WAT EEN VIJFFRANCSSTUK KOST.

Op een Zaterdagavond in den tijd, dat hij nog niet met mademoiselle

Mimi "was", met wie we weldra kennis zullen maken, leerde Rodolphe

aan zijn table-d'hôte een handelaarster in mode-artikelen,

mademoiselle Laure geheeten, kennen. Toen zij gehoord had, dat

Rodolphe hoofdredacteur van de Echarpe d'Iris en van den Castor,

twee modebladen, was, begon zij, in de hoop, dat hij reclame voor

haar artikelen zou maken, op vrij in het oog loopende wijze met hem

te coquetteeren. Op die uitdagingen had Rodolphe geantwoord met een

vuurwerk van galante complimentjes, die Benserade, Voiture en alle

Ruggieri's van den precieusen stijl jaloersch gemaakt zouden hebben;

en toen zij na afloop van het diner vernam, dat Rodolphe dichter was,

gaf zij hem heel duidelijk te verstaan, dat zij niet ongeneigd was

hem als haar Petrarca aan te nemen. Zelfs stond zij hem zonder veel

omhaal van woorden een rendez-vous voor den volgenden dag toe.

"Bij Juppiter!" zeide Rodolphe tot zichzelf, toen hij

mademoiselle Laure naar huis bracht, "dat is beslist een beminlijke

persoonlijkheid. Het lijkt wel, dat zij over een voldoende grammatica

en een rijk voorziene garde-robe beschikt. Ik ben werkelijk wel

geneigd haar gelukkig te maken."

Toen zij bij de deur van haar huis gekomen was, liet mademoiselle

Laure den arm van Rodolphe los en dankte hem hartelijk voor de moeite,

die hij zich getroost had, om haar naar een zoo afgelegen stadswijk

te brengen.

"O, madame," antwoordde Rodolphe met een buiging, waarbij zijn gezicht

op den grond kwam, "ik wilde, dat u te Moskou of op de Sunda-eilanden

woonde, alleen om nog langer uw cavalier te kunnen zijn!"

"Dat is wel wat erg ver!" antwoordde Laure gemaakt.

"We zouden over de boulevards gegaan zijn, madame," zeide Rodolphe. "En

sta mij toe, u, in den persoon van uw wang, de hand te kussen,"

vervolgde hij, terwijl hij Laure, voor zij het verhinderen kon,

een kus op de lippen drukte.

"O, mijnheer," kirde zij, "dat gaat te vlug."

"Ja, maar dan bereik ik ook eerder mijn doel," zeide Rodolphe. "In

de liefde moeten de eerste afstanden in galop worden afgelegd."

"Een type!" dacht de modiste, terwijl zij naar binnen ging.

"Een allerliefst persoonlijkheidje," zeide Rodolphe, toen hij naar

huis wandelde.

Zoodra hij op zijn kamer was, ging hij naar bed en droomde de zoetste

droomen. Hij zag zich op bals, in de schouwburgen en op wandelplaatsen

met Laure aan zijn arm, die nog mooiere japonnen dan die, welke in

de sprookjes van Moeder de Gans voorkomen, aan had.

Volgens zijn gewoonte stond Rodolphe den volgenden dag om elf uur

op. Zijn eerste gedachte was voor mademoiselle Laure.

"Een heel beschaafde vrouw," mompelde hij. "Ik ben er zeker van,

dat zij te Saint-Denis is opgevoed. Ik zal dus eindelijk het geluk

leeren kennen een maîtresse te bezitten, die er warmpjes in zit. Ik

moet mij offers voor haar getroosten. Ik zal dus mijn geld aan de

Echarpe d'Iris gaan halen, een paar handschoenen koopen en met Laure

gaan dineeren in een restaurant, waar ze servetten geven. Mijn rok

is wel niet heel mooi meer, maar zwart kleedt toch altijd goed!"

En hij ging naar het bureau van de Echarpe d'Iris.

Op straat zag hij echter in den omnibus groote affiches met de woorden:

"Heden, Zondag, springen de waterwerken te Versailles."

Het inslaan van den bliksem vlak voor zijn voeten zou op Rodolphe

geen dieperen indruk gemaakt hebben dan het zien van dat affiche.

"Het is vandaag Zondag! Dat was ik heelemaal vergeten!" riep hij

uit. "Dan krijg ik nergens geld vandaag. Zondag! Alles wat in Parijs

daalders heeft, is al op weg naar Versailles."

Desniettemin liep Rodolphe, voortgedreven door een van die fabelachtige

verwachtingen, waaraan de mensch zich steeds vastklampt, zoo snel als

zijn beenen hem dragen konden, naar het bureau van zijn blad. Misschien

zou een gelukkig toeval den kassier daar gebracht hebben.

Mijnheer Boniface was er inderdaad geweest, doch onmiddellijk weer

vertrokken.

"Hij is naar Versailles," zeide de loopjongen.

"Dat is verkeken," zeide Rodolphe.... "Maar wacht eens even. Het

rendez-vous is vanavond pas. Het is nu twaalf uur, ik heb dus nog

vijf uur om vijf francs te vinden--dat is twintig sous per uur,

net als de paarden in het Bois de Boulogne. En nu voorwaarts marsch!"

Daar hij juist in het stadsdeel was, waar een journalist woonde,

dien hij den invloedrijken criticus noemde, besloot hij bij dezen

een poging te wagen.

"Ik vind hem zeker thuis," zeide hij, terwijl hij de trap opliep;

"het is vandaag zijn feuilletondag, dus gaat hij niet uit. Ik zal

van hem vijf francs leenen."

"Ha, ben jij het!" zeide de criticus, toen hij Rodolphe zag, "je komt

als geroepen; ik heb je een kleinen dienst te vragen."

"Dat treft prachtig!" dacht de redacteur van de Echarpe d'Iris.

"Was je gisteren in den Odéon?"

"Daar ben ik altijd!"

"Je hebt dus het nieuwe stuk gezien?"

"Wie zou het anders gezien hebben? Het publiek van den Odéon ben ik!"

"Dat is waar ook," zeide de criticus. "Je bent een der steunpilaren

van dien schouwburg. Er loopt zelfs een gerucht, dat je subsidie

geeft. Doch om op de zaak terug te komen, kan je me geen overzicht

van het nieuwe stuk geven?"

"Niets makkelijker dan dat. Ik heb het geheugen van een schuldeischer."

"Van wien was het stuk?" vroeg de journalist aan Rodolphe, terwijl

deze aan het schrijven was.

"Van een mijnheer."

"Dan zal het geen sterk stuk zijn."

"In geen geval zoo sterk als een Turk."

"Dan is het ook niet sterk. Want de Turken hebben geheel ten onrechte

den naam van sterk te zijn. Zij zouden hier nog niet eens voor

schoorsteenvegers deugen."

"En waarom niet?"

"Omdat alle schoorsteenvegers Savoyaards zijn, en alle Savoyaards

weer Auvergners, en alle Auvergners weer kruiers zijn. En bovendien

zijn er geen Turken meer, behalve op de bals masqués in de voorsteden

en op de Champs Elysées, waar zij dadels verkoopen. De Turk is een

vooroordeel. Een van mijn vrienden kent het Oosten heel goed en die

heeft me verzekerd, dat al de onderdanen van die natie geboren zijn

in de rue Coquenard."

"Alleraardigst!"

"Vind je?" vroeg de criticus. "Dan zet ik het in mijn feuilleton."

"Hier heb je de analyse van het stuk," zeide Rodolphe. "Gauw gedaan,

wat?"

"Dat wel, maar het is verduiveld kort."

"Wanneer je er wat gedachtenstreepjes bij zet en je kritische opinie

ontwikkelt, neemt het plaats genoeg in."

"Daar heb ik geen tijd voor, mijn waarde, en bovendien beslaat mijn

kritische meening zooveel plaats niet."

"Dan zet je er om de drie woorden een adjectief bij."

"Zou je aan de analyse niet een korte, of liever een lange beschouwing

over het stuk kunnen vasthechten?" vroeg de criticus.

"Och," zeide Rodolphe, "ik heb wel mijn bepaalde ideeën over de

tragedie, maar ik waarschuw je, dat ik ze al driemaal in den Castor

en in de Echarpe d'Iris heb laten afdrukken."

"Dat is minder; hoeveel regels beslaan je ideeën?"

"Veertig regels."

"Bliksems, jij hebt groote ideeën! Nou, wil je me je veertig regels

leenen?"

"Prachtig!" dacht Rodolphe. "Als ik hem voor twintig francs copie

lever, zal hij mij geen vijf francs kunnen weigeren. Ik moet je

echter eerlijk bekennen," zeide hij vervolgens tot den criticus, "dat

mijn denkbeelden niet bepaald nieuw zijn. Zij zijn aan den elleboog

een beetje doorgesleten. Voor ik ze liet drukken, heb ik ze in alle

koffiehuizen van Parijs uitgebazuind: er is geen kellner in Parijs,

die ze niet uit zijn hoofd kent."

"Wat kan mij dat schelen?.... Je kent me nog niet. Is er, uitgezonderd

de deugd, iets nieuws in de wereld?"

"Hier!" zeide Rodolphe toen hij klaar was.

"Donder en bliksem! Er mankeeren nog twee kolom... Waarmede dien

afgrond te dempen? Kom, lever me, nu je toch hier bent, nog een

paar paradoxen!"

"Ik heb er van mijzelf niet bij me," zeide Rodolphe; "maar ik kan

je er wel een paar leenen; ze zijn echter niet van mij; ik heb ze

voor vijftig centimes van een vriend, die in geldverlegenheid zat,

gekocht. Ze hebben nog maar heel weinig dienst gedaan."

"Des te beter!" zeide de criticus.

"Het gaat goed!" zeide Rodolphe tot zichzelf, terwijl hij weer begon

te schrijven; "ik vraag hem minstens tien francs; in dezen tijd zijn

de paradoxen even duur als jonge patrijzen."

En hij schreef een dertig regels, waarin hij zottenpraat uitkraamde

over piano's, goudvisschen, de school van het gezond verstand en

Rijnwijn, dien hij toiletwijn noemde.

"Prachtig," zeide de criticus; "doe mij nu nog het genoegen er bij

te schrijven, dat het bagno de plaats in de wereld is, waar je de

meeste rechtschapen menschen vindt."

"Waarom?"

"Om nog twee regels te vullen. Zoo, dat is in orde," zeide de

invloedrijke criticus en riep zijn bediende, om zijn feuilleton naar

de drukkerij te brengen.

"En nu," zeide Rodolphe; "de koe bij de horens gevat!" En hij deed

plechtig en ernstig zijn verzoek.

"O je, mijn waarde," zuchtte de criticus, "ik heb zelf geen sou in

huis. Lolotte ruïneert me met pomade en zooeven heeft zij mij tot

mijn laatste halve duit uitgeschud om naar Versailles te gaan en de

Nereïden en andere bronzen monsters water te zien spuwen."

"Naar Versailles?" vroeg Rodolphe. "Is het vandaag dan een epidemie?"

"Maar waarom heb je geld noodig?"

"Ziehier het geval," antwoordde Rodolphe. "Om vijf uur heb ik een

afspraak met een vrouw van de wereld, een gedistingeerde dame, die

altijd in een omnibus uitgaat. Ik zou gaarne voor eenige dagen mijn

lot aan het hare verbinden; en daarom komt het mij passend voor haar

de zoetheden des levens te laten smaken. Diner, bal, wandelingen

enz. enz. Ik heb absoluut vijf francs noodig; als ik ze niet vind,

is in mijn persoon de geheele Fransche litteratuur onteerd."

"Waarom leen je die som niet van die dame zelf?" vroeg de criticus.

"Dat gaat den eersten keer niet. Alleen jij kunt mij redden!"

"Bij alle mummies van Egypte zweer ik je op mijn woord van eer, dat

ik zelfs geen geld heb, om een pijp van een sou of een panatella

te koopen. Maar ik heb daar een paar boeken, die je zoudt kunnen

verkoopen."

"Vandaag, op Zondag, onmogelijk. Moeder Mansut, Lebigre en alle winkels

op de kaden en in de rue Saint-Jacques zijn gesloten. En wat zijn het

voor boeken? Zeker gedichten met het portret van den schrijver. Maar

die dingen zijn onverkoopbaar."

"Tenzij je er door de rechtbank toe veroordeeld wordt. Doch wacht

even, daar heb je nog een bundel romances en een paar billetten voor

concerten. Wanneer je het wat handig aanlegt, zou je er best wat geld

van kunnen maken."

"Ik zou liever wat anders meenemen, een broek bijv."

"Daar," zeide de criticus, "neem dien Bossuet en die gipsbuste

van Odilon Barrot nog mee; maar op mijn woord van eer, dat is het

penningske der weduwe."

"Ik zie in ieder geval je goeden wil," zeide Rodolphe. "Ik neem de

schatten mede, maar als ik er dertig sous voor krijg, dan beschouw

ik dat kunststuk als het dertiende werk van Hercules."

Nadat hij ongeveer vier mijl had afgelegd, slaagde hij er met behulp

van een welsprekendheid, waarvan hij bij groote gelegenheden het geheim

bezat, in bij zijn waschvrouw twee francs te leenen, waarvoor hij de

deelen poëzie, de romances en de buste van Barrot in pand moest geven.

"Kom," zeide hij, toen hij de bruggen weer overging, "dat is tenminste

de jus, nu moet ik het vleesch nog zien te vinden. Als ik eens naar

mijn oom ging!"

Een half uur later was hij bij zijn oom Monetti, die op het gelaat

van zijn neef dadelijk las, waarom het ging. Hij was dus op zijn

hoede en voorkwam iedere vraag door een serie klachten als:

"Het zijn moeilijke tijden: het brood is duur, de klanten betalen niet,

de huur moet worden opgebracht, de handel zit in het moeras enz. enz.,"

en al de verdere huichelachtige klachten van winkeliers.

"Zou je wel willen gelooven," zeide de oom, "dat ik genoodzaakt ben

geld te leenen van mijn bediende, om een wissel te betalen?"

"Dan hadt u mij even een boodschap moeten sturen," zeide Rodolphe. "Ik

zou u het geld gaarne geleend hebben; drie dagen geleden heb ik

tweehonderd francs gekregen."

"Ik vind het heel aardig van je, jongen, maar je hebt zelf je geld

noodig .... Maar zeg, nu je toch hier bent, zou je wel even een

paar rekeningen voor me kunnen schrijven, die ik wil laten innen;

je schrijft zoo'n mooie hand."

"O je, die vijf francs zullen me duur kosten," zeide Rodolphe,

terwijl hij zich aan het werk zette, dat hij zooveel mogelijk bekortte.

"Beste oom," zeide hij, "daar ik weet, dat u een groot muziekliefhebber

bent, heb ik een paar entrée's voor u medegebracht."

"Heel vriendelijk van je, jongen. Wil je bij me blijven dineeren?"

"Neen, dank u, oom; ik word in den Fauborg St. Germain op een diner

verwacht. Ik verkeer zelfs eenigszins in verlegenheid, omdat ik geen

tijd meer heb om geld te gaan halen, om handschoenen te koopen."

"Heb je geen handschoenen bij je? Wil je de mijne leenen?"

"Dat zal niet gaan; we hebben hetzelfde nummer niet; maar u zoudt

mij verplichten mij te leenen...."

"Negen-en-twintig sous, om een paar te koopen? Zeker, jongen, daar

heb je ze. Wanneer je in gezelschap komt, moet je fatsoenlijk voor

den dag komen. Beter benijd dan beklaagd, zeide je tante altijd. Ik

ben blij, dat je in betere kringen komt .... Ik zou je wel wat meer

gegeven hebben, maar ik heb op het oogenblik hier in het kantoor niet

meer; ik zou naar boven moeten en ik kan den winkel niet alleen laten:

ieder oogenblik komen er koopers."

"En u vertelde daarnet, dat het zoo slecht met den handel ging!"

Oom Monetti deed, of hij die opmerking niet hoorde en zeide tot zijn

neef, die de negen-en-twintig sous in zijn zak stak:

"Je behoeft je niet te haasten, om ze terug te geven."

"Wat een gierige brok!" zeide Rodolphe, terwijl hij zich

wegspoedde. "Nu ontbreken me nog een-en-dertig sous. Waar die

te vinden? Wacht, een idee, laat ik naar den viersprong van de

Voorzienigheid gaan."

Dat was de naam, dien Rodolphe gaf aan het meest centrale punt van

Parijs, d. w. z. het Palais Royal, een plek, waar het bijna onmogelijk

is tien minuten te blijven staan zonder tien personen te ontmoeten,

die je kent, vooral schuldeischers.

Rodolphe ging dus op het bordes van het Palais-Royal op wacht

staan. Ditmaal liet de Voorzienigheid zich lang wachten. Eindelijk

meende Rodolphe haar te zien. Zij had een witten hoed, een groenen

paletot en een wandelstok met een gouden knop .... een zeer elegant

gekleede Voorzienigheid dus.

Het was een voorkomende en bemiddelde, maar eenigszins woordenrijke

jongeling.

"Ik ben blij je te zien," zeide hij tot Rodolphe; "loop een eindje

mede, dan kunnen we wat praten."

"Ach, ik zal die woordenmarteling maar ondergaan," mompelde Rodolphe,

terwijl hij zich door den witten hoed liet medenemen, die hem inderdaad

zijn trommelvlies half kapot praatte.

Toen zij bij den Pont des Arts kwamen, zeide Rodolphe:

"Ik moet je nu verlaten, daar ik geen geld heb, om de tol voor de

brug te betalen."

"Kom maar mee," antwoordde de witte hoed, terwijl hij den invalide

twee sous toewierp.

"Nu is het oogenblik gekomen," dacht de redacteur van de Echarpe

d'Iris, toen hij de brug overliep; aan het einde ervan bij de klok

van het Instituut gekomen, bleef Rodolphe plotseling staan, wees met

een wanhopig gebaar naar de wijzerplaat en riep uit:

"Vervloekt! Kwart voor vijf. Ik ben verloren."

"Wat is er?" zeide de andere verwonderd.

"Wel, dat ik door jouw schuld een rendez-vous verzuim."

"Een belangrijk?"

"Dat zou ik denken .... Ik moest om vijf uur geld gaan halen .... in

Batignolles .... Ik zal er nooit op tijd zijn .... Bliksems! Wat moet

ik beginnen?"

"Dat is nogal eenvoudig," zeide de woordenrijke, "ga met mij mee naar

huis, dan zal ik je wat leenen."

"Onmogelijk! Je woont in Montrouge, en om zes uur moet ik voor een

zaak in de Chaussée-d'Antin zijn .... Een beroerde geschiedenis!"

"Ik heb wel een paar sous op zak," zeide de Voorzienigheid bescheiden

.... "maar niet veel."

"Als ik genoeg had om een bakje te nemen, dan zou ik misschien nog

op tijd in Batignolles kunnen zijn."

"Hier heb je den inhoud van mijn beurs, mijn waarde, een-en-dertig

sous."

"Geef maar gauw hier, dan maak ik, dat ik weg kom!" zeide Rodolphe,

die het vijf uur had hooren slaan, en hij haastte zich naar de plaats

van zijn rendez-vous.

"Dat is een heele toer geweest," zeide hij, terwijl hij zijn geld

telde. "Honderd sous, precies op den kop af. Enfin, ik ben nu

gered, en Laure zal zien, dat zij te doen heeft met een man, die

savoir-vivre heeft. Ik wil vanavond met geen centime thuis komen. Ik

moet de litteratuur weer tot eer brengen en bewijzen, dat het haar

beoefenaars slechts aan geld ontbreekt, om rijk te zijn."

Rodolphe vond mademoiselle Laure op de afgesproken plaats.

"Nou," zeide hij tot zichzelf, "wat stiptheid betreft, lijkt zij wel

een chronometer."

Hij bracht den avond met haar door en smolt zijn vijf francs dapper

in den smeltkroes der verkwisting. Mademoiselle Laure was verrukt

over zijn manieren en was wel zoo goed eerst te merken, dat Rodolphe

haar niet naar haar huis terugbracht vóór het oogenblik, dat hij haar

zijn kamer liet binnentreden.

"Het is verkeerd wat ik doe," zeide zij. "Zorg, dat ik er geen berouw

over moet hebben door een ondankbaarheid, die uw sexe eigen is."

"Madame," zeide Rodolphe, "ik sta bekend voor mijn bestendigheid, en

wel in dien mate, dat al mijn vrienden zich over mijn trouw verwonderen

en mij den bijnaam gegeven hebben van generaal Bertrand der Liefde."

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 23 / 77 题