Jaarlijksch Banket Ter eere van de Geboorte van den Messias der
Menschheid op 15 April 184...
Geldig voor één persoon.
N.B. Men heeft slechts recht op een halve flesch wijn.
"Ik deel weliswaar de meeningen der discipelen van den Messias niet,"
zeide Rodolphe tot zichzelf, "maar ik wil met genoegen hun voedsel
deelen." En met de snelheid van een vogel verslond hij den afstand,
die hem van de barrière de la Villette scheidde.
Toen hij in de salons van den Grooten Overwinnaar kwam, was er
een ontzaglijke menigte bijeen .... De salon voor driehonderd
couverts bevatte vijfhonderd personen. Een uitgestrekte horizont van
kalfsvleesch met peen doemde op voor Rodolphe's blik.
Eindelijk begon men de soep op te doen.
Juist toen de gasten den lepel naar hun mond brachten, deden plotseling
vijf of zes personen in burgerkleeding met verscheidene agenten en
een commissaris van politie een inval in de zaal.
"Mijne heeren!" zeide de commissaris, "op hoog bevel mag dit banket
niet plaats hebben. Ik verzoek u dit lokaal te verlaten."
"O, o!" zuchtte Rodolphe, terwijl hij met de anderen de zaal verliet:
"het noodlot heeft mijn bord soep omgegooid!"
Droefgeestig gestemd ging hij weer op weg naar zijn kamer, waar hij
om elf uur aankwam.
Mijnheer Benoît wachtte hem op.
"O, bent u het?" zeide de huiseigenaar. "Hebt u gedacht aan wat ik
u van ochtend gezegd heb? Brengt u geld mede?"
"Ik moet het vannacht krijgen en zal het u dan morgenochtend geven,"
antwoordde Rodolphe, terwijl hij in het hokje naar zijn sleutel en
zijn kandelaar zocht. Hij vond geen van beide.
"Mijnheer Rodolphe," zeide mijnheer Benoît, "het spijt me erg, maar
ik heb uw kamer verhuurd; en een andere heb ik niet disponibel,
u moet ergens anders een onderkomen zien te vinden."
Rodolphe was voor geen klein geruchtje vervaard en een nacht onder den
blooten hemel had voor hem niets verschrikkelijks. Bovendien kon hij
bij slecht weer in een loge d'avant-scène van den Odéon overnachten,
wat hem al meermalen overkomen was. Hij eischte echter eerst van
mijnheer Benoît zijn "dingen" op, die uit een berg papieren bestonden.
"Volkomen juist," zeide de huisheer; "ik heb niet het recht u die
zaken af te nemen--zij liggen nog boven in de secretaire. Ga maar even
mee; indien de persoon, die uw kamer gehuurd heeft, nog niet slaapt,
kunnen we wel even binnen gaan."
In den loop van den dag was de kamer verhuurd aan een jong meisje,
Mimi, met wie Rodolphe indertijd een liefdes-duo begonnen was.
Zij herkenden elkaar dadelijk. Rodolphe fluisterde Mimi iets in het
oor en drukte haar zacht de hand.
"Kijk eens hoe het regent!" zeide hij, terwijl hij haar opmerkzaam
maakte op het onweer, dat juist losgebarsten was.
Mademoiselle Mimi liep regelrecht naar mijnheer Benoît, die in een
hoek van de kamer stond te wachten, en zeide tegen hem, terwijl zij
op Rodolphe wees:
"Mijnheer, mijnheer hier is degene, dien ik vanavond verwachtte
.... Ik ben voor niemand verder thuis."
"Zoo," zeide mijnheer Benoît met den lach van een boer, die kiespijn
heeft. "Het is goed!"
Terwijl Mimi inderhaast een geïmproviseerd souper klaarzette, sloeg
het middernacht.
"God zij dank!" zeide Rodolphe, "15 April is voorbij en de Stormkaap
is gelukkig omzeild. Lieve Mimi," en hij sloot het mooie meisje in
zijn armen en drukte haar een kus in haar hals; "ik wist vooruit,
dat je het niet over je hart zou verkrijgen mij de deur uit te laten
zetten. Jij bezit den gastvrijheidsknobbel!"