In dien tijd was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die
hem niet kon uitstaan, en de thermometer van den ingenieur Chevalier
wees twaalf graden onder nul.
Mademoiselle Angèle was de dochter van mijnheer Monetti, den
kachelsmid-rookverdrijver, over wien we reeds meermalen gelegenheid
hadden te spreken. Mademoiselle Angèle was achttien jaar en pas
terug uit Bourgondië, waar zij vijf jaar doorgebracht had bij een
bloedverwante, van wie zij later moest erven. Die bloedverwante
was een oude vrouw, die nooit jong of mooi geweest was, maar altijd
kwaadaardig, niettegenstaande of liever omdat zij vroom was. Angèle,
die bij haar vertrek een bekoorlijk kind was, dat in haar jonge jaren
reeds een bekoorlijk meisje beloofde te worden, kwam na verloop van
vijf jaar als een knap, maar koel, droog, ongevoelig jong meisje
terug. Het teruggetrokken provincieleven, de overdreven godsdienstige
oefeningen en de bekrompen beginselen, volgens welke zij was opgevoed,
hadden haar geest vervuld met vulgaire en dwaze vooroordeelen,
haar phantasie lam geslagen en van haar hart een orgaan gemaakt,
dat zich er toe bepaalde zijn functie als bloedsomloop-regulateur te
vervullen. Angèle had, om zoo te zeggen, wijwater in plaats van bloed
in haar aderen. Bij haar terugkeer ontving zij hem met een ijskoude
reserve en Rodolphe trachtte ieder oogenblik vergeefs in haar de
teedere snaar der herinneringen weer te doen trillen, herinneringen
uit den tijd, toen zij samen de amourette à la Paul et Virginie
gespeeld hadden, die tusschen neef en nicht zoo dikwijls gespeeld
wordt. Toch was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle,
die hem niet kon uitstaan; en toen hij op een goeden dag hoorde, dat
het jonge meisje binnenkort naar een bal, dat ter gelegenheid van het
huwelijk van een harer vriendinnen gegeven werd, zou gaan, liet hij
zich door zijn hartstocht zoo ver medesleepen, dat hij Angèle voor dat
bal een bouquet viooltjes beloofde. En na toestemming van haar vader
gekregen te hebben, nam Angèle het galante aanbod van haar neef aan,
waarbij zij er echter op aandrong, dat zij witte viooltjes zou krijgen.
Gelukkig door de beminlijk- en vriendelijkheid van zijn nicht, ging
hij dansend en zingend naar zijn "St. Bernard" terug. Zoo noemde hij
zijn toenmalig domicilie; waarom zullen we dadelijk zien. Toen hij
door het Paleis Royal ging en voorbij den winkel van madame Provost,
de beroemde bloemiste, kwam, zag hij witte viooltjes in de etalage;
uit nieuwsgierigheid liep hij naar binnen, om den prijs ervan te
vragen. Een eenigszins toonbare bouquet kostte niet minder dan tien
francs, doch er bestonden er, die nog duurder waren.
"Alle duivels!" zeide Rodolphe; "tien francs, en nog maar acht dagen
tijd, om dat millioen te vinden. Dat zal moeite kosten; maar dat is
minder, mijn nicht krijgt haar bouquet. Ik heb al een idée."
Dit avontuur overkwam Rodolphe in den tijd, dat hij nog in zijn
litteraire genesis was. Al zijn inkomsten bestonden toen uit een
maandelijksche toelage van vijftien francs, welke hem toegekend
was door een van zijn vrienden, een groot dichter, die na een lang
verblijf te Parijs met behulp van de noodige kruiwagens schoolmeester
in de provincie geworden was. Rodolphe, aan wiens wieg de verkwisting
als peet gestaan had, kwam met die toelage precies vier dagen rond;
en daar hij het gewijde, maar weinig productieve beroep van elegisch
dichter niet wilde opgeven, leefde hij de rest van de maand van die
manna van het toeval, welke langzaam uit de korven der Voorzienigheid
druppelt. Doch die vastentijd had voor hem geen verschrikkingen;
hij bracht dien vroolijk door dank zij een stoïsche matigheid
en de schatten der phantasie, die hij dagelijks uitgaf, om den
eersten der maand te bereiken, dien Paaschdag, welke een einde
maakte aan zijn lijdenstijd. Rodolphe woonde toentertijd in de rue
Contrescarpe-Saint-Marcel in een groot gebouw, dat vroeger het hôtel
de l'Eminence grise heette, omdat vader Joseph, de vervloekte ziel van
Richelieu, daar gewoond zou hebben. Rodolphe woonde op de bovenste
verdieping van dat huis, een der hoogste van Parijs. Zijn kamer,
een soort belvédère, was in den zomer een heerlijke verblijfplaats;
maar van October tot April was het een klein Kamschatka. De vier
hoofdwinden, die door de vier vensters drongen, kwamen er gedurende
den geheelen winter de meest woeste quatuors uitvoeren. Als een ironie
zag men er nog een grooten schoorsteen, waarvan de groote opening een
eerepoort scheen te zijn voor Borreas [21] en zijn gevolg. Dadelijk bij
het intreden van de eerste koude had Rodolphe zijn toevlucht genomen
tot een bijzonder verwarmingssysteem, hij had namelijk de weinige
meubelen, die hij bezat, in regelmatige stukken gezaagd en na verloop
van acht dagen was zijn meubilair aanzienlijk verminderd; hij hield
niet meer dan zijn bed en twee stoelen over, waarbij de eerlijkheid nog
gebiedt te zeggen, dat die meubelen van ijzer waren en dus van nature
tegen brand verzekerd waren. Rodolphe had voor dit verwarmingsstelsel
den naam: "verhuizen door den schoorsteen" uitgedacht.
We waren dus in het midden van Januari, en de thermometer, die op den
Quai des Lunettes twaalf graden aanwees, zou zeker nog twee of drie
graden gedaald zijn, indien hij overgebracht was naar den belvédère,
waaraan Rodolphe de bijnamen St. Bernard, Spitsbergen en Siberië
gegeven had.
Den avond, waarop hij aan zijn nicht witte viooltjes beloofd had,
geraakte Rodolphe bij zijn thuiskomst in een heftige woede: de vier
hoofdwinden hadden bij hun spel in de vier hoeken der kamer nog een
ruit gebroken. Dat was in de laatste veertien dagen de derde. Rodolphe
barstte in woedende vervloekingen tegen Aeolus en zijn heele familie
Breekal los. Na dit nieuwe gat met het portret van een van zijn
vrienden gestopt te hebben, ging Rodolphe geheel gekleed tusschen de
twee wollen planken, die hij zijn matras noemde, liggen en droomde
den geheelen nacht van witte viooltjes.
Vijf dagen later had Rodolphe nog geen enkel middel gevonden, dat
hem zou kunnen helpen zijn droom te verwezenlijken, en toch moest hij
acht-en-veertig uur later den bouquet aan zijn nicht geven. Gedurende
dien tijd was de thermometer nog meer gedaald, en de ongelukkige
dichter was de wanhoop nabij bij de gedachte, dat de viooltjes
nog duurder geworden zouden zijn. Eindelijk had de Voorzienigheid
medelijden met hem en kwam hem op de volgende wijze te hulp.
Toen hij op een goeden morgen toevallig bij zijn vriend Marcel, den
schilder, ging dejeuneeren, vond hij hem in gesprek met een dame in
den rouw. Het was een weduwe, wier man pas kort geleden gestorven
was; zij kwam hem vragen naar den prijs van een manlijke hand, die
met het opschrift:
"Ik wacht u, geliefde vrouw"
geschilderd moest worden op het grafteeken, dat zij voor haar man
had laten oprichten.
Om het kunstwerk goedkooper te krijgen, liet zij den artist in den
loop van het gesprek doorschemeren, dat hij, wanneer God haar weer
met haar echtgenoot zou vereenigen, een tweede hand te schilderen zou
krijgen, haar met een armband versierde hand, en wel met een nieuw
opschrift, luidende:
"Eindelijk heeft God ons vereenigd"
"Ik zal die beschikking in mijn testament zetten," zeide de weduwe,
"met mijn uitdrukkelijken wil, dat u met de uitvoering ervan belast
zult worden."
"In dat geval, mevrouw," antwoordde de artist, "neem ik den prijs, die
u mij voorstelt, aan, maar dan reken ik ook op den handdruk. Vergeet
niet mij in uw testament te zetten."
"Ook zou ik graag zien, dat het werk zoo gauw mogelijk gereed was,"
zeide de weduwe; "maar neem er uw tijd voor, en vergeet vooral het
litteeken op den duim niet. Ik wil een goed gelijkende hand."
"Zij zal sprekend zijn, mevrouw, wees gerust," zeide Marcel, terwijl
hij de weduwe uitliet. Doch op den drempel keerde zij zich weer om.
"O ja, ik wou u nog graag wat vragen; ik zou graag op het graf van
mijn man nog een vers laten aanbrengen, waarin de edele levenswandel
en de laatste woorden, die hij op zijn sterfbed gesproken heeft,
vermeld worden. Staat dat voornaam?"
"Zeer voornaam .... men noemt dat een epitaphium .... het is heel
voornaam."
"Kent u niet iemand, die dat goedkoop voor mij zou kunnen maken? Ik
heb wel een buurman, mijnheer Guérin, den openbaren schrijver, maar
die is zoo peperduur."
Bij die woorden wierp Rodolphe Marcel een blik toe, dien deze dadelijk
begreep.
"Mevrouw," zeide de schilder en wees op Rodolphe, "een gelukkig
toeval heeft hier den persoon heen gevoerd, die u in deze droevige
omstandigheden zou kunnen helpen. Mijnheer hier is een uitstekend
dichter, u zoudt geen beteren kunnen vinden."
"Ik zou er zeer op staan, dat het heel treurige verzen zijn," zeide
de weduwe, "en dat er geen spelfouten in voor komen."
"Mevrouw," antwoordde Marcel, "mijn vriend kent de orthographie op
zijn duimpje: hij heeft op het college alle prijzen gewonnen."
"Zoo," zeide de weduwe; "mijn neefje heeft laatst ook een prijs
gekregen; en hij is toch pas zeven jaar."
"Een zeer voorspoedig kind, mevrouw," was Marcels antwoord.
"Maar," drong de weduwe aan, "kan mijnheer ook treurige verzen maken?"
"Beter dan wie ook, mevrouw, want hij heeft veel verdriet in zijn
leven gehad. Mijn vriend munt uit in treurige verzen; dat verwijten
de couranten hem zelfs wel eens."
"Wat?" riep de weduwe uit, "wordt er over hem in de couranten
geschreven? Dan is hij zeker even knap als mijnheer Guérin, de
openbare schrijver!"
"O, nog veel knapper! Wend u maar tot hem, mevrouw, u zult er geen
berouw over hebben."
Nadat de weduwe den dichter de bedoeling van het opschrift in verzen,
dat zij op het graf van haar man wilde laten aanbrengen, uiteengezet
had, stemde zij erin toe Rodolphe tien francs te geven, als het gedicht
in haar smaak viel; maar zij wilde de verzen heel gauw hebben. De
dichter beloofde ze haar den volgenden dag reeds door bemiddeling
van zijn vriend te zullen doen toekomen.
"O goede fee Artemisia," riep Rodolphe uit, toen de weduwe weg was,
"ik zweer je, dat je tevreden zult zijn; ik zal je een goede maat
dooden-lyriek geven, en mijn orthographie zal beter zijn dan die
van een hertogin. O goed oudje, moge, om u te beloonen, de hemel je
honderdzeven jaar laten leven evenals goede brandewijn!"
"Daar kom ik tegen op!" riep Marcel uit.
"Dat is waar ook!" zeide Rodolphe; "ik zou bijna vergeten, dat je
na haar dood nog een tweede hand te schilderen krijgt, en zoo'n lang
leven je dat geld dus zou doen verliezen." En zijn handen ten hemel
heffend, bad hij: "O, lieve God, verhoor mijn gebed niet! Hè," voegde
hij er aan toe, "dat is een bofje, dat ik hierheen gekomen ben."
"Ja, wat kwam je eigenlijk hier doen?" vroeg Marcel.
"Daar denk ik nu ook weer aan en vooral nu ik, om dat gedicht te
maken, den geheelen nacht op zal moeten blijven zitten, kan ik dat,
wat ik je kwam vragen, onmogelijk missen, n.l. 1e. wat eten; 2e. wat
tabak en een kaars; 3e. je ijsberencostuum."
"Ga je naar een bal masqué? O ja, dat is waar ook, vanavond wordt
het eerste gegeven."
"Neen, dat niet; maar zooals je me hier ziet, ben ik even bevroren
als het groote leger op zijn terugtocht uit Rusland. Mijn groen
wollen paletot en mijn broek van Schotsch merinos zijn ongetwijfeld
heel mooi, maar toch beter geschikt voor de lente en om onder den
equator te wonen; wanneer je echter, zooals ik, je tenten onder den
pool hebt opgeslagen, is een ijsberencostuum passender, ik zou bijna
zeggen, onmisbaar."
"Daar heb je de pels," zeide Marcel. "Het denkbeeld is niet kwaad,
het beest heeft een vurig gestel, en je zult je erin voelen als een
brood in een oven."
Rodolphe was intusschen reeds in de huid van het dier gekropen.
"Wat zal mijn thermometer gloeiend boos worden," zeide hij.
"Wil je in dat costuum de straat op?" zeide Marcel tot zijn vriend,
toen zij hun geheimzinnig diner, dat in schalen van vijf centimes
opgediend werd, naar binnen hadden gewerkt.
"Ik heb maling aan de heele wereld," zeide Rodolphe; "en bovendien
begint vandaag het carnaval."
En hij doorliep werkelijk heel Parijs in de ernstige houding van den
viervoeter, in wiens huid hij zich gestoken had. En toen hij voorbij
den thermometer van den ingenieur Chevalier kwam, trok hij er een
langen neus tegen.
Toen hij, niet zonder zijn concierge de stuipen van schrik op het lijf
gejaagd te hebben, weer boven op zijn kamer was, stak de dichter zijn
kaars aan, die hij, om de moedwillige streken van de Noordenwinden te
voorkomen, met een doorschijnend stuk papier omgaf, en ging dadelijk
aan het werk. Maar al heel gauw kwam hij tot de ontdekking, dat,
al was zijn lichaam vrijwel tegen de koude beschermd, zijn handen
het niet waren; en hij had nog geen twee verzen van zijn epitaphium
op het papier, of zijn vingers begonnen te tintelen van de koude en
lieten de pen vallen.
"Tegen de elementen kan zelfs de moedigste niet op," zeide Rodolphe,
die zich wanhopig achterover in zijn stoel liet vallen. "Caesar heeft
wel den Rubicon overgestoken, maar over de Beresina had hij nooit
kunnen komen."
Plotseling echter ontsnapte een kreet van vreugde aan het diepst van
zijn berenborst en stond hij zoo bruusk op, dat hij een deel van zijn
inkt liet vallen op het smettelooze wit van zijn pels: hij had een
idée, een nieuwen druk van het denkbeeld van Chatterton.
Hij haalde onder zijn bed een grooten stapel papieren te voorschijn,
waaronder zich een dozijn reusachtige manuscripten van zijn beroemd
drama Le Vengeur bevond. Dit drama, waaraan hij twee jaar gewerkt
had, was zoo dikwijls over- en omgewerkt, dat de gezamenlijke copieën
een gewicht van zeven kilogram vormden. Rodolphe legde het jongste
manuscript ter zijde en sleepte de overige naar den schoorsteen.
"Ik wist wel, dat het nog eens geplaatst zou worden," riep hij uit
.... "je moet echter geduld weten te hebben! Dat is toch zeker een
flink takkenbosje proza. O, als ik geweten had, wat er gebeuren zou,
dan had ik er nog een voorspel bij gemaakt en zou ik nu meer brandstof
hebben .... Maar je kunt niet alles van te voren weten."
En hij stak eenige bladen van het manuscript in brand en ontdooide
zijn handen bij de vlammen daarvan. Na vijf minuten was het eerste
bedrijf van Le Vengeur afgespeeld en had Rodolphe drie verzen van
zijn epitaphium gereed.
Niets ter wereld zou de verbazing der vier hoofdwinden hebben kunnen
schilderen, toen zij vuur in de haard zagen.
"Dat is gezichtsbedrog," blies de Noordenwind, die vroolijk in de
berenharen van Rodolphe speelde.
"Als we eens in den schoorsteen gingen blazen," antwoordde een andere
wind, "dan zou de haard heerlijk gaan rooken."
Maar juist toen zij den armen Rodolphe wilden gaan kwellen en
treiteren, zag de Zuidenwind mijnheer Arago voor een raam van het
observatorium zitten, vanwaar de geleerde met zijn vinger de vier
winden dreigde.
Onmiddellijk riep de Zuidenwind zijn broeders toe: "Laten we maken,
dat we weg komen, de almanak geeft voor dezen nacht stil weer aan;
wij zijn dus in tegenspraak met de sterrenwacht, en als we om twaalf
uur niet thuis zijn, zal mijnheer Arago ons school laten blijven."
Gedurende dien tijd brandde het tweede bedrijf van Le Vengeur met
groot succes. En Rodolphe had tien verzen geschreven. Maar tijdens
den duur van het derde bedrijf kon hij er slechts twee schrijven.
"Ik heb altijd gevonden, dat die acte te kort was," mompelde Rodolphe;
"maar je merkt die fouten altijd pas bij de opvoering. Gelukkig zal
het volgende bedrijf langer duren: drie-en-twintig scènes, waaronder
de troonscène, die het tooneel van mijn roem had moeten zijn."
De slotwoorden der troonscène gingen in vlammen op, toen Rodolphe
nog een strophe van zes regels te schrijven had.
"En nu het vierde bedrijf," zei hij, terwijl zijn gezicht van dichtvuur
gloeide. "Dat zal wel vijf minuten duren, het is heelemaal monoloog."
Hij ging over tot de ontknooping, die opvlamde en onmiddellijk weer
uitging. Op hetzelfde oogenblik vatte Rodolphe de laatste woorden
van den overledene, te wiens verheerlijking hij gewerkt had, in een
prachtvolle lyrische ontboezeming samen.
"Er blijft nog genoeg over voor een tweede opvoering," zeide hij,
terwijl hij de overgebleven manuscripten weer onder het bed schoof.
Den volgenden avond om acht uur deed mademoiselle Angèle haar
intrede in de balzaal met een prachtigen bouquet witte viooltjes,
in het midden waarvan twee pas-ontloken witte rozen prijkten. Den
geheelen avond kreeg zij om dien bouquet complimentjes van de
dames en galante vleierijen van de heeren te hooren. Angèle was
haar neef, die haar al die kleine voldoeningen van haar eigenliefde
verschaft had, dan ook wel eenigermate dankbaar, en misschien zou
zij, wanneer een bloedverwant der bruid, met wien zij verscheidene
malen gedanst had, niet steeds om haar heen gedraaid had, nog meer
aan hem gedacht hebben. Dat familielid was een jonge blonde man met
een prachtige, kurkentrekkerachtig opgedraaide snor, de echte angel,
waaraan onervaren jonge meisjesharten blijven hangen. De jonge man
had Angèle reeds gevraagd om de twee witte rozen, die alleen nog
waren overgebleven van den bouquet, waarvan iedereen een viooltje
geplukt had .... Maar Angèle had geweigerd, doch alleen om ze tegen
het einde van het bal te lagen liggen op een stoeltje, waarvan de
blonde jongeling ze onmiddellijk ging weghalen.
Op dat oogenblik vroor het veertien graden in den belvédère van
Rodolphe, die, geleund voor zijn venster, in de richting van de
barrière du Maine keek naar de lichten van de balzaal, waar Angèle
danste, die hem niet uit kon staan.