MADEMOISELLE MUSETTE.

Mademoiselle Musette was een knap meisje van twintig jaar, die kort

na haar komst te Parijs dat geworden was, wat knappe meisjes worden,

wanneer zij een mooie taille, veel coquetterie, een weinig eerzucht

en in het geheel geen orthographie bezitten. Nadat zij langen tijd de

vreugde had uitgemaakt der soupers van het Quartier Latin, waar zij

met altijd frissche, hoewel niet steeds zuivere stem een groot aantal

landelijke liedjes zong, die haar den naam gaven, waaronder de beste

rijmsmeden haar sedert gevierd hebben, verliet mademoiselle Musette

plotseling de Rue de la Harpe, om de aan Venus gewijde hoogten van

het Quartier Bréda te gaan bewonen.

Al heel spoedig werd zij een der toonaangeefsters van de aristocratie

van het genot en langzamerhand kwam zij tot die beroemdheid, welke

daarin bestaat, dat men in de Parijsche couranten genoemd wordt of

bij alle kunsthandelaars uitgestald staat.

En toch was mademoiselle Musette een uitzondering onder de vrouwen,

in wier midden zij leefde. Evenals alle ware vrouwen was zij van nature

elegant en dichterlijk en hield zij van luxe en van alle genietingen,

die daarvan het gevolg zijn; in haar coquetterie had zij een gloeiend

verlangen naar al wat mooi en voornaam was, en zij zou, hoewel zij

een dochter uit het volk was, volstrekt niet misplaatst geweest zijn

te midden van de koninklijkste pracht en pronk. Doch mademoiselle

Musette, die zelf jong en knap was, zou er nooit in toegestemd hebben

de maîtresse te worden van een man, die niet eveneens jong en knap

zou zijn. Men had haar dan ook eens de prachtige aanbiedingen hooren

weigeren van een grijsaard, die zoo rijk was, dat hij de Croesus van

de Chaussée-d'Antin genoemd werd, en aan Musette gouden bergen beloofd

had. Intelligent en geestig als zij was, kon zij evenmin dwazen en

fatten uitstaan, hoe ook hun leeftijd, hun titel en hun naam was.

Musette was dus een flink, knap meisje, dat in liefdesaangelegenheden

de helft van Champforts beroemd aphorisme: "De liefde is de

uitwisseling van twee phantasieën" tot het hare maakte. [17]

Haar liaisons werden dan ook nooit voorafgegaan door een van die

schandelijke koopcontracten, welke de tegenwoordige galanterie

onteeren. Zij speelde, zooals zij zelf zeide, altijd een eerlijk en

open spel, en eischte, dat men haar oprechtheid met dezelfde munt

terugbetaalde.

Maar al waren haar neigingen heftig en spontaan, toch waren

zij nooit duurzaam genoeg, om te stijgen tot de hoogte van een

hartstocht. De buitensporige onbestendigheid van haar grillen

en de groote onverschilligheid, die zij had voor de beurzen en

spaarpenningen van hen, die haar het hof maakten, brachten een even

buitensporige onbestendigheid in haar bestaan, dat een eeuwigdurende

wisseling was tusschen eigen equipage en omnibus, tusschen bel-étage

en vijfde verdieping, zijden japonnen en katoenen rokjes. Bekoorlijk

meisje, levend gedicht van jeugd met uw helderen lach en vroolijk

lied! Medelijdend hart, dat onder het even-geopende boezemlijfje

voor iedereen klopt! mademoiselle Musette, zuster van Bernerette en

Mimi Pinson! [18] Ik zou de pen van Alfred de Musset moeten hebben,

om uw zorgelooze zwerftochten op de bloeiende paden der jeugd naar

waarde te verhalen; en zeker zou hij u ook hebben willen bezingen,

indien hij, evenals ik, u met uw lieve, valsche stem dit ongekunstelde

couplet uit een van uw lievelingsliederen had hooren voordragen:

C'était un beau jour de printemps

Que je me déclarai l'amant,

L'amant d'une brunette

Au coeur de Cupidon,

Portant fine cornette

Posée en papillon.

De geschiedenis, die wij nu gaan vertellen, is een der bekoorlijkste

episoden uit het leven van deze bekoorlijke gelukzoekster, die zich

aan het oordeel der wereld al heel weinig gelegen liet.

Ten tijde, dat zij de maîtresse was van een jongen staatsraad, die

haar galant den sleutel van zijn erfdeel in handen gegeven had, placht

mademoiselle Musette eens per week een soirée te geven in haar aardig

klein salonnetje in de rue de la Bruyère. Deze avondpartijen geleken

op de meeste Parijsche soirées, met dit verschil, dat de gasten zich

hier werkelijk amuseerden; wanneer er niet genoeg ruimte was, ging de

een op den schoot van den ander zitten; en meermalen gebeurde het,

dat twee uit hetzelfde glas dronken. Rodolphe, die de vriend van

Musette was en die nooit iets anders dan haar vriend was (zij hebben

geen van beiden ooit geweten, waarom), vroeg Musette op een goeden

dag, of hij zijn vriend Marcel niet eens mocht medebrengen--"een

talentvollen jongen", zeide hij, "voor wien de toekomst bezig is een

rok van de Académie te borduren."

"Breng hem maar mee," antwoordde Musette.

Den avond nu, dat zij samen naar Musette zouden gaan, ging Rodolphe

Marcel afhalen. De kunstenaar was bezig zijn toilet te maken.

"Wat?" vroeg Rodolphe, "wil jij met een gekleurd overhemd in gezelschap

verschijnen?"

"Kwetst dat dan de etiquette?" zeide Marcel kalm.

"Of het die kwetst? Tot bloedens toe, ongelukkige."

"Bliksems!" vloekte Marcel met een blik op zijn overhemd, waar op

een blauwen achtergrond wilde zwijnen door een troep honden vervolgd

werden; "ik heb hier geen ander. Enfin, ik weet er niets anders op

dan dat ik een vadermoorder aantrek; niemand zal dan de kleur van

mijn overhemd zien, daar ik Methusalem tot mijn hals kan toeknoopen."

"Wat?" zeide Rodolphe ongerust, "trek je Methusalem weer aan?"

"Ik moet wel!" was Marcels antwoord. "God wil het, en mijn kleermaker

ook; trouwens er zijn pas nieuwe knoopen aangezet, en ik heb hem pas

met Frankfurter zwart opgeknapt."

Methusalem was de rok van Marcel; hij noemde dien zoo, omdat het de

doyen van zijn garde-robe was. Methusalem was naar de laatste mode

van vier jaar geleden en schreeuwend groen van kleur. Marcel echter

beweerde, dat hij er bij kunstlicht zwart uitzag.

Vijf minuten later was Marcel met zijn toilet klaar; hij was met

den meest volkomen slechten smaak gekleed: precies een kladschilder,

die voor het eerst in de wereld gaat.

Mijnheer Casimir Bonjour zal den dag, waarop men hem zal komen

vertellen, dat hij tot lid van het Instituut gekozen is, nooit zoo

verwonderd kunnen zijn als Marcel en Rodolphe waren, toen zij bij

het huis van mademoiselle Musette kwamen. Ziehier de reden van hun

verbazing: mademoiselle Musette, die sedert eenigen tijd met haar

vriend den staatsraad gebrouilleerd was, was op een zeer kritiek

oogenblik door hem in den steek gelaten. In opdracht van haar

schuldeischers en van haar huisbaas waren haar meubels in beslag

genomen en naar beneden gebracht, om den volgenden dag weggehaald en

verkocht te worden. Niettegenstaande dit incident kwam het in Musette

geen oogenblik op haar gasten in den steek te laten of de soirée

af te zeggen. Met den meesten ernst liet zij de binnenplaats in een

salon veranderen, legde zelf een tapijt op de steenen, maakte alles

zooals gewoonlijk in orde, kleedde zich om haar gasten te ontvangen

en noodigde al de medebewoners van het huis op haar klein feestje, ter

opluistering waarvan de goede God voor een mooie illuminatie zorgde.

Deze grap had een groot succes, nooit had er op de soirées van Musette

zoo'n prettige en opgewekte toon geheerscht; er werd nog gezongen

en gedanst, toen de witkielen de meubels, tapijten en divans kwamen

halen en daardoor het gezelschap noodzaakten weg te gaan.

Musette deed al haar gasten uitgeleide met het gezang:

"On en parlera longtemps, la ri ra,

De ma soirée de jeudi;

On en parlera longtemps, la ri ri."

Slechts Marcel en Rodolphe bleven bij Musette, die naar haar kamer

gegaan was, waar alleen het bed nog maar stond.

"Hè," zeide Musette; "ik vind nu mijn avontuur lang zoo aardig niet

meer; ik zal in het hotel De Bloote Hemel moeten gaan logeeren;

ik ken het heel goed, het kan er zoo gemeen tochten."

"O, mevrouw," zeide Marcel, "als ik de rijkdommen van Plutus bezat, dan

zou ik u een tempel, schooner dan die van Salomo, aanbieden, maar ..."

"Ge zijt geen Plutus, vriendlief. Maar dat is minder, ik ben je toch

dankbaar voor je goede bedoeling .... Maar kom!" voegde zij eraan

toe, terwijl zij haar blik door de kamer liet gaan; "ik verveelde me

hier, en bovendien werd het meubilair oud; ik heb het nu al bijna zes

maanden. Maar dat is niet alles; na het bal wordt er toch gesoupeerd,

en ik zou graag wat consumeeren."

"Laten we dan consou-peeren," zeide Marcel, die aan een

woordspelingziekte leed, welke vooral in de ochtenduren zich deed

gelden.

Daar Rodolphe 's avonds bij het lansquenetspel een klein sommetje

gewonnen had, nam hij Musette en Marcel mede naar een restaurant,

dat juist geopend was.

Na het déjeuner besloten zij, daar zij volstrekt geen lust hadden te

gaan slapen, den dag in het vrije veld te gaan doorbrengen; en daar

zij vlak bij een station waren, stapten zij in den eersten den besten

trein, die vertrok, en reden naar Saint-Germain.

Den geheelen dag liepen zij door de bosschen; eerst tegen zeven uur

in den avond kwamen zij in Parijs terug. Marcel hield stok en stijf

vol, dat het pas half een en de donkerte het gevolg van de bedekte

lucht was.

Gedurende de geheele soirée en de rest van den dag was Marcel, wiens

hart als buskruit was, dat een enkele blik deed ontbranden, steeds

verliefder geworden op Musette en had haar het hof gemaakt "in alle

kleuren", zooals hij tegen Rodolphe zeide. Ja, hij was zelfs zoo ver

gekomen, dat hij het knappe meisje had voorgesteld een nog mooier

meubilair voor haar te koopen dan het oude; hij zou er zijn beroemde

schilderij "De doortocht door de Roode Zee" voor verkoopen. Met

angst en beven zag hij dan ook het oogenblik naderen, waarop hij zou

moeten scheiden van Musette, die, hoewel zij zich haar handen, hals

en toebehooren liet kussen, hem telkens, wanneer hij door middel van

inbraak in haar hart trachtte te dringen, zachtjes van zich af stiet.

Zoodra zij in Parijs terug waren, had Rodolphe zijn vriend met

het jonge meisje alleen gelaten, dat hem nu vroeg haar naar huis

te brengen.

"Wilt u mij toestaan, dat ik u kom bezoeken?" vroeg Marcel. "Ik zou

graag uw portret schilderen."

"Maar beste jongen," antwoordde Musette; "ik kan je mijn adres niet

geven, omdat ik dat morgen misschien niet meer heb; maar ik zal bij

jou komen en je rok verstellen, waar zoo'n gat in zit, dat je er,

zonder betalen, door zoudt kunnen verhuizen."

"Ik zal op u wachten als op den Messias," zeide Marcel.

"Maar niet zoo lang," was Musette's lachend antwoord.

"Wat een bekoorlijk schepseltje," zeide Marcel tot zichzelf, terwijl

hij langzaam verder liep; "de godin der vroolijkheid. Ik zal twee

gaten in Methusalem maken."

Hij was nog geen dertig pas verder, toen hij zich op zijn schouder

voelde kloppen: het was mademoiselle Musette.

"Beste mijnheer Marcel!" zeide zij; "is u een Fransch ridder?"

"Dat ben ik. Rubens en mijn dame, luidt mijn devies."

"Welnu, leen dan het oor aan mijn kommer en erbarm u mijner, edele

heer," ging Musette verder, die een weinig in de litteratuur bedreven

was, hoewel zij met de grammatica op zeer gespannen voet leefde;

"de huisbaas heeft den sleutel van mijn kamer meegenomen, en het is

elf uur: begrijp je?"

"Natuurlijk," zeide Marcel en bood Musette zijn arm aan. Hij nam haar

mede naar zijn op den Quai aux Fleurs gelegen atelier.

Hoewel Musette bijna omviel van slaap, had zij toch nog kracht genoeg

om te zeggen:

"Vergeet niet, wat je me beloofd hebt."

"O Musette, bekoorlijk wezen," zeide de artist met eenigszins ontroerde

stem; "ge zijt hier onder een gastvrij dak; slaap in vrede, goeden

nacht! Ik ga heen."

"Waarom?" vroeg Musette, wier oogen bijna dicht vielen; "ik ben

heusch niet bang; en dan zijn er toch twee kamers, ik zal op je canapé

gaan slapen."

"Mijn canapé is te hard, om erop te slapen; het lijkt wel, of hij

met keisteenen opgemaakt is. Ik verleen u gastvrijheid bij mij en

ga die vragen aan een vriend, die hier op dezelfde verdieping woont

.... dat is verstandiger. Ik houd gewoonlijk wel mijn woord; maar ik

ben twee-en-twintig en gij achttien, Musette .... ik ga. Goeden nacht."

Den volgenden ochtend om acht uur kwam Marcel met een bloempot, dien

hij op de markt gekocht had, weer op zijn kamer. Hij vond Musette,

die zich geheel gekleed op bed geworpen had, nog slapende. Door het

leven, dat hij maakte, werd zij wakker en stak Marcel haar hand toe.

"Brave jongen!" zeide zij.

"Brave jongen!" herhaalde Marcel, "is dat niet synoniem met:

belachelijke dwaas?"

"O, hoe kan je dat zeggen!" viel Musette hem in de rede; "dat is

niets aardig van je; geef me liever dien mooien pot met bloemen,

in plaats van dergelijke onaardige dingen naar mijn hoofd te werpen."

"Alleen met dat doel heb ik hem hier gebracht," zeide Marcel. "Aanvaard

hem dus en zing, als dank voor mijn gastvrijheid, een van je aardige

liedjes voor mij; de echo van mijn dakkamertje zal misschien iets van

uw stem bewaren, zoodat ik u nog kan hooren, wanneer ge weer weg zijt."

"Zoo, dus je wilt me wegsturen?" vroeg Musette. "En als ik nu eens niet

weg wil? Luister eens, Marcel, ik neem geen blaadje voor mijn mond, om

te zeggen wat ik denk. Jij valt in mijn smaak en ik in den jouwe. Dat

is nog geen liefde, maar het is er misschien de kiem van. Welnu, ik

ga niet weg; ik blijf hier en zal hier blijven zoolang als de bloemen,

die je me daarnet gegeven hebt, niet verwelkt zijn."

"Ach!" riep Marcel uit, "maar dat zijn ze binnen twee dagen. Had ik

dat geweten, dan had ik immortellen gekocht."

Veertien dagen woonden Musette en Marcel al samen en leidden,

hoewel zij dikwijls zonder geld zaten, het heerlijkste leven der

wereld. Musette voelde voor Marcel een toegenegenheid, die niets

gemeen had met haar vroegere verliefdheden, en Marcel begon bang te

worden, dat hij werkelijk van zijn maîtresse zou gaan houden. Daar

hij echter niet wist, dat zij harerzijds hetzelfde vreesde, keek hij

iederen ochtend naar de bloemen, wier afsterven het einde van hun

liaison zou beteekenen, en trachtte hij zich te verklaren, hoe zij

iederen morgen opnieuw weer zoo frisch waren. Doch weldra vond hij den

sleutel van het mysterie: toen hij op een goeden nacht wakker werd,

zag hij Musette niet naast zich. Hij stond op, liep naar de kamer

en vond daar zijn geliefde, die iederen nacht tijdens zijn slaap de

bloemen begoot, om op die manier het verwelken tegen te gaan.

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 19 / 77 题