EEN CAFÉ DER BOHÈME.

Hier volgt het verhaal hoe Carolus Barbemuche, letterkundige en

Platonisch wijsgeer, op zijn vier-en-twintigste jaar lid der bohème

werd.

In dien tijd bezochten Gustave Colline, de groote wijsgeer, Marcel,

de groote schilder, Schaunard, de groote musicus, en Rodolphe, de

groote dichter, zooals zij elkaar onderling noemden, geregeld het café

Momus, waar zij, omdat men ze altijd samen zag, den bijnaam van de

"vier musketiers" [24] gekregen hadden. Inderdaad kwamen zij samen,

gingen samen, speelden samen, bleven soms samen hun vertering schuldig,

alles met een eenheid, het orkest van het Conservatorium waardig.

Voor hun samenkomsten hadden zij een zaal gekozen, waarin veertig

personen op hun gemak hadden kunnen zitten, maar men vond ze steeds

alleen, want zij hadden ten slotte het vertrek voor de stamgasten

onmogelijk gemaakt.

De toevallige bezoeker, die zich in dat hol waagde, werd onmiddellijk

bij zijn binnentreden het slachtoffer van het ruwe quartet en maakte

zich meestal uit de voeten zonder zijn courant gelezen of zijn kleintje

koffie gedronken te hebben, waarvan de room door de ongehoorde

aphorismen over kunst, liefde en staathuishoudkunde zuur werd. De

gesprekken van het vriendenviertal waren van dien aard, dat de kellner,

die hen bediende, in den bloei van zijn leven idioot geworden was.

Ten slotte liep het echter met de dwaasheden zoo de spuigaten uit,

dat de eigenaar van het café zijn geduld verloor en op een goeden

avond naar boven ging, om een ernstige uiteenzetting van zijn grieven

te geven:

1o. Mijnheer Rodolphe kwam reeds vroeg in den ochtend dejeuneeren en

nam alle couranten van het etablissement mede naar zijn salon: hij was

daarbij zelfs zoo veeleischend, dat hij opspeelde, wanneer de strookjes

verbroken waren. Dit had ten gevolge, dat de overige gasten, van alle

organen der openbare meening verstoken, tot aan het diner omtrent de

politiek van den dag zoo onwetend bleven als een visch. Het gezelschap

Bosquet wist nauwlijks de namen der leden van het nieuwe ministerie.

Mijnheer Rodolphe had het café zelfs verplicht zich te abonneeren

op den Castor, waarvan hij hoofdredacteur was. De eigenaar van het

café had er zich eerst tegen verzet, maar daar mijnheer Rodolphe en

zijn vrienden ieder kwartier den kellner met luide stem om den Castor

vroegen, begonnen ook enkele andere stamgasten, wier nieuwsgierigheid

door die herhaalde vragen gaande gemaakt was, naar dat blad te

informeeren. Er werd dus een abonnement genomen op den Castor, een

hoedenmakersvakblad, dat maandelijks met een vignet en wijsgeerig

artikel van Gustave Colline verscheen.

2o. Genoemde mijnheer Colline en zijn vriend Rodolphe waren gewoon zich

van hun geestelijke inspanning te verpoozen door van 's ochtends tien

tot 's nachts twaalf uur tric-trac te spelen; en daar het etablissement

slechts één tric-tracbord had, werden de andere bezoekers in hun

hartstocht voor dat spel benadeeld door het inbeslagnemen van dat

bord door die heeren, die telkens, als men er hen om kwam vragen,

strijk en zet antwoordden:

"Het tric-tracbord is in handen. Kom morgen maar terug."

Het gezelschap Bosquet zag zich dus genoodzaakt elkaar hun

liefdesavonturen te vertellen of piquet te spelen.

3o. Uit het oog verliezend, dat een café een openbare plaats is,

heeft mijnheer Marcel zich de vrijheid veroorloofd er zijn ezel,

zijn verfdoos en alle verdere schildersbenoodigdheden heen te

brengen. Zelfs drijft hij de onbeschaamdheid zoo ver, dat hij personen

van verschillend geslacht er als model laat poseeren, wat de zedelijke

gevoelens van het gezelschap Bosquet kan kwetsen.

4o. Het voorbeeld van zijn vriend volgend, heeft mijnheer Schaunard

het plan zijn klavier naar het café over te brengen; ook heeft hij

niet geschroomd er in koor een motief uit zijn symphonie: "De invloed

van het blauw in de kunsten" te laten zingen. Mijnheer Schaunard is

nog verder gegaan; hij heeft in de lantaarn, die als uithangbord voor

het café dient, een transparant aangebracht met het opschrift:

GRATIS CURSUS IN VOCALE EN INSTRUMENTALE MUZIEK VOOR BEIDE

GESLACHTEN.

Zich aan te melden aan het buffet.

Wat ten gevolge heeft, dat genoemd buffet ieder oogenblik overstroomd

wordt door slechts oppervlakkig gekleede personen, die komen vragen

"waar ze wezen motten."

Bovendien geeft mijnheer Schaunard er rendez-vous aan een dame,

die zich Phémie Klad noemt en nooit een hoed op heeft.

Mijnheer Bosquet Jr. heeft dan ook verklaard, dat hij geen voet meer

zou zetten in een café, waar de natuur zoo met voeten getreden wordt.

5o. Ofschoon de heeren zich toch al met een zeer matige

consumptie tevreden stelden, hebben zij getracht die nog meer te

verminderen. Onder voorwendsel, dat zij de mokka op overspel met de

chicorei betrapt hebben, hebben zij hier een spiritustoestel gebracht,

waarop zij zelf koffie zetten, die zij aanzoeten met suiker, die

buiten de deur tegen lagen prijs gekocht is, welke handelwijze een

beleediging is voor de keuken van het etablissement.

6o. Door de gesprekken der heeren tot in den grond bedorven, heeft de

kellner Bergami, zijn nederige afkomst en alle gevoel van schaamte uit

het oog verliezend, zich vermeten aan de buffetjuffrouw een gedicht

te richten, waarin hij haar aanspoort haar plichten als moeder en

echtgenoote te verzaken; uit den verwarden stijl heeft men meenen te

moeten opmaken, dat die brief geschreven is onder den verderfelijken

invloed van mijnheer Rodolphe en diens letterkundige voortbrengselen.

Dientengevolge ziet de directeur van het etablissement zich tot zijn

spijt verplicht het gezelschap-Colline te verzoeken een andere plaats

voor zijn revolutionnaire samenkomsten te kiezen.

Gustave Colline, de Cicero der troep, nam nu het woord en bewees a

priori aan den eigenaar van het café, dat zijn klachten belachelijk

en ongegrond waren; dat het voor hem juist een groote eer was, indien

men zijn inrichting ervoor uitkoos om er een haard van intelligentie

van te maken; dat zijn en zijner vrienden vertrek den ondergang van

zijn café zou veroorzaken, dat door hun tegenwoordigheid tot de hoogte

van een artistiek en litterair café verheven was.

"Maar," merkte de eigenaar van het café op, "u en uw vrienden verteert

zoo weinig."

"Deze matigheid, waarover gij u beklaagt, is een argument ten gunste

van onze goede zeden," was Colline's antwoord. "Bovendien hangt het

slechts van u af, of wij onze uitgaven kunnen vermeerderen; u behoeft

dan slechts crediet te geven."

"Wij willen zelfs het rekening-courantboek cadeau geven," zeide Marcel.

De eigenaar deed, alsof hij het niet hoorde, en vroeg eenige

inlichtingen omtrent den brandbrief, dien Bergami tot zijn vrouw

gericht had. Rodolphe, die ervan beschuldigd was als secretaris voor

dien ongeoorloofden hartstocht gediend te hebben, betuigde met vuur

en ijver zijn onschuld.

"Trouwens," voegde hij eraan toe, "de deugd van uw vrouw was een

zekere barrière, die ...."

"O," zeide de eigenaar met een glimlach van trots, "mijn vrouw is te

Saint-Denis [25] opgevoed."

In het kort, Colline slaagde er tenslotte in den café-man te vangen

in het net van zijn arglistige welsprekendheid, waarna de vrede

hersteld werd op voorwaarde, dat de vier vrienden niet meer hun

koffie zelf zouden zetten, dat het café een gratis-exemplaar van

den Castor zou ontvangen, dat Phémie Klad een hoed zou opzetten, dat

het tric-tracspel alle Zondagen van twaalf tot twee uur overgelaten

zou worden aan het gezelschap Bosquet, en vooral, dat er geen nieuwe

crediet zou gegeven worden.

Gedurende enkele dagen ging alles goed.

Den avond vòòr Kerstmis kwamen de vier vrienden in gezelschap van

hun respectievelijke "echtgenooten" in het café.

Er waren dus mademoiselle Musette, mademoiselle Mimi, het nieuwe

vriendinnetje van Rodolphe, een allerliefst persoontje met een stem,

helder als een klok, en Phémie Klad, de afgod van Schaunard. Dien avond

droeg Phémie Klad een mutsje. Mademoiselle Colline, die men nooit zag,

was als gewoonlijk thuis gebleven, om komma's in de handschriften

van haar man te zetten. Na de koffie, die tegen alle gewoonten in

door een bataillon glaasjes likeur geëscorteerd werd, bestelden zij

punch. Weinig aan dergelijke uitspattingen gewend, liet de kellner de

bestelling nog tweemaal herhalen. Phémie, die nog nooit in het café

geweest was, scheen in extase, dat zij uit glaasjes met een voet mocht

drinken. Marcel had het aan den stok met Musette over een nieuwen

hoed, waarvan de herkomst hem verdacht voorkwam. Mimi en Rodolphe,

die nog in de wittebroodsweken van hun samenleven waren, voerden

een gesprek zonder woorden maar met allerlei vreemde geluiden. Wat

Colline betreft, met een vriendelijken lach op zijn gelaat ging hij

bij de dames alle galanterieën, die hij uit zijn collectie van den

Almanach des Muses verzameld had, verkoopen.

Terwijl dit vroolijke gezelschap zich aldus aan spel en lach overgaf,

keek een vreemdeling, die eenzaam aan een tafeltje achter in de

zaal zat, met vreemde blikken naar het schouwspel, dat zich voor

hem afspeelde.

Reeds sedert veertien dagen kwam hij iederen avond: hij was van alle

bezoekers de eenige, die het vreeselijke lawaai, dat de bohémiens

maakten, had kunnen uithouden. De lafste voor-de-gek-houderijen waren

op zijn onverstoorbaarheid afgestooten; hij bleef met een mathematische

regelmaat zijn pijp zitten rooken, zijn oogen starend op één punt,

alsof hij een schat bewaken moest, het oor geopend voor alles,

wat er om hem heen gezegd werd. Overigens scheen hij zachtmoedig en

welgesteld, want hij bezat een horloge, dat door een gouden ketting

in zijn zak in slaverij gehouden werd. Toen Marcel toevallig eens

gelijk met hem aan het buffet stond, had hij gezien, dat hij een

louis wisselde, om zijn vertering te betalen. Van dat oogenblik af

noemden de vier vrienden hem den "kapitalist."

Plotseling ontdekte Schaunard, die uitstekende oogen had, dat de

glazen leeg waren.

"Voor den duivel," zeide Rodolphe; "het is de avond vòòr Kerstmis;

wij zijn allen goede Christenen .... we moeten een extraatje nemen."

"Waarachtig, zeker," zeide Marcel, "laten we bovennatuurlijke dingen

bestellen."

"Colline," voegde Rodolphe eraan toe, "bel den kellner eens."

Colline belde als een bezetene.

"Wat zal het zijn?" vroeg Marcel.

Colline maakte met zijn bovenlichaam een hoek van vijf-en-veertig

graden en zeide, op de dames wijzend:

"Het staat aan de dames om de volgorde en den aard der ververschingen

te bepalen."

"Ik," zeide Musette, die met haar tong klapte, "ik zou een glas

champagne niet graag weigeren."

"Ben je niet wijs?" vloog Marcel op. "Champagne .... dat is zelfs

geen wijn."

"Dat kan me minder schelen, ik vind het lekker en het maakt lawaai."

"Ik," zeide Mimi, terwijl zij Rodolphe met een blik liefkoosde,

"ik zou graag beaune willen hebben in zoo'n klein mandje."

"Is jouw hoofd op hol?" vroeg Rodolphe.

"Neen, maar ik wil het laten hollen," antwoordde Mimi, op wie de beaune

een bijzonderen invloed had. Haar man werd door dat woord verpletterd.

"En ik," zeide Phémie Klad, die op den elastischen divan op en neer zat

te springen, "ik wil graag parfait amour. Dat is goed voor je maag."

Schaunard bracht met zijn neusklank eenige woorden voort, die Phémie

op haar basis deden sidderen.

"Ach wat!" zeide Marcel, "het is niet alle dagen ker(st)mis, laten

we er voor dezen keer eens honderdduizend francs aan spendeeren."

"En," voegde Rodolphe eraan toe, "laten we niet vergeten, dat de baas

zich beklaagt, dat we te weinig verteren."

"Dat is zoo," zeide Colline. "Laten we een schitterend festijn

aanrichten: trouwens we zijn den dames de meest passieve gehoorzaamheid

verschuldigd; de liefde leeft van zelfverloochening, de wijn is het

sap van het pleizier; het pleizier is de plicht der jeugd,--de vrouwen

zijn bloemen, je moet ze begieten. Laten we haar dus begieten! Kellner,

kellner!"

En met een koortsachtige opgewondenheid ging hij aan het schelkoord

hangen.

De kellner schoot toe als op de vleugelen van den wind.

Toen hij van champagne, beaune en diverse likeuren hoorde spreken,

speelden zijn gelaatstrekken alle toonladders der verbazing af.

"Ik heb zoo'n leeg gevoel in mijn maag," zeide Mimi, "ik zou wel trek

in een paar sneedjes ham hebben."

"En ik in sardientjes met boter," voegde Musette eraan toe.

"En ik in radijs," zeide Phémie, "met wat vleesch erom heen."

"Zeggen jullie nou maar dadelijk, dat je een souper wilt hebben,"

merkte Marcel op.

"Dat zou heusch zoo'n gek idée niet zijn," antwoordden de vrouwen.

"Kellner, breng alles boven, wat voor een goed souper noodig is,"

zeide Colline ernstig.

De kellner was van verbazing driekleurig geworden.

Langzaam liep hij naar het buffet en deelde daar den eigenaar van

het café de buitengewone dingen mede, die ze hem besteld hadden.

De café-man dacht, dat het een grap was, maar toen er weer gescheld

werd, ging hij zelf naar boven en wendde zich tot Colline, voor wien

hij een zeker respect had. Colline legde hem uit, dat zij den réveillon

bij hem wilden vieren en hij het bestelde dus moest laten brengen.

De eigenaar van het café antwoordde niets en ging met den kreeftengang

weg, terwijl hij knoopen in zijn servet maakte. Een kwartier lang

overlegde hij met zijn vrouw, tot deze, die dank zij de liberale

opvoeding, die zij te Saint-Denis gehad had, een vereerster der

schoone kunsten was, haar echtvriend wist over te halen het souper

te laten opdienen.

"Eigenlijk heb je gelijk," zeide hij; "het is best mogelijk, dat

zij bij uitzondering eens geld hebben." En hij gaf den kellner order

alles wat besteld was boven te brengen. Dan verdiepte hij zich met

een ouden stamgast in een partij piquet. Een fatale onvoorzichtigheid!

Van tien tot twaalf uur deed de kellner niets dan de trap op- en

afloopen. Ieder oogenblik werden er extra-schotels besteld. Musette

liet zich op zijn Engelsch bedienen en moest bij iederen hap een

nieuw couvert hebben; Mimi dronk van alle wijnsoorten uit alle glazen;

Schaunard had een onleschbaren Sahara in zijn keel; Colline onderhield,

terwijl hij zijn servet met zijn tanden doorbeet, een kruisvuur met

zijn oogen en kneep in den poot van de tafel, dien hij voor de knie

van Phémie hield. Marcel en Rodolphe bleven echter stevig in den

stijgbeugel der koelbloedigheid zitten en zagen niet zonder angst

het uur der ontknooping naderen.

De vreemdeling keek met een ernstige nieuwsgierigheid naar dit tooneel;

van tijd tot tijd zag men zijn mond als tot een glimlach opengaan;

dan hoorde men een knarsend geluid, alsof er een raam dicht gedaan

werd. Dat was de vreemdeling, die inwendig lachte.

Om kwart voor twaalf zond de buffetjuffrouw de rekening, die het

ontzaglijke bedrag van 25 fr. 75 c. aanwees.

"Ja," zeide Marcel, "nu zullen we moeten loten wie met den eigenaar zal

moeten gaan onderhandelen. Dat zal een lang niet makkelijke zaak zijn."

Ze namen een dominospel en trokken om het hoogste aantal.

Het lot wees ongelukkigerwijze Schaunard als plenipotentiaris

aan. Schaunard was een uitstekend virtuoos, maar een slecht

diplomaat. Hij kwam juist bij het buffet, toen de waard van zijn ouden

stamgast verloren had. Woedend over zijn schandelijk verlies, was Momus

in het humeur van een menscheneter en geraakte bij de eerste woorden

van Schaunard in een hevigen toorn. Schaunard was een goed musicus,

doch had een buitengewoon heftig karakter. Hij antwoordde met dubbel

zoo grof geschut. De twist werd zoodoende hoe langer hoe giftiger,

en ten slotte stormde de waard naar boven, om te zeggen, dat hij ze

niet zou laten vertrekken, vòòr alles betaald was. Colline trachtte met

zijn kalmeerende welsprekendheid den storm te bezweren, doch toen de

café-man het servet zag, waarvan Colline pluksel gemaakt had, barstte

zijn woede in dubbele heftigheid los en waagde hij het, om tenminste

eenige zekerheid te hebben, zijn profane hand uit te steken naar den

notehoutkleurigen paletot van den philosoof en de mantels van de dames.

Een pelotonvuur van beleedigingen werd nu tusschen de bohémiens en

den eigenaar van het établissement geopend.

Intusschen praatten de dames gezellig over vroegere amourettes en

modenieuwtjes.

De vreemdeling echter liet nu zijn passieve houding varen;

langzamerhand was hij opgestaan, had één pas gedaan, dan twee en liep

ten slotte als een heel gewoon mensch op zijn twee beenen; hij kwam

naar den café-man toe, nam hem ter zijde en praatte heel zachtjes

met hem. Rodolphe en Marcel volgden hem met de oogen. Eindelijk was

het gesprek afgeloopen en zeide de waard tot den vreemdeling:

"Zeker vind ik het goed, mijnheer Barbemuche, zeker, maak u het maar

met hen in orde."

Mijnheer Barbemuche ging naar zijn tafeltje, om zijn hoed te halen,

zette dien op, maakte een zwenking naar rechts, was in drie stappen

bij Rodolphe en Marcel, nam zijn hoed af, boog voor de heeren,

wierp den dames een groet toe, haalde zijn zakdoek te voorschijn,

snoot zijn neus en nam dan met schuchtere stem het woord:

"Ik moet u vergiffenis vragen voor mijn indiscretie, heeren. Reeds

lang brand ik van verlangen, om kennis met u te maken, maar tot nog

toe heb ik geen gunstige gelegenheid gevonden, om mij aan u voor

te stellen. Veroorlooft u mij deze, welke zich thans voordoet, aan

te grijpen?"

"Zeker, zeker," zeide Colline, die dadelijk begreep waar de vreemdeling

heen wilde.

Rodolphe en Marcel bogen, zonder iets te zeggen.

De overdreven lichtgeraaktheid van Schaunard bedierf bijna alles.

"Neem me niet kwalijk, mijnheer," zeide hij eenigszins heftig,

"u hebt niet de eer ons te kennen en de etiquette verzet er zich

tegen, dat .... Zoudt u de goedheid willen hebben mij wat tabak

te geven .... Verder zal ik mij bij het gevoelen van mijn vrienden

aansluiten..."

"Heeren," begon Barbemuche, "ik ben evenals u een discipel der

schoone kunsten. Voor zoover ik uit uw gesprekken heb kunnen opmaken,

stemmen onze smaken overeen, waarom ik de vurige begeerte koester tot

uw vriendenkring te mogen behooren en u iederen avond hier te kunnen

ontmoeten .... De eigenaar van dit etablissement is een bruut, maar ik

heb een paar woorden met hem gesproken, en gij zijt volkomen vrij om

te gaan of te blijven ..... Ik waag het de hoop uit te spreken, dat

u mij het middel, om u hier weer te ontmoeten, niet zult onthouden,

door den kleinen dienst aan te nemen, dien ...."

Naar Schaunards wangen steeg een kleur van verontwaardiging.

"Hij speculeert op onzen toestand," zeide hij. "Wij mogen zijn aanbod

niet aannemen. Hij heeft onze rekening betaald--ik zal met hem een

partij billard spelen om vijf-en-twintig francs en hem een paar

caramboles voorgeven."

Barbemuche nam het voorstel aan en was verstandig genoeg de partij

te verliezen; maar door dezen trek won hij de achting der Bohème. Men

scheidde met de afspraak den volgenden dag weer samen te komen.

"Op die manier," zeide Schaunard tot Marcel, "zijn we hem niets

schuldig en is onze waardigheid gered."

"En kunnen we bijna nog een souper van hem eischen," voegde Colline

eraan toe.

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 31 / 77 题