ONZE OUDE DORPSKERKEN

TACHTIG SCHETSEN VAN DORPSKERKEN IN NEDERLAND

DOOR HERM. VAN DER KLOOT MEIJBURG,

ARCHITECT, HOOFDLEERAAR AAN DE ACADEMIE VAN

BEELDENDE KUNSTEN TE 'S-GRAVENHAGE

UITGEGEVEN IN HET JAAR MCMXII

BIJ W. L. & J. BRUSSE TE ROTTERDAM

De groote beteekenis, die de kerkelijke bouwkunst ook in ons land

heeft gehad, blijkt, behalve uit onze meer monumentale stadskerken,

zeer duidelijk uit de vele kerkgebouwen, die op het platteland ten

gebruike voor den eeredienst werden gesticht. Hun aantal is zeer groot,

want bijna ieder dorp had reeds vóór vele eeuwen, zijn eigen godshuis,

dat, hoe bescheiden en eenvoudig soms, dikwijls een bouwwerk was van

niet geringe kunstwaarde. Toch zijn deze kerkgebouwen, voornamelijk

wegens hun geisoleerde ligging, weinig bekend. In het algemeen wordt

niet vermoed, welk een schat aan schoonheid op het platteland nog

te vinden is. Het doel dezer bladen is dan ook, hierop in ruimeren

kring de aandacht te vestigen. Zij beoogen noch een studie van onze

kerkelijke bouwkunst, noch een nauwkeurige beschrijving harer meest

karakterestieke monumenten te geven, doch enkel belangstelling te

wekken voor deze belangrijke uiting onzer nationale bouwkunst, en

tevens om te doen zien op welk een voorbeeldige en afwisselende wijze

het vraagstuk van kerkbouw op het platteland, in vroegere eeuwen is

opgelost. Van deze kerkgebouwen, tot de geringste toe, gaat dikwijls

een bijzondere stemming uit, die zich richt tot het gemoed van den

aanschouwer. Want, wat de kerkgebouwen van onzen tijd meestal missen,

maar die oude monumenten bijna zonder uitzondering in hooge mate

bezitten, is "karakter", en een zeer sympathiek karakter, dat zich

krachtig uit. Die gebouwen hebben iets te zeggen, al is het dan ook

vaak op een naïve wijze. Steeds spreken zij van een ernstig geloof,

dat eertijds allen verbond en één deed zijn in denken en streven, een

geloof, dat met vreugde de groote offers deed brengen, die voor den

bouw van het godshuis werden vereischt. Bovendien weerspiegelen zich in

deze gebouwen, uit godsvrucht geboren, de verandering der tijden. Zij

doen zien, hoe de behoeften en opvattingen eener voortschrijdende

cultuur zich steeds wijzigden en tevens, met welke technische

moeilijkheden de bouwmeesters hadden te kampen en met hoeveel vernuft

en kunstzin deze werden opgelost. En al werd soms het beoogde doel niet

bereikt, en bleven het bouwwerk fouten aankleven, waarover wij ons

thans verwonderen, aan de waarde van het monument werd daardoor geen

afbreuk gedaan; integendeel, die onvolkomenheden verleenen het gebouw

vaak een eigenaardige bekoring, door het zoeken en tasten, dat er uit

spreekt. Juist daardoor staan ons die eenvoudige kerkjes zoo na en

voelen wij ons er zoo echt mede vertrouwd. Wij zien er niet hoog tegen

op, als tegen een trotsche kathedraal, waar koele waardigheid tusschen

de opwaarts strevende pijlers hangt, maar voelen warme genegenheid voor

deze bescheiden godshuizen, die zoo echt zijn van onzen bodem en zoo

uitstekend passen in hun omgeving. Ja, zij hebben karakter, die oude

dorpskerken! Hoezeer ook onderling verschillend, alle spreken een taal,

die een grooten indruk nalaat. Hier is het een forsche bouw, die door

zijn krachtige lijnen en gesloten massa's schijnt te symboliseeren de

groote macht der Middeleeuwsche geestelijkheid; dáár een toren, wiens

sterk sprekende verticale lijnen het oog naar boven trekt, vanwaar

de geloovige hulp en steun verwacht; ginds een ruim schip, dat door

zijn hoog dak, zich breed uitbreidend als de beschermende vleugels van

een kloek, een veilige toevlucht belooft aan allen, die zich er onder

willen scharen; elders een sobere baksteen kerk, wier zware muren en

spaarzame versiering getuigen van de groote ernst en soberheid der

eerste belijders der Christelijke leer. En dan, hoe duidelijk doen

die oude kerkgebouwen zien, dat zij het middelpunt waren van het doen

en denken der dorpsbewoners; dat zij waren hun toevlucht, zoowel uit

geestelijk als materiëel oogpunt, doch tevens ook hun trots. Een trots,

die zich ook dikwijls uitte in den bouw van een grooten toren, waardoor

het gebouw grootere waardigheid werd bijgezet. Rondom de kerk bouwden

zij hun bescheiden en aanvankelijk zeer primitief uitgevoerde huisjes,

die door hun geringe afmetingen schaal geven aan het kerkgebouw en

het in monumentaliteit verhoogen. Zoo ontstond ongezocht vaak een

harmonisch dorpsbeeld van meer dan gewone schoonheid, naar wiens

ongeschonden behoud zooveel mogelijk dient te worden gestreefd.

De arme, houten kerkjes, met stroo of riet gedekt, welke in de 7e en

8e eeuw, toen hier te lande het eerst het Christendom werd gepredikt,

voor den eeredienst werden opgericht, zijn reeds lang verdwenen. Zij

waren niet in staat lang weerstand te bieden aan den vernielenden

invloed van den tijd. Bovendien werd hun ondergang nog verhaast door

de zich wijzigende levensopvattingen, die geen genoegen meer deed

nemen met zulke primitieve godshuizen, doch deed streven naar hoogere

idealen. Toen het kritieke jaar 1000, waarin naar veler meening de

wereld zou ten ondergaan, ongestoord was voorbijgegaan, ontplooide

zich in geheel West-Europa een groote bouwbeweging, waaraan ook in

dit land werd deelgenomen. Allengs ging men er toe over de weinig

soliede houten kerkjes door kerken van een duurzamer materiaal, van

steen, te vervangen, terwijl er mettertijd ook vele nieuwe werden

gesticht. Aanvankelijk werd hiertoe uitsluitend gebruik gemaakt van

natuursteen, die alleen in Zuid-Limburg en Achter-Overijssel van eigen

bodem was, doch overigens van elders moest worden aangevoerd. Vooral

de omstreken van Andernach leverden in de 11e en 12e eeuw groote

hoeveelheden tufsteen, die grootendeels voor den kerkbouw werd

benut. In vele plaatsen, aan of nabij de rivieren gelegen, en

dus gemakkelijk bereikbaar, verrezen toen nieuwe kerkgebouwen van

dit mooie en duurzame materiaal. In het bijzonder werden veel van

dergelijke kerken gebouwd in het Oostelijk gedeelte van ons land,

waar het godsdienstig leven tot hooge ontwikkeling was gekomen en

waar ook groote welvaart heerschte.

Hoewel de meeste dezer kerken in de 15e eeuw voor meer omvangrijke

gebouwen moesten plaats maken, zijn er toch nog verschillende

belangrijke overblijfselen dezer periode in ons land te vinden. Vooral

van de torens dier eerste steenen kerken bleven er nog verscheidene

bewaard, zij 't dan ook gewoonlijk in geschonden staat. In 't algemeen

zijn die eerste steenen dorpskerken zeer sober en stemmig. Zij doen

eenvoudige, robuste muurmassa's zien, die soms op bescheiden wijze door

vlakke pilasters met rondbogen en rondboogfriesjes worden verlevendigd,

doch zonder overdaad van kunstvormen zijn. Zij spreken een krachtige,

manlijke taal, die het verleden in herinnering brengt, toen de kerk,

het eenige steenen gebouw in het gansche dorp, niet alleen bestemd was

om de geloovigen te vereenigen, doch tevens om een veilige toevlucht

te bieden bij dreigend gevaar.

Een der meest merkwaardige en zuiverst bewaard gebleven gedenkteekenen

uit deze bouwperiode is het kleine, doch karaktervolle kerkje te

Lemiers, dat evenals de meeste oude Limburgsche kerken van natuursteen

is opgetrokken. (Afb. 1). De plattegrond is, kenmerkend voor de oudste

kerkjes, zeer eenvoudig en bestaat slechts uit een rechthoekig schip,

waarbij zich een iets smaller, vierkant koor aansluit. De muren zijn

van weinige, kleine rondboogramen doorbroken; een houten torentje,

met leien bekleed, en aan ééne zijde steunende op den sluitgevel

van het schip, rijst uit het leiendak omhoog. Eveneens geheel in

groefsteen uitgevoerd is de aanmerkelijk grootere kerk te Margraten,

zoo aardig gelegen op een kleinen heuvel, te midden van typisch

Limburgsche boerenhuizen. (Afb. 2).

Een meer ontwikkeld type geeft de kerk te Hoensbroek te zien, een

dorp ten Noord-Oosten van Maastricht. (Afb. 3). Dit kerkgebouw werd

in 1903 gerestaureerd en verkreeg toen weer den basilikalen vorm, die

het ook eertijds moet hebben gehad. Vóór het middenschip, dat zich

alzoo boven de zijbeuken verheft, staat een zware toren, geheel van

natuursteen, waarvan ook het grootste deel van de kerk is opgetrokken.

Werd in Limburg veel gebruik gemaakt van mergelsteen, in

Achter-Overijssel werden verschillende kerken in Bentheimersteen

uitgevoerd, waarvan echter geen volledige voorbeelden meer aanwezig

zijn. Eenige torens zijn echter nog gespaard gebleven, zooals die

van de kerk te Denekamp, waarvan ook het oude schip nog grootendeels

bestaat. (Afb. 55). Van de oude tufsteen kerkjes, die voornamelijk

in het Oosten en Midden van ons land werden gebouwd, is er geen

enkel ongeschonden voor ons bewaard gebleven. Slechts een kerkje

te Nederhorst-den-Berg, is geheel in natuursteen uitgevoerd, die

vermoedelijk werd betrokken uit de nabijgelegen stad Utrecht, waar,

evenals te Deventer, in de 11e en 12e eeuw groote hoeveelheden tufsteen

werden aangevoerd. (Afb. 30). Dit kerkje is echter gerestaureerd,

schijnt bijna vernieuwd, zoodat het niet meer den waren ouden

toestand te zien geeft. Ook dagteekent het uit verschillende

perioden: het schip met toren is Romaansch, het koor Gothisch. Een

geheel in tufsteen uitgevoerde dorpskerk behoort in deze streken tot

de uitzondering; meestal zijn het slechts fragmenten, die van den

oorspronkelijken tufsteenbouw resten. Zoo heeft de kerk te Kerkwijk

in de Bommelerwaard, waar, door de nabijheid van de Waal, de tufsteen

gemakkelijk kon worden aangevoerd, een schip, dat in deze bouwstof

is opgetrokken. (Afb. 41). Toren en koor, uit later tijd, zijn van

baksteen. De muren van het schip zijn sober versierd met lisenen en

rondbogen, maar hebben veel geleden door het veranderen van de ramen.

Eenige andere kerken bezitten nog mooie Romaansche torens, zooals de

statige Gothische kerk te Rheden (Afb. 42) en de kerkjes te Ressen

(Afb. 43) en Bemmel (Afb. 44) allen van tufsteen en slechts met

lisenen en rondboogjes versierd.

Werd in streken, waar de natuursteen betrekkelijk gemakkelijk te

verkrijgen was, bij voorkeur dit materiaal voor den bouw van de kerk

gebruikt, dààr, waar de aanvoer van deze steensoort bezwaarlijk was,

of waar de geldmiddelen ontoereikend waren, verschafte men zich een

andere bouwstof, die minder kostbaar, doch niet minder duurzaam

was. Van de klei, die onze bodem in groote hoeveelheid oplevert,

werden steenen gebakken van zulk een goede hoedanigheid, dat zij voor

den groefsteen niet behoefden onder te doen. Snel veroverde deze echt

nationale bouwstof terrein, zoodat reeds in den loop der 12e eeuw

de baksteen den tufsteen zoo goed als geheel had verdrongen en het

bouwen in baksteen vrijwel regel werd. Dan ontstaan, onder invloed van

de uit Noord-Frankrijk afkomstige kloosterorde der Cisterciënzers,

die typische kerken van Friesland, Groningen en Drenthe, geheel in

baksteen uitgevoerd, 't zij dan al of niet geprofileerd. Deze baksteen

was van zeer groot formaat, ongeveer 8 bij 15 bij 31 c.m. en werd

verwerkt met breede voegen van bijna 2 c.m. en in vrij willekeurig

verband. Deze steen had een zeer groote verscheidenheid van kleur,

zoodat het muurwerk verschillende tinten te zien geeft, als: grijs,

geel-oker, oranjerood, vermilloen, paars en blauw, tot zwart toe,

die te zamen een schitterend geheel vormen van groote levendigheid,

doch zonder bontheid.

Evenals de oudste natuursteenkerkjes, vertoonen ook deze eerste

baksteenkerkjes een zeer eenvoudigen plattegrond; met één beuk,

waarbij zich een klein, 't zij rechthoekig of halfrond koor aansluit,

stelde men zich tevreden, terwijl ook de opbouw zich door groote

soberheid kenmerkt. Later werd het plan meer en meer verruimd en

met een dwarsbeuk vergroot, doch zonder dat het gebouw in wezen veel

veranderde. Een ruimte-ontwikkeling, die naar buiten toe zeer logisch

tot uitdrukking komt, bleef steeds een kenmerkende eigenschap van

deze bouwwerken. Zeer boeiend zijn altijd die oude Groningsche en

Friesche dorpskerken, zooals zij daar liggen op een hooge wierde,

temidden van eenvoudige dorpshuisjes.

Een karakteristiek type van een der oudste Groningsche dorpskerkjes

geeft het kleine kerkje te Oldenzijl in het Noorden dezer

provincie. (Afb. 63). Het gebouwtje, dat uit de 12e eeuw dagteekent,

bestaat uit één schip en een halfrond, overwelfd koor. Het uitwendige

van deze koornis is sierlijk bewerkt met kolonnetjes met rondbogen,

waartusschen de ramen zijn geplaatst. Zij rusten op een rondboogfriesje

en worden eveneens door een rondboogfriesje bekroond.

Meerdere voorbeelden van halfronden kooraanleg zijn in de Noordelijke

provinciën aan te wijzen, doch geen evenaardt de sierlijkheid van dien

te Oldenzijl, welke een groot meesterschap in de baksteen-techniek

verraadt.

De pannen bedekking op een halfrond koor leverde echter groote

moeilijkheden op; om hieraan tegemoet te komen, werd soms de bovenzijde

van het koor tot een veelhoek uitgebouwd, zoodat ook een veelhoekig

dakvlak ontstond, dat zonder bezwaar met pannen is te dekken. Het

koor van de kerk te Weidum en Jorwerd (Afb. 75), beiden in Friesland,

is op deze wijze gevormd, terwijl het koor van de kerk te Huisinghe

(Afb. 65) in Groningen, door het aanbrengen van pilasters, meer de

gedaante van een veelhoek heeft aangenomen.

Ook de gevels dezer baksteenkerken getuigen van grooten kunstzin

en vaardigheid in het vak. Behalve de alleroudste zijn zij veelal

sierlijk geleed door pilasters, kolonnetjes, en nissen, waarin

baksteenvullingen zijn aangebracht, afgewisseld met diep ingesneden

rond- of spitsboogramen, die, evenals de nissen, vaak met een rondstaaf

werden omzoomd. Een rijke ontwikkeling verkregen, vooral in en na

de 13e eeuw, de sluitgevels van het nu rechthoekige koor, waarvan de

kerken te Leermens (Afb. 66), Zuidbroek (Afb. 70) en Ten Boer (Afb. 71)

mooie voorbeelden leveren, die in hun groote verscheidenheid bewijzen,

welk een grooten rijkdom met onzen eenvoudigen baksteen is te bereiken.

Bij kerken uit iets later tijd werden nog zware steunberen aangebracht,

zooals te Stedum, (Afb. 67 en 68) waardoor de muren nog meer worden

verlevendigd.

De ingangen dezer kerken, hoewel gewoonlijk eenvoudig van lijnen en

profileering, zijn zeer karakteristiek. Zij zijn meestal zeer laag,

wat ten deele is toe te schrijven aan de geleidelijke ophooging

van het omringende kerkhof, waardoor zelfs ingangen onbruikbaar

zijn geworden, zooals een van de aardige poortjes van de kerk te

Finkum in Friesland (Afb. 79); deze ingang zelf, waarboven drie

dichtgemetselde bovenraampjes, is rond afgesloten, zooals de meeste

oude kerkingangen. Later, in de 13e eeuw, werd de ontwikkeling iets

rijker door een geschulpte boogvulling als bekroning, waarvan het

poortje van de kerk te Weidum nog een voorbeeld geeft (Afb. 80),

totdat in de 14e eeuw een samenvoeging van korf- en spitsboog ontstaat,

soms door een rechthoekige omlijsting omsloten, als het 15e eeuwsche

poortje van de kerk te Middelstum (Afb. 72).

Een toren bezaten die oude baksteenkerken aanvankelijk niet. De

luiklok werd toen in een houten stoel op het kerkhof nabij de kerk

opgehangen. Doch spoedig ging men er toe over dit brandbaar getimmerte

door een solieden, steenen toren te vervangen. Deze werd, evenals

weleer de klokkestoel, geheel vrij van de kerk gebouwd. Eerst later

werd de toren met de kerk tot één harmonisch geheel gemaakt, waardoor

het aanzien van het gebouw zeer werd verhoogd. Vrijstaande torens

komen in Groningen nog veel voor. Zij zijn gewoonlijk niet hoog,

doch daarentegen zeer zwaar. De muren zijn meestal geheel vlak met

galmgaten in het bovengedeelte, en worden met een zadeldak, met pannen

gedekt, bekroond. De torens, die tegen de kerk zijn aangebouwd, zijn

aanmerkelijk hooger, en verheffen zich ver boven het kerkdak. Zij zijn

gewoonlijk ook met meer zorg behandeld en niet zelden geheel of ten

deele in tufsteen uitgevoerd, wat wel eenigszins vreemd doet in dit

land van den baksteen. Bijzonder sierlijk is de toren van de kerk te

Jorwerd in Friesland (Afb. 76). Evenals de vrijstaande torens werden

ook deze aangebouwde torens met een zadeldak afgedekt, waarvan de nok

evenwijdig loopt met die van het kerkdak. Toch komen ook nog andere

torendakvormen voor, waaronder vooral merkwaardig zijn de gemetselde

torenspitsen, zooals van het kerkje te Surhuizum (Afb. 77).

Ten einde brandgevaar zooveel mogelijk te beperken, doch tevens om de

kerkruimte een waardiger aanzien te geven, werden deze oude kerkjes

reeds vroegtijdig overwelfd. Aanvankelijk bepaalde deze overwelving

zich tot het koor, dat, met zijn altaar, het belangrijkste deel was

van het gebouw. Hieraan werd een halfronde vorm gegeven, die zich zeer

gemakkelijk met een half koepelgewelf liet overdekken. Later werd

ook de kerkruimte zelf overwelfd, eerst met een tongewelf, zooals

bij de oudste Fransch-Romaansche kerken, daarna met koepelgewelven,

ongeveer als bij de kerken van de West-Fransch-Romaansche school,

waartoe het grondplan in vierkante velden werd verdeeld, die door

gordelbogen werden gescheiden. Hierdoor werden in tegenstelling met het

tongewelf, de zijmuren aanmerkelijk ontlast. Toch vroeg deze wijze van

constructie nog zeer zware steunpunten, teneinde den zijdelingschen

druk voldoende te neutraliseeren. Bij een kerkje te Hantumhuizen

in Friesland (Afb. 74) heeft men dit vraagstuk zeer vernuftig

opgelost, door de steunpunten binnen de kerkruimte te brengen,

waardoor de zijmuren grootendeels werden ontlast. Later werden tegen

deze koepelgewelven nog versterkingsribben aangebracht, die echter

slechts schijnribben zijn en in een decoratieve middenroset tezamen

komen. Toch was hiermede de kiem voor een nieuw gewelfstelsel gelegd;

die schijnribben werden weldra als werkelijke draagribben behandeld,

waartusschen dan lichte, bolvormige gewelfjes werden geslagen. Uit

dit constructie-systeem ontwikkelde zich tenslotte in de 14e eeuw het

kruisgewelf, waardoor het vraagstuk volkomen was opgelost en iedere

willekeurige ruimte kon worden overwelfd.

De meeste dier oude Groningsche en Friesche dorpskerken zijn, of

waren overwelfd, waardoor ook het inwendige van groote bekoring

is. Bovendien getuigt zulks ten zeerste voor de degelijke opvatting

dier middeleeuwsche bouwmeesters, die niet het inwendige aan het

uitwendige opofferden, zooals in onzen tijd maar al te vaak voorkomt,

maar er naar streefden zoowel in- als uitwendig het gebouw een

waardig aanzien te geven, waarin zij wonderwel zijn geslaagd. Want,

hoe klein en eenvoudig deze kerken voor meerendeel ook zijn,

moeten zij toch gerekend worden onder de monumenten van groote

kunstwaarde. Zij vertoonen eene bewonderenswaardige stijleenheid,

die niet in dorheid is ontaard, maar steeds eene groote levendigheid

behoudt. "Er spreekt uit het meerendeel dier kerken werkelijk een

meesterschap over de vorm en stof, over de verhoudingen en in de

geheele behandeling--zoo schrijft onze Rijksbouwmeester Peters,

grondig kenner van de Groningsche bouwkunst--een meesterschap,

niet enkel getuigend van langdurige ervaring, maar tevens van het

vasthouden aan, van het blijven volgen van één type, van één genre,

tot daarin eindelijk het beste, het schoonste was bereikt, wat met

de gegeven middelen en materie mogelijk was." [1]

De kerken in het Noorden van ons land hebben door alle eeuwen heen hun

vorm vrijwel behouden; afgezien van enkele ondergeschikte wijzigingen

en verminkingen dikwijls, zijn zij niet veel veranderd. Doch de

kerken in de overige Provinciën hebben meerendeels zeer ingrijpende

hervormingen ondergaan, vooral in de 15e eeuw, toen ook verschillende

nieuwe kerken werden gebouwd. De oude, kleine Romaansche kerken

konden niet meer beantwoorden aan de toenemende eischen door den

eeredienst gesteld. Allereerst vroeg het koor om verruiming wegens

de uitbreiding van het kerkelijk ceremoniëel. De verbouwing van

zoo'n oude kerk begon dan ook gewoonlijk met dit gedeelte, zooals

bij niet geheel voltooide kerken duidelijk te zien is. Was het koor

gereed, dan werd het schip onder handen genomen, doch de toren bleef

niet zelden gespaard en werd enkel verhoogd. Zoodoende kreeg het

kerkgebouw, evenals vele nieuwe kerken, die in de 15e eeuw werden

gebouwd, dikwijls een zeer rijke ontwikkeling, zoowel in plan als

in opbouw. Zij werden in deze periode veelal uitgevoerd in baksteen

met ruime toepassing van groefsteen, die vaak aan den ouden bouw

werd ontnomen. Zoo ontstond die schilderachtige, gemengde bouwwijze,

die in ons land zulke prachtige resultaten heeft geleverd.

Vooral in Noord-Brabant en ten deele ook in Zeeland, vindt men

dorpskerken, die in omvang menig middeleeuwsche stadskerk overtreffen

en die dan ook bezwaarlijk onder de bescheiden dorpskerkjes te

rangschikken zijn. In het bijzonder zijn de torens dier kerken van

imposante afmetingen en dikwijls rijk geleed met steunberen, fialen en

nissen, zooals de stoere toren van de kerk te St. Michielsgestel doet

zien. (Afb. 7). Eenigszins verwant hiermede, doch veel sierlijker van

silhouet, is de hoog opwaartsstrevende oude toren van de vernieuwde

kerk te Oud-Gastel. (Afb. 8). Evenals de toren van St. Michielsgestel

bezit deze overhoeks geplaatste steunberen, die echter door het

aanbrengen van fialen veel rijker zijn ontwikkeld. In vergelijking

hiermede zijn de Zeeuwsche kerktorens nog bescheiden, hoewel de

toren van het kleine kerkje te 's Heer-Arendskerke, die nog tot de

eenvoudigste typen gerekend kon worden, een zeer aanzienlijke hoogte

bereikt, die schijnbaar nog wordt vergroot door de sterk sprekende

verticale lijnen der dubbele hoeksteunberen. (Afb. 17). Niet alle

Brabantsche kerken bezitten echter zulke hooge torens. De fraaie kerk

te Halsteren, die tot Gemeentehuis zal worden ingericht, heeft een

toren van meer normale afmetingen. (Afb. 9 en 10). Het gebouw zelf

is vrij groot en heeft den vorm van een basiliek met kruisbeuk, een

kerktype, dat op het platteland zeer weinig voorkomt. Gewoonlijk is

bij meerschepige dorpskerken het middenschip met de zijbeuken onder

één groot dak vereenigd.

Naast dergelijke groote kerken als te Halsteren, vindt men in Brabant

eenige kleine kerkjes uit slechts één ruimte bestaande, die niet van

kunstwaarde zijn ontbloot. De kapel van St. Anna te Heusdenhout bij

Ginneken heeft slechts één beuk, waarbij een half achthoekig koor

aansluit. (Afb. 12). Geestig, doch tevens zeer natuurlijk, is de

oplossing van het aardige klokketorentje, dat zich zoo logisch uit den

gevel ontwikkelt. Nog eenvoudiger zijn de kapellen te Nuenen-Tongelre

(Afb. 13) en te Gageldonk bij Princenhage, (Afb. 14) die onderling

zeer veel overeenkomst hebben; behoudens, dat de eerste met een

sierlijk torentje wordt bekroond.

Zeer mooi van werking zijn ook verschillende dorpskerken in het

midden van ons land, die meerendeels na 1400 werden gebouwd of

ook wel herbouwd. Vele dezer kerken zijn drieschepig, soms zelfs

nog met een dwarsbeuk, maar niettemin zeer goed in het karakter

van een dorpskerk, die niet de pretentie van een kleine kathedraal

mag aannemen. Het middenschip en de zijbeuken zijn onder één groot

dak vereenigd, waardoor het kerkgebouw in juiste harmonie staat

met de omgeving en de eenvoudige boerenhoeven, waarvan doorgaans

ook het dak hoog en de muren laag zijn. De kerk te Kerkdriel in de

Bommelerwaard (Afb. 45), zeer schilderachtig gelegen te midden van

hoog geboomte en dicht struikgewas, alsmede de kerk te Geldermalsen

(Afb. 50), doet deze bouwwijze kennen. Nog beter in karakter is

de zeer fraaie kerk te Brakel, die gelukkig bij den dorpsbrand is

gespaard gebleven. (Afb. 45). Ook hierbij worden midden- en zijbeuken

door één groot dak overhuifd, dat laag bij den grond begint, waardoor

het gebouw een indruk maakt van groote veiligheid, een karaktertrek,

die het met onze oude boerenhuizen gemeen heeft. Ook de toren dezer

kerk is fraai, fraaier nog dan die van Kerkdriel, die tot een ouderen

bouw behoort en uit omstreeks 1300 dagteekent.

Bij de kerk te Rheden, van wier tufsteenen toren reeds werd gewaagd,

heeft men met dit systeem gebroken en het middenschip even boven de

zijbeuken verhoogd, doch te weinig om het aanbrengen van lichtramen

mogelijk te maken, zoodat het basiliek-type wel werd benaderd, doch

niet bereikt. (Afb. 42).

In het algemeen zijn de torens dezer kerken niet bovenmatig groot,

zooals sommige in Brabant en Zeeland. In de provincie Utrecht treft men

echter nog eenige hooge torens aan, die veel overeenkomst vertoonen

met den Domtoren in de stad Utrecht, zooals onder andere de toren

te Loenen. (Afb. 36). Deze is van een zeer decoratieve werking door

de sierlijke behandeling der muurvlakken en de rijke afwisseling

van baksteen met natuursteen. Ook in Havelte vindt men een toren,

die zich door zijn groote hoogte, maar zeer eenvoudige bewerking,

onderscheidt. (Afb. 59).

Doch zulke groote torens en kerken behooren in deze streken tot de

uitzonderingen. Kleine dorpskerkjes daarentegen treft men hier zeer

veel aan. Een der mooiste voorbeelden van dien aard is het kerkje

te Persingen, nabij Nijmegen, dat met een paar boerenhuizen op een

heuvel gebouwd, het eenige bouwwerk van belang is, dat van het door

watervloeden zoo zeer geteisterde dorp is overgebleven. (Afb. 51 en

52). Het kerkje, dat niet meer voor den eeredienst wordt gebruikt,

maar als barak voor besmettelijke ziekten is ingericht, munt uit door

zijn goede verhoudingen en mooie massawerking. Het is zeer eenvoudig

in gebakken steen uitgevoerd, maar niettemin een monumentje van

groote waarde.

Het kerkje te Olst moet, ook wat ligging betreft, eveneens

tot de fraaiste kleine dorpskerken in ons land gerekend

worden. (Afb. 58). Weinig kerkjes zijn zoo geheel "af" als dit, en

zelden zijn de drie hoofdelementen van het middeleeuwsche kerkgebouw:

koor, schip en toren, zoo karakteristiek en zoo klaar tot uitdrukking

gebracht als bij dit monumentje. Ieder dezer drie onderdeden vertoonen

een zelfstandige ontwikkeling, doch vormen te zamen een onberispelijk

geheel van fraai silhouet.

De 16e eeuw, waarin zulke groote wijzigingen op maatschappelijk

en geestelijk gebied tot stand kwamen, schijnt voor den kerkbouw

niet gunstig te zijn geweest, althans werden er in die eeuw niet

veel dorpskerken gebouwd. Desondanks verrees in Oosthuizen, een

dorp tusschen Hoorn en Purmerend, in het begin der 16e eeuw een

ruime kruiskerk, die door haar levendige afwisseling van baksteen

met natuursteen, laat-Gothische traceeringen in de groote ramen en

geestig, opengewerkt torentje op het kruis van het dak, een fraaien

indruk maakt. (Af b. 33). Helaas is de ligging van het gebouw niet

zeer gunstig en wordt het totaalbeeld zeer verstoord door een leelijke

brug over de vaart, die met haar opritten een deel der kerk aan het

oog onttrekt.

Met de 17e eeuw trad weer een nieuwe bouwperiode in, die zich echter

in een andere richting dan de tot nu gevolgde ging bewegen. De nieuwe

leer, die zich baan gebroken had, stelde voortaan andere eischen

aan het kerkgebouw. Een koor, bij de Katholieke kerk van zooveel

beteekenis, werd door den Hervormden eeredienst niet verlangd. Deze

eischt een zooveel mogelijk vierkante en ongedeelde ruimte, opdat

alle kerkbezoekers vanaf hun zitplaatsen den predikant kunnen zien

en zijne rede gemakkelijk kunnen volgen. Eenvoud, zelfs zeer strenge

eenvoud, stond bij den kerkbouw weer op den voorgrond. Deze 17e

eeuwsche dorpskerken vertoonen dan ook een zeer sobere architectuur,

en zijn bijna geheel in baksteen uitgevoerd. Doch dat zij even goed

als de Middeleeuwsche kerken hun bekoring hebben, al is het dan

ook een bekoring van eenigszins anderen aard, bewijzen de kerken te

Woubrugge en Oudshoorn (Afb. 28 en 29). Alle versiering is hierbij

achterwege gebleven en berust hun werking uitsluitend op de goede

massaverdeeling. De krachtige met hollijnige steunberen versterkte

muren, en het hooge leien dak met een veelhoekig torentje bekroond,

verleenen het gebouw een zeer waardig, deftig cachet. De kerk te

Oudshoorn, van denzelfden bouwmeester als van de verwante kerk te

's Graveland, bezit fraaie gebrandschilderde glazen, waardoor

ook het schilderachtige kerkje te Egmond aan den Hoef bekend

is. (Afb. 31). Trouwens vele kerken werden in de 17e eeuw met zulke

glazen versierd. Dit kerkje, eertijds behoorende bij het kasteel

van Egmond, werd in 1630 gedeeltelijk vernieuwd en voorzien van een

aardig torentje.

Dergelijke verbouwingen en veranderingen, die soms verband hielden

met de gewijzigde bestemming van het gebouw, vonden in de 17e en ook

in de 18e eeuw herhaaldelijk plaats. Hier werd een nieuwe spits op

den toren gebouwd, dáár een schip met een portaal verrijkt, of elders

een kerk met een uitbouw vergroot. Doch hoe dan ook, steeds werden

deze toevoegingen uitgevoerd in de vormen van den tijd waarin zij

ontstonden en leveren zij het bewijs, dat verschillende stijlvormen

zeer wel met elkaar kunnen harmoniëeren, ja dikwijls een geheel vormen

van groote schoonheid.

De 19e eeuw was ook voor de kerkelijke bouwkunst ten plattelande,

weinig vruchtbaar. Wel is waar werden, zoowel voor den Katholieken

als voor den Hervormden eeredienst, vele dorpskerken gebouwd,

die aanvankelijk in Klassieken-, later in neo-Gothischen- en

Renaissance stijl werden uitgevoerd, maar die zijn meerendeels

van geringe kunstwaarde en staan, ondanks haar soms zeer pompeuse

afmetingen, verre ten achter bij de eenvoudigste kerkgebouwtjes der

vorige eeuwen. Zij missen karakter; zij spreken niet als deze tot

het gemoed, maar wekken, trots hun vele versieringen en vaak meerdere

torens, een indruk van geestelijke armoede.

Niet alleen werd alzoo in die jaren weinig voortgebracht, dat op

"kunst" aanspraak kan maken, erger nog, vele oude kerkgebouwen

werden van hun schoonheid beroofd, ja zelfs gesloopt. Allerwege

werden de kerkgebouwen "verbeterd en grootendeels vernieuwd", zooals

het heet op een gevelsteen, die in 1865 tegen de kerk te Godlinze

werd aangebracht, toen dat gebouw, behalve zijn toren, onder een

smakelooze pleisterlaag werd bedekt. Die hartstochtelijke vereering

voor cementbepleistering heeft ook onder de kerkelijke bouwkunst heel

wat verwoestingen aangericht, die slechts met zeer veel moeite en

kosten weer te herstellen zijn. Groote sommen zijn reeds besteed om

onze kerkgebouwen weer te ontdoen van het smakelooze, in voorgaande

tijden aangebracht. Evenwel hebben de vele restauraties, die in de

laatste tientallen jaren werden ondernomen, niet altijd een volkomen

bevredigend resultaat opgeleverd. Sommige kerkgebouwen hebben door

een al te ver gaande restauratie, die meer op een herbouw dan op een

herstelling geleek, hun oude bekoring verloren, ook al hebben zij

daarmede aan zuiverheid van stijl gewonnen. Doch ook hierin beginnen

andere opvattingen baan te breken; meer en meer wint de meening veld,

dat het onjuist is een monument te herbouwen in de vormen van den tijd,

die het zag ontstaan, omdat het onmogelijk is zich volkomen duidelijk

in te denken in de opvattingen, de gevoelens en het streven van zulk

een lang vervlogen periode. Hieruit volgt tevens, dat een kerkgebouw

in onzen tijd gesticht, ook zijn eigen karakter moet hebben en niet

zinloos met oude stijlvormen mag worden opgesmukt. Een terugkeer naar

de bouworde van vorige eeuwen, waaraan thans alle levensvatbaarheid

ontbreekt, en die in botsing komt met de behoeften van onzen tijd,

moet worden afgewezen. Er moet naar worden gestreefd onze kerkelijke

kunst in nieuwe banen te voeren, opdat onze kerkgebouwen een taal

gaan spreken van onzen tijd en dus voor ons het meest verstaanbaar

en sympathiek. De groote waarde van onze oude kunst kan bij deze

evolutie niet worden ontkend of weggecijferd. Integendeel, die oude

kerkgebouwen kunnen ons veel leeren en er toe bijdragen onze inzichten

te verruimen, want de wetten, die aan deze monumenten ten grondslag

liggen, gelden voor een groot deel nog heden. En goed verstaan kunnen

zij verhoeden, dat kerken worden gesticht, die door hun vormen in

schrille tegenstelling zijn met het hooge doel, waartoe zij zijn

bestemd, gebouwen, die het land ontsieren en den bouwmeester tot

schande zijn. Alzoo steunende op de traditie, en rekening houdende met

de opvattingen en eischen door een voortdurende voortschrijding der

cultuur gesteld, moet worden voortgebouwd, zoodat de draad weer wordt

aangeknoopt, die in de vorige eeuw is afgebroken. Wanneer de lessen,

die de oude monumenten ons kunnen leeren, juist worden verstaan,

dan zal het kerkgebouw weer een kunstwerk kunnen worden van groote

bekoring, dan zal het weer verheffend werken op het gemoed, waarop

zoowel het streven van de kerk als van de kunst is gericht, kortom,

dan zal het weer karakter bezitten, waardoor onze oude dorpskerken

zich zoozeer onderscheiden.

Onze oude dorpskerken: Tachtig schetsen van dorpskerken in Nederland · 第 1 / 81 题