Toen Rodolphe 's avonds bij zijn thuiskomst dien brief las, ging zijn
licht plotseling uit.
"Kijk!" zeide hij nadenkend, "dat is de kaars, die ik den avond, dat
Louise kwam, aangestoken heb: zij moest met onze liaison sterven. Als
ik het vooruit geweten had, zou ik een langere genomen hebben,"
voegde hij er half spijtig, half boos bij en hij legde het briefje
van zijn maîtresse in een lade, die hij wel eens de catacomben van
zijn liefde noemde.
Toen Rodolphe eenigen tijd later eens bij Marcel was, raapte hij,
om zijn pijp aan te steken, een stuk papier van den grond op, waarop
hij het schrift en de orthographie van Louise herkende.
"Ik heb een autograaf van dezelfde hand," zeide hij tot zijn vriend;
"maar er staan in den mijne twee fouten minder dan in die van
jou. Bewijst dat niet, dat zij meer van mij hield dan van jou?"
"Dat bewijst, dat je een idioot bent!" antwoordde Marcel. "Blanke
schouders en blanke armen hebben geen grammatica van noode."