijn onafhankelijkheid bewaard."
"Bravo!" zeide Schaunard.
"Geef ons een schets van eenige van zijn hoofdkaraktertrekken,"
vroeg Marcel.
"Zielegrootheid, strenge zeden, bang om een wijnkroegje binnen te
gaan, eind-examen gymnasium, de oprechtheid in eigen persoon, speelt
op den contrabas, een natuur, die tusschenbeide vijf francs wisselt."
"Bravo!" zeide Schaunard.
"Wat verwacht hij van ons?"
"Zooals ik reeds zeide, kent zijn eerzucht geen grenzen; zijn ideaal
is ons te tutoyeeren."
"Met andere woorden, hij wil ons exploiteeren, hij wil in onze karossen
gezien worden."
"En wat is zijn beroep?" was Marcels vraag.
"Zijn kunstrichting? Zijn beroep? Litteratuur en philosophie door
elkaar."
"Waaruit bestaat zijn philosophische kennis?"
"Hij beoefent een kleinsteedsche wijsbegeerte. Hij noemt de kunst
een priesterschap."
"Een priesterschap!" riep Rodolphe verschrikt uit.
"Hij zegt het."
"En tot welke litteratuurrichting behoort hij?"
"Hij leest druk in Télémaque."
"Bravo!" riep Schaunard, die op de wortels der artisjokken zat te
knabbelen.
"Wat, bravo, stommeling?" viel Marcel hem in de rede. "Zeg zoo iets
als het je blieft niet, wanneer er andere menschen bij zijn."
Schaunard gaf, in zijn woede over die terechtwijzing, Phémie, die
hij op een aanval op zijn saus betrapte, bovendien nog onder de tafel
door een trap.
"Nog een vraag," zeide Rodolphe; "wat is zijn positie in deze
wereld? Waarvan leeft hij? Hoe heet hij? Waar woont hij?"
"Zijn positie is zeer eervol; hij is leeraar in alle mogelijke
vakken bij een rijke familie. Hij heet Carolus Barbemuche, verteert
zijn inkomsten op zeer voorname wijze en woont in de rue Royale in
een hôtel."
"Een hôtel garni?"
"Neen, er zijn echte meubelen in."
"Ik vraag het woord," zeide Marcel. "Het is duidelijk, dat Colline
omgekocht is; hij heeft voor een som van kleine glaasjes likeur zijn
stem verkocht. Val mij niet in de rede," zeide Marcel, die den wijsgeer
zag opstaan, om te protesteeren; "je kunt straks antwoorden. Colline,
die veile ziel, heeft u den vreemdeling onder een veel te gunstig
aspect laten zien, dan dat het het beeld der waarheid kan zijn. Ik heb
reeds gezegd, dat ik de bedoelingen van dezen vreemdeling doorzie. Hij
wil op ons speculeeren. Hij denkt bij zichzelf: Kijk eens eventjes, dat
zijn jongens, die carrière zullen maken; ik moet zien, dat ik me in hun
zak verberg, dan kom ik tegelijk met hen aan den steiger van den roem."
"Bravo," zeide Schaunard; "is er geen saus meer?"
"Neen," antwoordde Rodolphe; "de oplaag is uitverkocht."
"Anderzijds," ging Marcel voort, "streeft deze arglistige sterveling,
welke door Colline beschermd wordt, misschien slechts met misdadige
gedachten naar de eer, om in onzen kring opgenomen te worden. Wij zijn
hier niet alleen, heeren," ging de redenaar voort en wierp daarbij
een welsprekenden blik op de dames; "en de protégé van Colline is
mogelijk een trouwelooze verleider, die zich onder den mantel der
litteratuur bij ons wil indringen. Denkt goed na! Ik voor mij stem
tegen de toelating."
"Ik vraag slechts het woord voor een rectificatie," zeide
Rodolphe. "In zijn merkwaardige improvisatie heeft Marcel gezegd,
dat genoemde Carolus zich, met het doel om ons te onteeren, bij ons
wil binnendringen onder den mantel der litteratuur."
"Dat is een oratorische figuur," zeide Marcel.
"Ik keur die figuur af; zij is slecht. De litteratuur heeft geen
mantel."
"Omdat ik hier de functies van rapporteur vervul," zeide Colline
opstaande, "zal ik de conclusies van mijn rapport verdedigen. De
jalousie, welke onzen vriend Marcel verteert, heeft zijn verstand
verstoord, de groote kunstenaar is krankzinnig ...."
"Tot de orde!" brulde Marcel.
"Zoo krankzinnig, dat hij, een zoo voortreffelijke teekenaar, in
zijn rede een figuur gebruikt heeft, waarvan de onjuistheid door den
geestigen redenaar, die vòòr mij gesproken heeft, ten duidelijkste
is aangetoond."
"Colline is een idioot!" riep Marcel uit en gaf een heftigen vuistslag
op tafel, die geen kleine beroering onder de borden veroorzaakte,
"Colline heeft niet het minste begrip van gevoelszaken; op dat gebied
is hij te eenenmale onbevoegd; in plaats van een hart heeft hij een
oud, beschimmeld boek!" (Langdurig gelach van Schaunard.)
Gedurende dit tumult schudde Colline den vloed van welsprekendheid,
die hij tusschen de plooien van zijn witte das verborg. Toen de stilte
weer hersteld was, ging hij verder:
"Mijne heeren, met één enkel woord zal ik de hersenschimmige vrees,
die de vermoedens van Marcel misschien ten opzichte van Carolus in
u wakker geroepen hebben, doen verdwijnen."
"Probeer het maar eens," zeide Marcel spottend.
"Dat zal me niet moeilijker vallen dan dit", antwoordde Colline en
blies een lucifer uit, waarmede hij zijn pijp aangestoken had.
"Maar spreek dan toch," riepen Rodolphe, Schaunard en de vrouwen,
die in het debat een levendig belang stelden, in koor uit.
"Mijne heeren," zeide Colline, "hoewel ik persoonlijk en heftig
in dezen kring ben aangevallen, hoewel men mij beschuldigd heeft
den invloed, dien ik op u zou kunnen hebben, voor spiritualiën
verkocht te hebben, zal ik toch, krachtig in het bewustzijn van
mijn onschuld, niet antwoorden op de aanvallen, die gedaan zijn op
mijn rechtschapenheid, oprechtheid en moraliteit." (Beweging.) "Een
eigenschap echter wil ik echter niet, dat ook maar één oogenblik
in twijfel getrokken wordt." (De redenaar slaat zich tweemaal op
zijn buik.) "Men heeft het willen doen voorkomen, alsof ik mijn u
zoo welbekende voorzichtigheid verloren heb. Men beschuldigt mij in
uw kring een sterveling te willen binnensmokkelen, die de bedoeling
heeft een aanslag te plegen op uw liefdesgeluk. Deze veronderstelling
is een beleediging, de eerbaarheid en den goeden smaak van de dames
hier aangedaan. Carolus Barbemuche is foei leelijk," (zichtbare
tegenspraak op het gelaat van Phémie Klad. Lawaai onder de tafel,
afkomstig van Schaunard, die de compromitteerende openhartigheid van
zijn jonge vriendin met zijn voeten verbetert.)
"Maar," ging Colline voort, "wat het ellendige argument, waarvan
mijn tegenstander, door gebruik te maken van uw eersten schrik, een
wapen smeedt tegen Carolus, geheel ontzenuwt: genoemde Carolus is een
Platonisch wijsgeer." (Sensatie op de bank der heeren, tumult op de
bank der dames.)
"Platonisch, wat beteekent dat?" vroeg Phémie.
"Dat is de ziekte van mannen, die een meisje niet durven zoenen,"
antwoordde Mimi. "Ik heb een minnaar van dat soort gehad, maar na
twee uur heb ik bonjour tegen hem gezegd."
"Je reinste onzin!" vond Musette.
"Je hebt gelijk, lieveling!" zeide Marcel tot haar; "Platonisme in
liefde is hetzelfde als water in wijn. Laten we onzen wijn onversneden
drinken."
"En leve de jeugd!"
De verklaring van Colline had een voor Carolus gunstigen ommekeer
veroorzaakt. De wijsgeer wilde van die goede wending, door zijn
handige en welsprekende pleitrede te weeg gebracht, gebruik maken.
"Ik zie niet in", ging hij voort, "welke bezwaren redelijkerwijze
nog ingebracht kunnen worden tegen dezen jeugdigen sterveling, die
ons in ieder geval een dienst bewezen heeft. Wat mij nu betreft, ik,
dien men beschuldigt onbezonnen gehandeld te hebben door hem in onzen
kring te willen doen opnemen, ik beschouw die meening als een aanslag
op mijn waardigheid. Ik heb in deze zaak gehandeld met de listigheid
van een slang, en wanneer dit beleid niet door een gemotiveerd votum
erkend wordt, neem ik mijn ontslag."
"Wil je de kabinetsquaestie stellen?" vroeg Marcel.
"Ja, die stel ik," antwoordde Colline.
De drie bohémiens beraadslaagden onderling en verklaarden ten slotte
eenstemmig, dat zij den wijsgeer het karakter van groot beleid,
dat hij eischte, teruggaven. Colline liet daarop het woord aan
Marcel, die, eenigszins teruggekomen van zijn vooringenomenheid,
verklaarde, dat hij misschien voor de conclusies van den rapporteur
zou stemmen. Maar alvorens het definitieve besluit, dat Carolus in
de intimiteit van den vriendenkring zou worden toegelaten, te nemen,
liet Marcel over het volgende amendement stemmen:
"Daar het toelaten van een nieuw lid in den vriendenkring een ernstige
zaak is, en daar een vreemdeling, onbekend als hij is met de zeden,
karakters en inzichten van zijn kameraden, er elementen van tweedracht
in zou kunnen brengen, moet ieder der leden een dag met genoemden
Carolus doorbrengen en een onderzoek instellen naar zijn leven, zijn
smaak, zijn litteraire capaciteiten en zijn garde-robe. De bohémiens
zouden elkaar dan hun particuliere indrukken mededeelen, waarna
zij zouden stemmen over weigering of aanneming: verder zou Carolus,
vòòr zijn toelating, een proeftijd van een maand moeten doormaken,
dat wil zeggen, dat hij vòòr dien tijd niet het recht zou hebben
hen te tutoyeeren en hun op straat een arm te geven. Op den dag der
installatie zou het nieuw-aangenomen lid een schitterend feestmaal
moeten geven, waarvan de kosten minstens twaalf francs zouden moeten
bedragen."
Dit amendement werd met drie stemmen tegen één, die van Colline,
aangenomen; deze vond, dat men niet genoeg vertrouwen in hem had en
dat dit amendement een nieuwe aanslag op zijn beleid was.
Dienzelfden avond ging Colline met opzet zeer vroegtijdig naar het
café, om de eerste te zijn om Carolus te zien.
Hij behoefde niet lang te wachten: Carolus kwam weldra met drie
reusachtige bouquetten rozen in de hand.
"Allemachtig!" riep Colline uit; "wat wilt u met dien tuin?"
"Ik heb gedacht aan wat u me gisteren gezegd hebt: uw vrienden
zullen ongetwijfeld met hun dames komen, en daarom heb ik die bloemen
meegebracht; zij zijn heel mooi."
"Dat geloof ik graag; ze zullen u minstens vijftien sous gekost
hebben."
"Stel u voor! In de maand December. Als u nu vijftien francs zeide!"
"Lieve Hemel!" riep Carolus uit, "een trio daalders voor die eenvoudige
kinderen van Flora, wat een dwaasheid! Is u misschien familie van de
Cordillera's? Welnu, waarde heer, dat zijn vijftien francs, die wij
in den letterlijken zin des woords uit het raam zullen moeten smijten."
"Wat wilt u daarmede zeggen?"
Colline vertelde nu welke jaloersche vermoedens Marcel onder zijn
vrienden had gewekt, en bracht Carolus op de hoogte van de heftige
discussie, die plaats had gehad tusschen de bohémiens naar aanleiding
van zijn verzoek, om in den vriendenkring te worden opgenomen.
"Ik heb betoogd, dat uw bedoelingen zoo rein en zuiver en eerlijk
mogelijk waren," voegde Colline eraan toe; "maar de oppositie is niet
minder krachtig geweest. Zorg er dus voor de jaloersche vermoedens,
die men tegen u koesteren kan, niet aan te wakkeren door te galant
tegen de dames te zijn; laten wij dus, om te beginnen, die bouquetten
doen verdwijnen."
En Colline nam de rozen en verborg ze in een kast, waarin ze alles
en nog wat bewaarden.
"Maar dat is niet alles," ging hij voort; "de heeren wenschen,
alvorens op meer intiemen voet met u te komen, ieder afzonderlijk
een onderzoek in te stellen naar uw karakter, uw smaak enz."
En opdat Barbemuche zijn vrienden niet te veel aanstoot zou geven, gaf
Colline hem in ruwe trekken een moreel portret van ieder der bohémiens.
"Tracht nu met ieder afzonderlijk op goeden voet te komen, dan zullen
zij ten slotte allemaal voor uw toelating stemmen."
Carolus stemde in alles toe.
Kort daarop verschenen de drie vrienden met hun respectievelijke
"vrouwen".
Rodolphe was zeer beleefd tegenover Carolus, Schaunard erg
vertrouwelijk en familiaar, terwijl Marcel koel bleef. Carolus trachtte
vroolijk en hartelijk te zijn tegenover de mannen, doch hield zich
op een afstand van de dames.
Bij het afscheid noodigde Barbemuche Rodolphe uit den volgenden dag
met hem te dineeren met het verzoek 's middags reeds te komen.
De dichter nam de invitatie aan.
"Goed", zeide hij tot zichzelf; "ik begin dus de enquête."
Rodolphe zorgde den volgenden dag op het afgesproken uur bij Carolus te
zijn. Barbemuche woonde inderdaad in een zeer mooi heerenhuis in de rue
Royale en had daar een kamer, waarin een zeker confort heerschte. Wel
verwonderde het Rodolphe, dat, hoewel het nog klaarlichte dag was,
de luiken gesloten, de gordijnen dichtgetrokken en twee kaarsen op
een tafel aangestoken waren. Hij vroeg Barbemuche naar de bedoeling
daarvan.
"De studie," zeide deze, "is de dochter van het mysterie en der
stilte."
Ze gingen zitten en begonnen te praten. Na een uur wist Carolus met
een geduld en een oratorische handigheid, die oneindig was, een zin
te pas te brengen, die, niettegenstaande zijn bescheiden vorm, niets
meer of minder dan een sommatie aan Rodolphe was, om te luisteren naar
de voorlezing van een klein werkje, dat de vrucht van de doorwaakte
nachten van genoemden Carolus was.
Rodolphe begreep, dat hij gevangen was, en daar hij bovendien gaarne
den stijl van Barbemuche wilde leeren kennen, boog hij zeer beleefd
en verzekerde, dat het hem een waar genoegen en .....
Carolus wachtte het slot van den zin niet af, vloog naar de deur,
schoof den grendel ervoor, draaide den sleutel om, ging naar Rodolphe
terug en nam eindelijk een klein schrift, waarvan het kleine formaat
en de geringe dikte een glimlach van tevredenheid op het gelaat van
den dichter te voorschijn riepen.
"Is dat het manuscript van uw werk?" vroeg hij.
"Neen", antwoordde Carolus, "dat is de catalogus van mijn manuscripten;
ik zoek naar het nummer van het werkje, dat u mij wel wilt vergunnen
u voor te lezen .. Hier is het: Don Lopez of het Noodlot, No. 14. Dat
is op de derde plank."
Hij opende een klein kastje, waarin Rodolphe tot zijn schrik een
groote hoeveelheid handschriften zag staan, Carolus nam er een uit,
sloot de kast en ging tegenover den dichter zitten.
Rodolphe wierp een blik op een der vier cahiers, waaruit het werk
bestond, waarvan het formaat hem aan de Maliebaan deed denken.
"Enfin", zeide hij tot zichzelf, "het is niet in verzen ... maar het
heet Don Lopez!"
Carolus nam het eerste cahier en begon te lezen:
"In een kouden winternacht reden twee ruiters, dicht gewikkeld in
hun jassen op twee trage muilezels naast elkaar op een der wegen,
die de vreeselijke eenzaamheid der stille Sierra Morena ...."
"Lieve Hemel, waar ben ik!" dacht Rodolphe, die door dit begin
verschrikt was. Carolus ging verder en las aan één stuk het eerste
hoofdstuk, dat geheel in dien stijl geschreven was.
Rodolphe luisterde maar half en zon op een middel om te ontsnappen.
"Daar is wel een raam," zeide hij tot zichzelf; "maar behalve dat
het dicht is, zijn we hier op de vierde verdieping. Ha, nu begrijp
ik al die voorzorgsmaatregelen."
"Wat zegt u van mijn eerste hoofdstuk?" vroeg Carolus; "maar wat ik
u verzoeken mag, spaar mij uw kritiek niet."
Rodolphe meende zich te kunnen herinneren, dat hij stukken hoogdravende
philosophie over den zelfmoord, door genoemden Lopez, den held van
den roman, uitgesproken, gehoord had en antwoordde op goed geluk af:
"De groote figuur van don Lopez is zeer gewetensvol bestudeerd--het
doet je onwillekeurig denken aan de Profession de foi du vicaire
savoyard [27]; de beschrijving van den muilezel van don Alvar bevalt
mij uitstekend en herinnert aan een schets van Géricault [28]. Het
landschap geeft heele mooie lijnen; en wat de denkbeelden betreft,
dat is zaad van Jean Jacques Rousseau, gezaaid op den bodem van
Lesage. Echter moet ik één opmerking maken; U zet te veel komma's en
gebruikt te veel het woord: "in den vervolge"; dat is een aardige
uitdrukking, die het van tijd tot tijd wel doet en aan het geheel
kleur geeft, maar die je niet te dikwijls gebruiken moet."
Carolus nam zijn tweede cahier op en las nogmaals den titel: Don
Lopez of het noodlot.
"Ik heb indertijd ook een don Lopez gekend," zeide Rodolphe; "hij
handelde in sigaretten en chocolade uit Bayonne; hij was misschien
wel familie van den uwe.. Doch lees verder ...."
Bij het einde van het tweede hoofdstuk viel de dichter Carolus in
de rede:
"Begint u nog geen keelpijn te krijgen?" vroeg hij.
"Volstrekt niet," antwoordde Carolus; "ik zal u nu de geschiedenis
van Inésille voorlezen."
"Ik ben er zeer nieuwsgierig naar .... Maar indien het u vermoeien
mocht, dan zou ik ...."
"Hoofdstuk III!" zeide Carolus met een heldere stem.
Rodolphe nam Carolus aandachtig op en merkte, dat hij een zeer korten,
dikken nek en een hoog roode gelaatskleur had.
"Ik heb nog één hoop," dacht de dichter, nadat hij die ontdekking
gedaan had;--"een beroerte!"
"Wij zullen nu met hoofdstuk IV beginnen. U wilt dan zeker wel zoo
goed zijn mij te zeggen wat u van de liefdesscène denkt."
En Carolus las verder.
Toen Carolus Rodolphe even aankeek om op zijn gelaat de uitwerking
van het tweegesprek te lezen, zag hij, dat de dichter, gebogen
over zijn stoel zijn hoofd rekte in de houding van iemand, die naar
ververwijderde klanken luistert.
"Wat hebt u?" vroeg hij.
"Sst!" zeide Rodolphe; "hoort u niets? Het is net of ik: Brand hoor
roepen! Willen we even gaan kijken?"
Carolus luisterde een oogenblik, doch hoorde niets.
"Dan zal ik een oorsuizing gehad hebben," zeide Rodolphe; "lees verder;
don Alvar interesseert me buitengewoon; het is een edele jongeling."
Carolus las verder en legde al de muziek van zijn orgaan in de volgende
woorden van den jongen don Alvar.
"O, Inésille, wie ge zijt, engel of demon, en wat ook uw vaderland
moge zijn, mijn leven behoort u, en ik zal u volgen, zij het naar
den hemel, zij het naar de hel."
Op dat oogenblik werd er aan de deur geklopt; een stem buiten riep
Carolus.
Het was de concierge, die een brief bracht, welken Carolus vlug
open scheurde.
"Een leelijke streep door de rekening!" zeide hij; "wij zullen
verplicht zijn de verdere lezing tot een volgenden keer uit te stellen;
ik krijg nl. een bericht, dat mij noodzaakt onmiddellijk uit te gaan."
"O", dacht Rodolphe; "dat is een brief, die uit den hemel valt;
ik herken daarop het zegel van de Voorzienigheid."
"Indien u het goed vindt," zeide Carolus, "dan zullen we samen de
boodschap doen, waartoe deze tijding mij noodzaakt, dan kunnen we
daarna gaan dineeren."
"Ik ben geheel tot uw dienst," zeide Rodolphe.
Toen hij 's avonds weer in den vriendenkring zat, werd de dichter
door zijn kameraden met vragen over Barbemuche bestormd.
"Ben je tevreden over hem? Heeft hij je goed onthaald?" vroegen Marcel
en Schaunard.
"Ja, maar het heeft me heel wat gekost."
"Wat? Heeft Carolus je laten betalen?" vroeg Schaunard met stijgende
verontwaardiging.
"Dat niet, maar hij heeft me een roman voorgelezen, waarin don Lopez
en don Alvar de hoofdpersonen zijn en de jeune premiers hun geliefden
Engel of Demon noemen."
"Ontzettend!" riepen alle bohémiens in koor.
"Maar", vroeg Colline, "afgezien nu van de litteratuur, wat is je
meening omtrent Carolus?"
"Barbemuche is een fatsoenlijke jonge man. Trouwens jullie kunnen
persoonlijk je waarnemingen doen: Carolus wil ons n.l. een voor een als
gast hebben. Schaunard is voor morgen te dejeuneeren gevraagd. Maar
vertrouw, wanneer je naar Barbemuche gaat, de kast met manuscripten
niet, dat is een gevaarlijk meubel."
Schaunard was den volgenden dag precies op tijd bij Barbemuche
en stelde een onderzoek in, zooals een beëedigd taxateur of een
deurwaarder, die gerechtelijk beslag komt leggen, gewoon zijn in te
stellen. Hij kwam dan ook terug met zijn hoofd vol aanteekeningen;
hij had Carolus bestudeerd uit een oogpunt van zijn roerend goed.
"Nu?" zoo vroegen ze hem; "wat is jouw meening?"
"Die Barbemuche", riep Schaunard uit; "loopt over van goede
eigenschappen; hij kent de namen van alle wijnsoorten en heeft
me dingen laten eten zòò lekker, als je ze bij mijn tante op haar
verjaardag niet krijgt. Met de kleermakers uit de rue Vivienne en
de laarzenmakers van de Panorama's schijnt hij op den besten voet te
staan. Bovendien heb ik opgemerkt, dat hij ongeveer even groot is als
wij, zoodat we hem desnoods onze pakken kunnen leenen. Zijn zeden zijn
minder streng dan Colline ons heeft willen doen gelooven; hij is overal
heen meegegaan, waar ik hem wilde brengen, en hij heeft me getracteerd
op een déjeuner in twee bedrijven, waarvan het tweede zich afgespeeld
heeft in een kroeg van de halle, waarin ik heel goed bekend ben, omdat
ik er in carnavalstijd heel wat orgieën heb medegemaakt. Carolus deed
net alsof hij er thuis was. Marcel is voor morgen uitgenoodigd."
Carolus wist, dat van de bohémiens Marcel zich het meest tegen zijn
opneming in den vriendenkring verzette: hij ontving hem dan ook met
de grootste voorkomendheid; maar vooral wist hij den kunstenaar voor
zich te winnen door hem voor te spiegelen, dat hij portretten van de
familie van zijn leerling te schilderen zou krijgen.
Toen het Marcels beurt was, om zijn bevindingen mede te deelen,
merkten zijn vrienden niets meer van de vijandelijke gezindheid,
die hij in den beginne ten opzichte van Carolus getoond had.
Den vierden dag deelde Colline Barbemuche mede, dat hij toegelaten was.
"Wat? Ben ik heusch toegelaten?" riep Carolus dol-verheugd uit.
"Ja", antwoordde Colline, "maar als u u verandert."
"Wat bedoelt u daarmede?"
"Ik bedoel, dat u nog een groot aantal vulgaire gewoonten hebt,
die u u zult moeten afwennen."
"Ik zal mijn best doen u in alles na te volgen," antwoordde Carolus.
Gedurende zijn noviciaat bezocht de Platonische wijsgeer de bohémiens
dagelijks, en daar hij op die manier in staat gesteld werd hun zeden
grondiger te bestudeeren, kon het niet anders, of hij moest van de
eene verbazing in de andere vallen.
Op een goeden morgen kwam Colline met een van vreugde stralend gezicht
bij Barbemuche.
"Nu, mijn waarde," zeide hij, "je bent definitief toegelaten. Nu
blijft nog slechts over om den dag en de plaats voor het groote
feestmaal vast te stellen, en ik kom nu daarover eens met je praten."
"Maar dat treft prachtig," antwoordde Carolus; "de ouders van mijn
leerling zijn op dit oogenblik buiten en de jonge vicomte, wiens
mentor ik ben, zal mij voor een avond de kamers wel willen afstaan:
op die manier kunnen we het veel prettiger hebben, maar we zullen
ook den jongen vicomte moeten inviteeren."
"Dat zou prachtig zijn," vond Colline. "Wij zouden de horizonten
der litteratuur voor hem kunnen openen; maar geloof je, dat hij zijn
toestemming geven zal?"
"Daar ben ik bij voorbaat zeker van."
"Dan blijft nog alleen over den dag vast te stellen."
"Dat zullen we vanavond in het café verder afspreken."
Carolus ging nu dadelijk zijn leerling opzoeken en deelde hem mede,
dat hij aangenomen was als lid van een voorname litterair-artistieke
vereeniging, en dat hij, om zijn toelating te vieren, van plan was
een diner en daarna een klein feestje te geven. Ten slotte noodigde
hij hem uit aan de plechtige installatie deel te nemen ...
"En daar je toch niet laat thuis kunt komen en het feest wel tot
na middernacht zal duren, zullen we voor alle gemak dat diner maar
hier aan huis geven. François, je knecht, zal het niet verraden;
je ouders zullen er dus niets van te weten komen en jij zult op
die manier kennis maken met de geestrijkste menschen uit Parijs,
kunstenaars en schrijvers."
"Die al gedrukt zijn?" vroeg de jonge man.
"Zeker wel, gedrukt; een van hen is hoofdredacteur van de Echarpe,
een tijdschrift waarop je moeder geabonneerd is; het zijn zeer
gedistingeerde, bijna beroemde personen; ik ben hun intieme vriend. Zij
hebben bekoorlijke vrouwen."
"Komen er ook vrouwen bij?" vroeg de vicomte.
"Verrukkelijke schepsels."
"O, ik ben u zeer dankbaar voor uw uitnoodiging, waarde meester;
natuurlijk zullen we het feest hier geven; we zullen alle kroonluchters
laten aansteken en de hoezen van de meubelen laten nemen."
's Avonds in het café vertelde Barbemuche, dat het feest den volgenden
Zaterdag gegeven zou worden.
De bohémiens verzochten hun vriendinnen aan haar toilet te denken.
"Vergeet vooral niet," zeiden zij tot haar, "dat we ditmaal in echte
salons komen. Bereid je daar dus op voor: eenvoudige, maar rijke
toiletten."
Denzelfden dag nog werd de geheele straat er mede in kennis gesteld,
dat Mimi, Phémie en Musette in de "wereld" zouden gaan.
Op den ochtend van de plechtigheid geschiedde nog het volgende:
Colline, Schaunard, Marcel en Rodolphe begaven zich gezamenlijk naar
Barbemuche, die zeer verwonderd was ze al zoo vroeg te zien.
"Er is toch niets gebeurd, waardoor het feest uitgesteld moet
worden?" vroeg hij eenigszins ongerust.
"Ja en neen," antwoordde Colline. "De zaak is deze. Tusschen ons
gezegd en gezwegen, doen we onder ons nooit aan plichtplegingen;
maar wanneer we met vreemden samenkomen, dan willen we graag een
zeker decorum bewaren."
"Welnu?" vroeg Barbemuche.
"Welnu", ging Colline voort, "daar we vanavond den jongen edelman
ontmoeten, die zijn salon voor ons opent, komen wij uit achting voor
hem en uit achting voor onszelf je heel vriendschappelijk vragen,
of je ons voor vanavond niet een paar kleedingstukken van goeden snit
kan leenen. Je begrijpt even goed als wij, dat het voor ons zoo goed
als onmogelijk is in trui en paletot de weelderige vertrekken van
deze woning te bezoeken."
"Maar," zeide Carolus; "ik heb geen vier rokken."
"Ach!" zeide Colline, "we zullen ons wel weten te behelpen met wat
je hebt."
"Kijk maar eens!" zeide Carolus en opende een tamelijk rijk voorziene
kleerkast.
"Maar je hebt daar een compleet kleeding-arsenaal."
"Drie hoeden!" zeide Schaunard in extase; "hoe kan je in Godsnaam
drie hoeden hebben, als je maar één hoofd hebt."
"En kijk eens wat een schoenen!" brulde Colline.
In een oogwenk hadden zij ieder een volledige uitrusting gekozen.
"Tot vanavond," zeiden zij, terwijl zij afscheid namen van Barbemuche;
"de dames zullen er schitterend uitzien."
"Maar", zeide Barbemuche met een blik op de geheel leeggeplunderde
kast, "jullie laat voor mij niets over. Hoe moet ik jullie ontvangen?"
"O, jij", zeide Rodolphe, "voor jou is het heel wat anders; jij bent
de heer des huizes en behoeft het dus met de etiquette zoo nauw niet
te nemen."
"Maar ik heb alleen nog maar een kamerjapon, een slaapbroek, een
flanellen vest en pantoffels over; jullie hebt alles weggenomen."
"Wat hindert dat? Je bent bij voorbaat geëxcuseerd," antwoordden
de bohémiens.
Om zes uur werd er een prachtig diner in de eetzaal opgediend. De
bohémiens arriveerden. Marcel hinkte een beetje en was in een slecht
humeur. De jonge vicomte Paul snelde den dames tegemoet en geleidde
ze naar de beste plaatsen. Mimi had een zeer fantastisch toilet
aan. Musette was zeer uitdagend gekleed. Phémie geleek op een venster
met gekleurde ramen, zij durfde bijna niet te gaan zitten. Het diner,
dat twee en een half uur duurde, was zeer geanimeerd.
De jonge vicomte Paul, die Mimi tot tafeldame had, stootte haar ieder
oogenblik met waren hartstocht aan met zijn voet. Phémie vroeg bij
iedere gang tweemaal om dezen of genen schotel. Schaunard zwelgde
in het druivennat. Rodolphe improviseerde sonnetten en brak bij het
aangeven van den rhythmus de glazen. Colline praatte met Marcel,
die nog steeds knorrig was.
"Wat heb je toch?" vroeg hij.
"Ik heb zoo'n vreeselijke pijn aan mijn voet en dat hindert me. Die
Carolus heeft een voet als een jong meisje."
"O, als het anders niet is," vond Colline, "dan zullen we hem aan
zijn verstand brengen, dat dit zoo niet langer gaat en dat hij
"in den vervolge" zijn laarzen een paar nummers grooter moet laten
maken. Wees maar gerust, dat zal ik wel in orde brengen. Maar ga nu
mee naar den salon, waar liqueuren der Antillen ons roepen."
Het feest begon met nieuwen glans en schittering. Schaunard zette
zich voor den piano en speelde met een wonderbare bravoure zijn
nieuwe symphonie: "De dood der jonkvrouw". Het mooie gedeelte van
de Schuldeischersmarsch had zoo'n succes, dat hij het driemaal moest
herhalen. Na afloop waren er twee snaren gesprongen.
Marcel was nog steeds uit zijn humeur, en toen Carolus zich daarover
bij hem beklaagde, antwoordde de schilder hem:
"Mijn waarde heer Barbemuche, wij zullen nooit op intiemen voet met
elkaar omgaan. Ziehier de reden. Physieke verschillen zijn bijna altijd
een zekere aanwijzing voor psychische verschillen. Op dit punt zijn
de wijsbegeerte en geneeskunde het volmaakt eens."
"En verder?"
"Welnu," zeide Marcel en wees op zijn voeten, "je laarzen, die veel
en veel te nauw voor mij zijn, toonen aan, dat we niet hetzelfde
karakter hebben; overigens was je feestje heel charmant!"
Om één uur in den ochtend gingen de bohémiens langs een grooten omweg
naar huis. Barbemuche was lichtelijk aangeschoten en sloeg allerlei
onzin uit tegen zijn leerling, die op zijn beurt droomde van de blauwe
oogen van mademoiselle Mimi.