Er zijn in de maanden, waarin een kwartaal begint, angstwekkende
oogenblikken, gewoonlijk de 1ste en de 15de. Rodolphe, die deze beide
data nooit zonder schrik zag naderen, noemde ze de "Stormkaap". Dien
dag opent niet Aurora de poorten van het Oosten, maar schuldeischers,
huiseigenaars, deurwaarders en andere geldzakdragers staan buiten de
deur. Die dag begint met een plasregen van aanmaningen, rekeningen
en wissels en eindigt met een hagelbui van protesten, dies irae!
In den ochtend van zoo'n 15den April lag Rodolphe rustig te slapen
.... en droomde, dat een van zijn ooms hem bij testament een geheele
provincie van Peru had vermaakt .... met alle Peruaansche schoonen
erin begrepen.
Terwijl hij daar midden in een imaginairen Pactolus rondzwom, kwam het
geluid van een sleutel, die in het slot ronddraaide, den ingebeelden
erfgenaam op het schitterendste oogenblik van zijn gouden droom storen.
Rodolphe ging rechtop in zijn bed zitten en keek slaapdronken om
zich heen.
Hij zag toen vaag in het midden van zijn kamer een man staan, die
pas binnengekomen was, .... en wat voor een man!
De matineuse vreemdeling had een driekanten hoed op, een lederen
geldzak op zijn rug en een grooten portefeuille in zijn hand; hij had
een grijzen linnen rok met staanden kraag aan en scheen buiten adem
van het klimmen naar de vijfde verdieping. Zijn manier van optreden
was zeer vriendelijk en minzaam en zijn gang was klankrijk als wanneer
het kantoor van een bankier aan het wandelen zou gaan.
Rodolphe was een oogenblik angstig; hij meende, bij den aanblik van
den driekanten hoed en den rok, een politie-agent voor zich te zien.
Maar het zien van den vrij goed gespekten geldzak genas hem van
zijn dwaling.
"O, nu begrijp ik het," dacht hij, "dat is een voorschot op mijn
erfenis en die man komt van de Eilanden .... Maar waarom is hij dan
geen neger?" Hij gaf den onbekende een wenk en zeide, op den geldzak
wijzend:
"Ik weet wat het is. Leg hem daar maar neer. Dank je wel."
De vreemdeling was een wissellooper van de Banque de France en hield,
als antwoord op Rodolphe's uitnoodiging, dezen een klein papiertje
met veelkleurige teekens en cijfers onder den neus.
"U wilt een bewijs van ontvangst?" vroeg Rodolphe. "Ja, dat hoort
zoo. Geef me maar even pen en inkt."
"Neen, ik kom zelf wat ontvangen," antwoordde de wissellooper;
"een bedrag van honderdvijftig francs. Het is vandaag 15 April."
"Ach zoo!" zeide Rodolphe, terwijl hij den wissel bekeek.... "Order
Birmann, dat is mijn kleermaker .... Helaas!" voegde hij er
droefgeestig aan toe, terwijl hij afwisselend naar de over het bed
liggende overjas en naar den wissel keek, "de oorzaken verdwijnen,
maar de gevolgen blijven. Wat, is het vandaag 15 April! Merkwaardig! Ik
heb nog geen aardbeien gegeten!"
De wissellooper, wien dat gepraat begon te vervelen, ging weg en
zeide tot Rodolphe: "U hebt tot vier uur tijd om te betalen!"
"Voor eerlijke menschen is er geen uur," antwoordde Rodolphe. "De
intrigant", voegde hij er woedend aan toe, terwijl hij met zijn
blikken den financier met zijn driekanten hoed volgde; "hij neemt
zijn geldzak weer mee."
Rodolphe trok de gordijnen van zijn bed dicht en trachtte weer den
weg van zijn erfenis terug te vinden; maar hij vergiste zich in
de richting en kwam trotsch en wel terecht in een droom, waarin de
directeur van het Théâtre-Français hem heel nederig een drama voor
zijn schouwburg kwam vragen en Rodolphe, met de gebruiken bekend,
een voorschot vroeg. Maar juist op het oogenblik, dat de directeur
door den zuren appel scheen te willen bijten, werd de slaper opnieuw
half wakker gemaakt door het binnenkomen van een tweeden persoon,
een nieuw creatuur van den 15den April.
Het was mijnheer Benoît, de eigenaar van het hotel garni, waarin
Rodolphe woonde; mijnheer Benoît was tegelijkertijd de huisheer, de
schoenmaker en woekeraar voor zijn huurders; dien ochtend rook mijnheer
Benoît sterk naar slechten brandewijn en vervallen rekeningen. Ook
hij had een ledigen zak in zijn hand.
"Duivels!" dacht Rodolphe; "dat is de directeur van het
Théâtre-Français niet .... die zou een witte das dragen .... en zijn
geldzak zou gevuld zijn!"
"Morgen, mijnheer Rodolphe," zeide mijnheer Benoît, op het bed
toetredend.
"Mijnheer Benoît .... bonjour! Wat verschaft mij de eer van uw bezoek?"
"Ach, ik wilde u komen zeggen, dat het vandaag 15 April is!"
"Nu al? Wat gaat de tijd toch gauw! Het is ongelooflijk. Ik zal
een nanking-broek moeten koopen. 15 April. Lieve Hemel, zonder u,
mijnheer Benoît zou ik er nooit aan gedacht hebben. Wat een dank ben
ik u verschuldigd!"
"U bent me ook honderd twee-en-zestig francs schuldig," viel mijnheer
Benoît hem in de rede. "En het wordt tijd, dat wij die kleine rekening
eens in orde maken!"
"Ik heb absoluut geen haast, mijnheer Benoît .... Ik wil u graag tijd
geven .... Die kleine rekening zal nog wel grooter worden ...."
"Maar u hebt mij al zoo dikwijls uitgesteld," merkte de huisheer op.
"Nu, dan zullen we de zaak in orde maken, mijnheer Benoît, het is mij
precies hetzelfde, vandaag of morgen ... En bovendien zijn we allen
sterfelijk .... Laten we dus de zaak in orde maken ...."
Een beminlijke glimlach speelde bij die woorden over het gerimpelde
gelaat van mijnheer Benoît; en zelfs zijn geldzak blies zich tot
hoopvolle verwachting op.
"Wat ben ik u schuldig?" vroeg Rodolphe.
"In de eerste plaats een kwartaal huur tegen vijf-en-twintig francs
per maand, dat maakt vijf-en-zeventig francs."
"Vergissingen buitengesloten," zeide Rodolphe. "En verder?"
"Verder drie paar schoenen à twintig francs."
"Een oogenblikje, mijnheer Benoît, een oogenblikje; laten we de
zaken niet verwarren; ik heb nu niet meer te doen met den huisheer,
maar met den laarzenmaker ... ik verlang daarvoor een afzonderlijke
rekening. Cijfers zijn ernstige dingen, daarbij moet je geen abuizen
maken."
"Voor mijn part," zeide mijnheer Benoît, zacht gestemd door de hoop,
dat hij eindelijk het woord: Voldaan onder de rekening zou kunnen
zetten. "Hier is een afzonderlijke nota voor het schoeisel. Drie paar
schoenen à twintig francs, maakt zestig francs."
Rodolphe wierp een medelijdenden blik op een paar afgeloopen schoenen.
"Helaas!" dacht hij, "wanneer de Wandelende Jood ze gedragen had,
zouden ze in geen deerniswaardiger toestand kunnen zijn. En toch
zijn ze door het naloopen van Marie zoo versleten .... Ga verder,
mijnheer Benoît."
"Ik zeide dus zestig francs," herhaalde deze. "Verder geleend
zeven-en-twintig francs."
"Wacht even, mijnheer Benoît. We hebben afgesproken, dat iedere
heilige zijn eigen nis zou krijgen. U hebt mij dat geld geleend als
vriend. Laten wij dus het gebied van het schoeisel verlaten en die
van het vertrouwen en van de vriendschap, welke een afzonderlijke
rekening vereischen, betreden. Hoe hoog loopt uw vriendschap voor mij?"
"Zeven-en-twintig francs."
"Zeven-en-twintig francs. Dan hebt u een vriend voor een koopje,
mijnheer Benoît. Enfin, laten we eens optellen: Vijf-en-zeventig,
zestig en zeven-en-twintig ... Dat is samen?"
"Honderd twee-en-zestig francs," zeide mijnheer Benoît en presenteerde
tegelijk de drie nota's.
"Honderd twee-en-zestig francs," zeide Rodolphe .... "dat is
merkwaardig. Wat is optellen toch een mooie kunst. Welnu, mijnheer
Benoît, nu de rekening in orde gebracht is, kunnen we beiden gerust
zijn en weten we waar we ons aan te houden hebben. De volgende maand
zal ik u vragen de rekening voor Voldaan te teekenen, en daar in dien
tijd het vertrouwen en de vriendschap, die gij voor mij koestert,
slechts grooter kunnen worden, zult u mij voor het geval, dat dit
noodig mocht zijn, opnieuw uitstel willen geven. Inmiddels zou ik,
wanneer de huisheer en de laarzenmaker al te veel op betaling
aandringen, den vriend vragen hen tot rede te brengen. Het is
merkwaardig, mijnheer Benoît, maar telkens als ik aan uw drievoudige
qualiteit van huisheer, laarzenmaker en vriend denk, voel ik de
neiging in mij opkomen aan de Drieëenheid te gelooven."
Terwijl Rodolphe sprak, was de huisheer tegelijk rood, groen, geel
en wit geworden, en bij iedere nieuwe spotternij van zijn huurder nam
deze regenboog der woede op zijn gelaat een meer intensieve kleur aan.
"Mijnheer," antwoordde hij ten slotte, "ik houd er niet van voor den
gek gehouden te worden. Ik heb lang genoeg gewacht. Ik zeg u de kamer
op en indien u mij vanavond het geld niet geeft .... zal ik zien wat
mij te doen staat ...."
"Geld! Geld! Vraag ik van u geld?" zeide Rodolphe. "En bovendien,
zelfs al had ik het, dan zou ik het u niet geven .... het is vandaag
Vrijdag, en dat brengt ongeluk aan ...."
De woede van mijnheer Benoît wakkerde aan tot een orkaan; en indien
de meubelen niet zijn eigendom geweest waren, zou hij ongetwijfeld
de pooten van een fauteuil stuk geslagen hebben.
In plaats daarvan ging hij, bedreigingen mompelend, weg.
"U vergeet uw geldzak!" riep Rodolphe hem achterna.
"Wat een baantje!" mompelde de jonge man, toen hij alleen was. "Ik
zou nog liever leeuwentemmer zijn."
"Maar," ging Rodolphe voort, terwijl hij uit zijn bed sprong en zich
vlug aankleedde, "hier kan ik niet blijven. De invasie der geallieerden
zal hiermede nog wel niet geëindigd zijn. Ik moet vluchten, moet
zelfs ontbijten. Wacht, als ik eens naar Schaunard ging. Ik kan bij
hem eten en hem een paar sous te leen vragen. Honderd francs zullen
voldoende voor mij zijn.... Naar Schaunard dus...."
Terwijl hij de trap afging, kwam hij mijnheer Benoît tegen, die
bij zijn andere huurders nieuwe échecs geleden had, wat zijn ledige
geldzak, in deze omstandigheden een luxevoorwerp, duidelijk aantoonde.
"Wanneer iemand naar me vraagt, moet u maar zeggen, dat ik buiten
ben ... in de Alpen of zoo ...." zeide Rodolphe. "Of nog beter,
dat ik hier niet meer woon."
"Dan zeg ik tenminste de waarheid," bromde mijnheer Benoît, terwijl
hij aan zijn woorden een bijzonderen nadruk gaf.
Schaunard woonde in Montmartre. Dus moest Rodolphe heel Parijs
door. Die wandeling was voor Rodolphe allergevaarlijkst.
"Vandaag," zeide hij tot zichzelf, "zijn de straten met schuldeischers
geplaveid."
Toch ging hij niet, zooals hij eigenlijk het liefst gedaan had, de
buitenboulevards. Een phantastische hoop drong hem den gevaarlijken
weg door het centrum van Parijs te volgen. Op een dag, dat de
millioenen in het openbaar op den rug der wisselloopers wandelen,
dacht Rodolphe, zou het heel goed kunnen gebeuren, dat een onderweg
vergeten billet van duizend francs op zijn Vincentius de Paula [22]
lag te wachten. Hij liep daarom langzaam en met zijn hoofd naar den
grond. Doch hij vond slechts twee spelden.
Na verloop van twee uur kwam hij eindelijk bij Schaunard aan.
"Zoo, ben jij het?" zeide deze.
"Ja, ik kom vragen, of ik bij je dejeuneeren mag."
"O je, dat treft slecht; ik heb zoo juist bezoek gehad van mijn
maîtresse, die ik in geen veertien daag gezien had; als je tien
minuten eerder was gekomen ...."
"Maar heb je dan niet een honderd francs voor me te leen?" viel
Rodolphe hem in de rede.
"Wat?" antwoordde Schaunard vol verbazing; "kom jij me ook al geld
vragen? Schaar je je bij mijn vijanden?"
"Ik zal ze je Maandag teruggeven."
"Of met St. Juttemis. Maar ben je dan vergeten, mijn waarde, welke
dag het vandaag is. Ik kan je onmogelijk helpen. Maar je behoeft
niet te wanhopen, de dag is nog niet om. Je kunt de Voorzienigheid
nog tegenkomen, die staat nooit vòòr twaalven op."
"Lieve Hemel!" zeide Rodolphe; "de Voorzienigheid heeft het veel te
druk met de vogeltjes. Ik zal liever maar naar Marcel gaan."
Marcel woonde toentertijd in de rue de Bréda. Rodolphe vond hem in
een gedrukte stemming zitten voor zijn groot doek, dat den doortocht
door de Roode Zee moest voorstellen.
"Wat scheelt eraan?" vroeg Rodolphe bij zijn binnenkomen, "je ziet
er zoo in-bedroefd uit."
"Ach God!" zeide de dichter; "ik leef nu al veertien dagen in de
Stille Week."
Voor Rodolphe was dit allegorische antwoord zoo helder als bronwater.
"Gezouten haring en ramenas! Dat ken ik!"
Inderdaad voelde Rodolphe nog altijd een zouten smaak in zijn mond,
wanneer hij dacht aan den tijd, dat hij tot het exclusieve gebruik
van die visschen gedoemd was.
"Alle duivels!" zeide hij, "dat is ernstig! Ik kwam je juist honderd
francs vragen."
"Honderd francs!" zeide Marcel .... "Je zweeft dus altijd nog in
fantastische regionen. Me deze mythologische som te komen vragen
op een tijdstip, dat je geregeld onder den aequator van de misère
zit. Heb je soms hatchiche [23] gebruikt?"
"Ik heb helaas heelemaal niets gebruikt!" zuchtte Rodolphe.
En hij liet zijn vriend aan het strand der Roode Zee achter.
Van twaalf tot vier uur zocht Rodolphe al zijn kennissen op; hij
doorliep de acht-en-veertig stadsdeelen en legde, doch zonder eenig
succes, acht mijlen af. De invloed van den 15den April deed zich
overal met dezelfde strengheid gelden; intusschen naderde het uur van
het diner. Maar het leek er niet veel op, dat het diner met het uur
naderde. Rodolphe had een gevoel, alsof hij op het vlot der Medusa was.
Toen hij den Pont Neuf over ging, viel hem plotseling iets in:
"O, o!" zeide hij tot zichzelf, terwijl hij rechtsomkeert maakte,
15 April, 15 April .... maar ik heb een uitnoodiging voor vandaag om
te dineeren."
Hij zocht in zijn zakken en vond er een gedrukt billet van den
volgenden inhoud: