P.S. Wij leven slechts eens in deze wereld!!"

Programma van het feest.

Zeven uur: Opening der salons; levendig en geanimeerd discours.

Acht uur: Entrée en wandeling door de salons van de geestige auteurs

van de door het Odéon geweigerde comédie: "De barende berg."

Acht en een half uur: "De invloed van het blauw in de kunsten",

nabootsende symphonie, voor te dragen door den beroemden

pianist-componist Alexandre Schaunard.

Negen uur: Eerste lezing van de verhandeling over de afschaffing van

de straf van het treurspel.

Negen en een half uur: Dispuut tusschen den hyperphysischen wijsgeer

Gustave Colline en mijnheer Alexandre Schaunard over vergelijkende

philosophie en meta-politiek. Om iedere lichamelijke botsing tusschen

de twee tegenstanders te vermijden, worden ze beiden vastgebonden.

Tien uur: De heer Tristan, letterkundige, zal zijn eerste liefde

vertellen. Alexandre Schaunard zal hem daarbij op den piano begeleiden.

Tien en een half uur: Tweede lezing van de verhandeling over de

afschaffing van de straf van het treurspel.

Elf uur: Voordracht over een jacht op casuarissen door een

buitenlandschen prins.

Tweede Deel.

Twaalf uur: Marcel, historieschilder, zal zich laten blinddoeken, en

met krijt de ontmoeting van Napoleon en Voltaire in de Champs-Elysées

op het doek improviseeren. Rodolphe zal eveneens een parallel

improviseeren tusschen den schepper van "Zaïre" en dien van den slag

bij Austerlitz.

Twaalf en een half uur: Nabootsing van de athletische spelen der 4de

Olympiade door Gustave Colline in een kuisch déshabillé.

Een uur: Derde lezing van de verhandeling over de afschaffing van de

straf van het treurspel en collecte ten bate van de tragische dichters,

die in de toekomst broodeloos zullen zijn.

Twee uur: Begin der gezelschapspelen en samenstelling der quadrilles,

die tot in den ochtend zullen worden voortgezet.

Zes uur! Zonsopgang en slotkoor.

Gedurende den geheelen duur van het feest zullen de ventilatoren

werken.

N. B. Ieder, die verzen zal willen lezen of voordragen, wordt

onmiddellijk uit de salons verwijderd en aan de politie overgeleverd;

men wordt ook verzocht geen stukjes kaars mede te nemen."

Twee dagen later circuleerden exemplaren van dien brief in de onderste

lagen der litteratuur- en kunstwereld, en veroorzaakten daar niet

weinig opzien.

Onder de genoodigden waren er echter eenigen, die de door de beide

vrienden voorgespiegelde heerlijkheden in twijfel trokken.

"Ik vertrouw het zaakje niet heelemaal," zeide een van die twijfelaars;

"ik ben een paar maal op de Woensdagen van Rodolphe in de Rue de la

Tour-d'Auvergne geweest, je kon er onmogelijk zitten en je dronk er een

weinig gefiltreerd water uit bij elkaar gescharrelde potten en pannen."

"Ditmaal," zeide een ander, "moet het echter bittere ernst zijn. Marcel

heeft mij een plan van het heele feest laten zien, en dat belooft

een magisch effect."

"Komen er ook dames?"

"Zeker Phémie Klad heeft gevraagd koningin van het feest te mogen

zijn en Schaunard zal dames uit de groote wereld medebrengen."

De oorsprong van dit feest, dat een zoo groote beroering in de

Bohème-wereld, die aan gene zijde van de bruggen woont, veroorzaakte,

was in het kort als volgt. Een jaar geleden ongeveer hadden Marcel en

Rodolphe dit schitterende galafeest aangekondigd, dat steeds Zaterdag

aanstaande moest plaats hebben; doch ten gevolge van allerlei moeilijke

omstandigheden hadden zij reeds twee-en-vijftig maal dat "aanstaande"

moeten verzetten, zoodat het eindelijk zoo ver gekomen was, dat de

beide vrienden hun neus niet buiten de deur konden steken, zonder een

stekelige opmerking te hooren van hun vrienden, waarvan er sommigen

zelfs indiscreet genoeg waren om krachtig tegen zoo'n manier van doen

te protesteeren. Daar de zaak langzamerhand op een fopperij begon te

lijken, besloten de beide vrienden er een eind aan te maken, door zich

van de verplichtingen, die zij op zich genomen hadden, te kwijten,

en hadden zij derhalve de boven vermelde uitnoodiging verzonden.

"Nu kunnen we niet meer terug," had Rodolphe gezegd; "we hebben onze

schepen achter ons verbrand; we hebben nu nog acht dagen voor ons om

de honderd francs te vinden, die we, om een dragelijk figuur te maken,

beslist noodig hebben."

"Als we ze noodig hebben, zullen we ze wel krijgen ook," was Marcels

antwoord geweest. En met het verwaten vertrouwen, dat zij hadden

in het toeval, sliepen de twee vrienden in, vast overtuigd, dat hun

honderd francs reeds op weg waren: den weg van het onmogelijke.

Doch toen den Donderdagavond voor het feest nog niets gearriveerd was,

vond Rodolphe, dat het toch maar veiliger was het toeval een handje

te helpen, wilden zij niet met beschaamde kaken staan, wanneer het

uur sloeg om de kaarsen aan te steken. Voor het gemak wijzigden de

beide vrienden langzamerhand de overdadige weelde van het door hen

ontworpen programma.

Door die verschillende wijzigingen, o. a. het schrappen van het

artikel: Gebak, het zorgvuldig herzien en verminderen van het artikel:

Ververschingen, werd het totaal der onkosten tot vijftien francs

teruggebracht.

Daarmede was het vraagstuk echter wel eenvoudiger gemaakt, doch

niet opgelost.

"Maar," zeide Rodolphe, "nu moeten we tot de uiterste middelen

overgaan. We kunnen ditmaal in geen geval weer den datum verzetten."

"Beslist onmogelijk."

"Wanneer heb ik het laatst het verhaal van den slag bij Studzianka

[16] gehoord?"

"Een paar maanden geleden."

"Twee maanden, prachtig, dat is een fatsoenlijke termijn; mijn oom

kan zich waarachtig niet beklagen. Ik zal me morgen dan den slag

bij Studzianka maar weer eens laten vertellen. Dat is vijf francs,

die zeker binnenkomen."

"En ik," zeide Marcel, "zal een Burchtruïne aan den ouden Médicis

gaan verkoopen. Dat maakt ook vijf francs en als ik tijd heb, om er

nog drie torentjes en een molen bij te kladden, misschien wel tien;

dan zijn we aan ons budget."

En de twee vrienden gingen slapen en droomden, dat de prinses van

Belgiojoso hun verzocht hun ontvangdagen te verzetten, om haar haar

meest geziene gasten niet te ontnemen.

Den volgenden ochtend stond Marcel vroeg op, spande een nieuw doek

en begon met ijver aan den bouw van een Burchtruïne, een artikel,

dat hem steeds door een antiquiteiten-schacheraar op de place du

Carrousel gevraagd werd. Intusschen ging Rodolphe een bezoek brengen

aan zijn oom Monetti, die een matador was in het verhalen van den

terugtocht uit Rusland, en aan wien Rodolphe vijf of zes maal per

jaar, n.l. wanneer de geldnood erg nijpte, de voldoening schonk

zijn veldtochten te vertellen in ruil voor een leening van wat geld,

waartoe de veteraan-kachelsmid-rookverdrijver wel over te halen was,

indien men bij het luisteren naar zijn verhalen slechts veel geestdrift

wist te toonen.

Tegen twee uur ontmoette Marcel, die met gebogen hoofd en een doek

onder zijn arm op de place du Carrousel liep, daar Rodolphe, die van

zijn oom kwam; zijn geheele houding wees op slechte berichten.

"Nou," zeide Marcel; "ben je geslaagd?"

"Neen, mijn oom is vandaag het museum in Versailles gaan kijken. En

jij?"

"Die schaapskop van een Médicis wil geen Burchtruïnes meer; hij heeft

me een Bombardement van Tanger gevraagd."

"Onze reputatie is naar de maan, als we ons feest niet geven,"

mompelde Rodolphe. "Wat moet onze vriend, de invloedrijke criticus,

wel denken, als ik hem voor niets een witte das en gele handschoenen

laat aantrekken?"

Ten prooi aan groote onrust gingen zij beiden naar het atelier terug.

Op dat oogenblik sloeg het op de pendule van een buurman vier uur.

"Wij hebben nog maar drie uur voor ons," zeide Rodolphe.

"Maar," riep Marcel, terwijl hij vlak bij zijn vriend kwam staan,

"ben je er wel zeker van, dat er hier geen geld over is?...."

"Noch hier, noch elders. Waar zou dat saldo vandaan moeten komen?"

"Als we eens onder de meubels zochten .... in de fauteuils? Men

beweert immers, dat de emigranten ten tijde van Robespierre hun geld

verstopten. Wie weet!... Onze fauteuil is misschien het eigendom van

een emigrant geweest; en bovendien is hij zòò hard, dat ik al eens

meer gedacht heb, dat er metalen in zitten ... zouden we niet eens

tot een lijkschouwing overgaan?"

"Dat is iets voor een klucht," antwoordde Rodolphe op een toon,

waarin tegelijk ernst en toegeeflijkheid lag.

Plotseling stiet Marcel, die zijn opgravingen in alle hoeken van het

atelier had voortgezet, een luiden triomfkreet uit.

"Wij zijn gered!" riep hij uit; "ik wist wel, dat hier geldswaarde

verborgen lag. Kijk maar!" en hij liet Rodolphe een geldstuk zien,

zoo groot als een daalder en half verteerd door roest en kopergroen.

Het was een munt uit het tijdvak der Karolingers en niet zonder eenige

kunstwaarde. Op het gelukkigerwijze gespaard gebleven inschrift kon

men het jaartal van Karel den Groote lezen.

"Dat ding is nauwlijks dertig sous waard," zeide Rodolphe met een

minachtenden blik op de vondst van zijn vriend.

"Dertig sous, goed gebruikt, kunnen veel uitwerken," antwoordde

Marcel. "Met twaalfhonderd man heeft Napoleon tienduizend Oostenrijkers

verslagen. Handigheid weegt tegen het getal op. Ik ga dadelijk den

Carolusdaalder bij den ouden Médicis wisselen. Is er hier nog niet iets

verkoopbaars? Waarachtig, als ik het gipsafgietsel van het scheenbeen

van Jaconowski, den Russischen tamboer-majoor, eens meenam? Dat zou

heel wat in het laadje brengen."

"Neem het scheenbeen maar mee. Maar prettig is het allesbehalve. We

hebben nu geen enkel kunstvoorwerp meer over."

Tijdens Marcels afwezigheid ging Rodolphe, vast besloten de soirée,

het mocht kosten wat het wilde, te geven, naar zijn vriend Colline,

den hyperphysischen wijsgeer, die vlak in de buurt woonde.

"Ik kom je verzoeken," zeide hij tegen hem, "mij een dienst te

bewijzen. In mijn qualiteit van gastheer moet ik beslist een rok

hebben, en .... ik heb er geen .... leen me de jouwe ...."

"Maar," merkte Colline op, "in mijn qualiteit van gast heb ik mijn

rok ook noodig."

"Ik sta je toe in gekleede jas te komen."

"Ik heb nooit een gekleede jas gehad, dat weet je even goed als ik."

"Enfin, luister eens, we kunnen ook op een andere manier de zaak in

orde brengen; jij zoudt niet op mijn soirée kunnen verschijnen en me

je rok leenen."

"Het is wel beroerd, maar dat gaat niet; ik sta op het programma en

kan dus niet ontbreken."

"Er zal nog heel wat meer ontbreken," zeide Rodolphe. "Leen me je

rok, en wanneer je beslist komen wilt, kom dan, zooals je het zelf

het beste vindt.... voor mijn part in je hemdsmouwen .... dan kan je

voor een trouwen dienaar doorgaan ..."

"Dat gaat niet," zeide Colline blozend. "Ik zal mijn notenkleurige

paletot aantrekken. Maar het heele zaakje is per slot van rekening

een beroerde boel."

En toen hij merkte, dat Rodolphe zich reeds van zijn beroemde rok

meester gemaakt had, riep hij tegen hem:

"Maar wacht toch even .... Er zitten nog een paar kleinigheden in."

De rok van Colline is een nadere beschouwing waard. In de eerste plaats

was die rok volmaakt groen, en alleen uit gewoonte sprak Colline

van zijn zwarte rok. En daar hij op dat oogenblik de eenige van de

geheele troep was, die een rok bezat, hadden ook zijn vrienden de

gewoonte aangenomen, om, wanneer zij van het officieele kleedingstuk

van den wijsgeer spraken, zich te bedienen van de uitdrukking: de

zwarte rok van Colline. Bovendien had dat beroemde kleedingstuk een

zeer bijzonderen vorm, den meest bizarren, dien men zich denken kan:

de zeer lange panden zaten n.l. aan een zeer korte taille en hadden

twee zakken, ware afgronden, waarin Colline gewoon was een paar dozijn

boeken, die hij altijd en eeuwig bij zich had, te bergen, wat zijn

vrienden deed zeggen, dat de schrijvers en geleerden in den tijd, dat

de bibliotheken gesloten waren, inlichtingen konden gaan inwinnen in

de panden van Colline's rok, een bibliotheek, die steeds geopend was.

Bij uitzondering bevatte Colline's rok dien dag slechts een quarto-deel

van Bayle, een verhandeling over hyperphysische krachten in drie

deelen, een deel Condillac, twee deelen Swedenborg en Pope's "Essai

over den mensch." Eerst toen hij zijn zak-bibliotheek had leeggeruimd,

stond hij Rodolphe toe den rok aan te trekken.

"Hè," zeide deze, "de linkerzak is nog aardig zwaar; je hebt er zeker

nog iets in gelaten."

"Dat is waar ook," zeide Colline, "ik heb vergeten den

vreemde-talen-zak leeg te maken." En hij haalde er twee Arabische

grammatica's uit, een Maleisch woordenboek en een "Volmaakte

veedrijver" in het Chineesch, zijn geliefkoosde lectuur.

Toen Rodolphe weer thuis kwam, was Marcel met drie vijf francstukken

aan het schijfwerpen. Het eerste oogenblik stiet Rodolphe de hand,

die zijn vriend hem toestak, weg: hij geloofde aan een misdaad.

"Laten we ons haasten," zeide Marcel .... "We hebben de benoodigde

francs bijeen... Luister, hoe ik eraan gekomen ben: Bij den ouden

Médicis trof ik een verzamelaar van antiquiteiten aan. Toen hij mijn

munt zag, viel hij bijna flauw: dat was de eenige, die nog aan zijn

collectie ontbrak. Hij had al in alle landen laten zoeken, om die

leemte aan te vullen, en had reeds alle hoop op succes verloren. Hij

aarzelde, toen hij mijn Carolusdaalder goed bekeken had, dan ook geen

oogenblik om mij vijf francs te bieden. Médicis stiet mij met zijn

elleboog aan, zijn blik vulde de rest aan. Hij wilde daarmede zeggen:

"Laten we de buit samen deelen, dan bied ik hooger!" We zijn tot dertig

francs gekomen. Daarvan heb ik er vijftien aan den Jood gegeven, en

hier is de rest. Nu kunnen onze gasten komen; wij zijn nu in staat

om hun oogen te verblinden. Maar hoe kom jij aan dien rok?"

"O," zeide Rodolphe, "dien heb ik van Colline geleend." En toen hij

zijn zakdoek uit zijn zak wilde halen, liet hij een klein deeltje

Mandsjoesch vallen, dat in den vreemde-talen-zak was blijven zitten.

De beide vrienden gingen nu dadelijk aan het werk. Het atelier werd

in orde gebracht, de kachel aangemaakt; een met kaarsen voorziene

schilderijlijst hingen ze bij wijze van kroonluchter aan den zolder;

een bureau, dat als katheder voor de sprekers dienst moest doen,

werd midden in het atelier geplaatst; daarvoor zetten zij hun eenigen

fauteuil, waarop de invloedrijke criticus moest zitten, terwijl zij op

een tafel alle aanwezige boeken: romans, gedichten en feuilletons,

waarvan de schrijvers de soirée met hun tegenwoordigheid zouden

vereeren, neerlegden. Ten einde alle mogelijke botsingen tusschen

de verschillende variëteiten letterkundigen te vermijden, was het

atelier verdeeld in vier afdeelingen, aan den ingang waarvan men op

inderhaast vervaardigde borden lezen kon:

Dichters Romantici

Prozaschrijvers Classici

Voor de dames was een ruimte in het midden vrijgelaten.

"Alles is in orde, maar er ontbreken stoelen," zeide Rodolphe.

"O," antwoordde Marcel, "er staan er verscheidene op het trapportaal,

maar die staan vast aan den muur. Als we die eens los maakten!"

"Dat zal wel dienen," meende Rodolphe, terwijl hij zich meester ging

maken van de stoelen, die aan den een of anderen buurman behoorden.

Het sloeg zes uur; de twee vrienden gingen vlug dineeren en kwamen weer

gauw terug, om met de verlichting der salons te beginnen. Om zeven

uur kwam Schaunard, vergezeld door drie dames, die haar diamanten

en hoeden bij vergissing thuis gelaten hadden. Een van haar had een

rooden omslagdoek met zwarte vlekken om. Schaunard maakte Rodolphe

op haar speciaal opmerkzaam.

"Dat is een echte vrouw van de wereld," zeide hij, "een Engelsche,

die door den val der Stuarts in ballingschap is moeten gaan; zij

leeft zeer eenvoudig en bescheiden van wat haar Engelsche lessen haar

opbrengen. Haar vader is onder Cromwell kanselier geweest, zooals

zij mij verteld heeft; je moet beleefd tegen haar zijn en haar niet

te veel tutoyeeren."

Inmiddels lieten zich op de trap talrijke stappen hooren--de gasten

kwamen; zij waren erg verbaasd, toen zij vuur in den kachel zagen.

Rodolphe's rok ging de dames tegemoet en kuste haar met

achttiende-eeuwsche gratie de hand; toen er ongeveer twintig gasten

waren, vroeg Schaunard, of er nog niets rondgediend moest worden.

"Dadelijk," antwoordde Marcel; "we wachten op de komst van den

invloedrijken criticus, om den punch aan te steken."

Om acht uur waren alle genoodigden aanwezig, waarna een aanvang met

het programma gemaakt werd. Tusschen de verschillende nummers werden

er ververschingen aangeboden; wat, daar is men nooit precies achter

kunnen komen.

Tegen tien uur zag men het gele vest van den invloedrijken criticus

verschijnen; hij bleef maar een uur en was matig in het gebruik der

"ververschingen".

Toen er tegen middernacht geen hout meer was en het aardig koud begon

te worden, lootten de gasten, die zaten, wie zijn stoel in het vuur

zou werpen.

Om een uur stond iedereen.

Toch bleef er onder de gasten een aangename, opgewekte stemming

heerschen. Er viel geen enkel ongeval te betreuren, behalve een

winkelhaak in den vreemde-talen-zak van Colline's rok en een klap,

dien Schaunard aan de dochter van den kanselier van Cromwell toediende.

Acht dagen lang was deze gedenkwaardige soirée het onderwerp van

gesprek in het stadsdeel; en Phémie Klad, die de koningin van het feest

geweest was, placht, wanneer zij er met haar vriendinnen over sprak,

te zeggen:

"Het was er prachtig; er waren zelfs waskaarsen."

Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven · 第 17 / 77 题