168. "Lichtvaardigheid" en "voorbarigheid" zyn voorzeker aftekeuren en
strafbaar, vooral in zulke gewichtige omstandigheden. In-zoo-verre is
er dus op _Havelaars_ loyaal aanbod geen aanmerking te maken. Wanneer
men evenwel daarin de stelling mocht zoeken, dat 'n ambtenaar die
_krachtens z'n instruktie_ aanklaagt van misdryf, terstond persoonlyk
aansprakelyk zou wezen voor de _gegrondheid zyner beschuldiging_,
moeten we erkennen dat _Havelaar_ hier meer heeft toegegeven dan-i
verplicht was. Welk Officier van Justitie zou op zùlke voorwaarden 't
publiek ministerie willen waarnemen? Doch _Havelaar_ was te zeker van
z'n zaak om de minste achterdeur open te houden.
169. "Onderzoek, rapport en voorstel." Wel te verstaan: alles binnen
den grens myner instruktie, en _uit kracht van_ die instruktie.
170. Eerst jaren daarna is dat onderzoek werkelyk geschied, en de
Regeering was genoodzaakt te erkennen dat _Havelaar_ de waarheid had
gezegd. Zie den _Gids_ van Augustus 1860, waar de hoogleeraar Veth, na
uitvoerige behandeling der Havelaarszaak, het volgende zegt:
_Sedert heeft_ Havelaar _met de zijnen gebrek geleden, hij is het
voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels--want de
Droogstoppels in Nederland maken altijd gemeene zaak met de
Slijmeringen in Indie--hij is geworden_ Multatuli, _niet alleen in
aangenomen naam, maar inderdaad_.
_En wat bewijst nu het feit, dat, na zijn ontslag, werkelijk een
onderzoek in het Regentschap Lebak plaats had, dat de Regent eene
scherpe vermaning ontving, en eenige mindere Hoofden werden afgezet?_
Primo: _de waarheid van het spreekwoord dat de kleine dieven
gehangen worden, terwijl men de groote laat loopen_.
Secundo: _dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen, om nu
nog gesmoord te worden_.
Tertio: _dat de knevelarij in Lebak al zeer erg moet geweest zijn,
wanneer zelfs een Resident die zoo gaarne schipperde, en zoo
ongaarne een Inlandsch Hoofd vervolgde, constateeren moest dat er
werkelijk reden tot klagen bestond, en bij gevolg_: