98. _Chinesche kerk_: het "_tout Paris_" der hoofdplaatsen in Indie.
De oorsprong dezer zegwys schynt te liggen in de _commérages_ die
oudtyds gehouden werden by 't uitgaan der protestantsche kerk in of by
de chinesche kamp te Batavia.
99. "_Wie sommige gebeurtenissen van naby gesien had_." In 1843 liet de
generaal Michiels op in 't oog vallend vexatoire wys de wegen in den
omtrek van Padang verbreeden. Voor niemand was het doel twyfelachtig: hy
had behoefte aan wat krygsroem om zich staande te houden als civiel
Gouverneur. De uitgelokte ontevredenheid openbaarde zich 't eerst te Pau,
in de nabyheid der hoofdplaats. Daar hadden, naar weldra publiek bekend
was, de samenscholingen plaats, waaruit de door ieder voorziene oproerige
bewegingen zouden--en moesten!--voortkomen. Ze werden niet terstond
tegengegaan: de vrucht moest rypen. Op zekeren nacht werd ik gewekt door
een bediende van den kapitein der artillerie J.J.M. de Chateleux. Hy liet
my roepen omdat zyn en myn vriend, de kapitein der infanterie Beyerman,
by hem gekomen was om van hem en my afscheid te nemen. Ik ging, en vond
B. in hoogst ernstige stemming. Geheel onverwacht had hy bevel gekregen
naar Pau opterukken: "om me daar te laten vermoorden" zeide hy. Hy _is_
er vermoord, dienzelfden nacht nog. Toen daarvan den volgenden morgen
bericht kwam, rukte de generaal aan 't hoofd van meer dan voldoende
krygsmacht uit. In 'n ommezien behaalde hy de lauweren en 't certifikaat
van onmisbaarheid waarom hy zoo dringend verlegen was. Arme Beyerman!
Zulk _en scène_ zetten van krygsbedryven door 't vooruitzenden van een
aan den dood gewyde kleine schaar behoorde onder de lyfkunstjes van
Michiels, doch eenig was hy niet in die misdadige kwakzalvery. Ze
speelt in veel veldtochten haar rol, en dit zal wel zoo blyven tot de
_kunst van lezen_ meer algemeen wordt. De koddigheid der advertentien
van goedkoope boeken en allesgenezende pillen zinkt in 't niet, by de
hansworstige leugens waarop sedert eeuwen sommige krygsoversten gewoon
zyn hun betalende kommittenten te onthalen. Terstond zyn er altyd
verzenmakers en geschiedschryvers by de hand om die zotte praatjes met
hun visa, "gezien en opgehemeld" te stempelen, en 'n reeks van
geslachten bauwen den aldus smakelyk gemaakten onzin na. Zie, als 'n
enkel staaltje--ik heb ze voor 't grypen!--m'n opmerkingen over de
hyperkrygskunstige slimmighedens van den prillen prins van Oranje by
_Quatre-Bras_. (IDEE 747, vlgg.)
100. Hier ben ik profeet geweest, helaas! Het grofste, 't onmogelykste
is niet te grof en niet te onmogelyk, zoodra 't dienen kan om iemand
die "uitsteekt" van de baan te dringen. In deze taktiek ontmoeten zich
de middelmatigheden van alle partyen. Er blykt uit den tekst dat ik
hiervan iets wist toen ik den _Havelaar_ schreef, maar toch was ik
niet profeet genoeg om te voorzien dat men de karakterschets van
Publiek, die ik slechts als _boutade_ gaf, maken zou tot _letterlyke_
waarheid. Wanneer ook hier Duclari my in de rede was gevallen met 'n:
"neen, dat is àl te sterk!" zou ik zeker de fout begaan hebben iets te
laten afdingen van m'n bittere opmerking, al bewees dan later de
uitkomst dat ik niet te veel gezegd had.
101. Het was in die dagen (1843) dat ik de "_Bruid daarboven_"
schreef. Dit stuk werd nog onlangs in den Haag, te Rotterdam, en
elders opgevoerd. Een van die voorstellingen woonde ik by, en m'n
aandoeningen waren zeer gemengd. Het wederzien van dien arbeid uit m'n
jeugd, van nu byna veertig jaar geleden, wekte meer herinneringen in
my op dan m'n gemoed verslikken kon. En dan 't nagaan van alles wat er
in en om my voorviel gedurende dat lange tydvak van m'n gevuld leven!
Doch dit gaat den lezer niet aan. Met het oog evenwel op den ouderdom
van dat stuk heb ik 'n vraag te doen die, meen ik, sommige lezers wèl
aangaat. Is de _toon_ dien heden-ten-dage zekere publicisten tegen my
aanslaan, wel in overeenstemming met den eerbied dien we gewoon zyn
toetekennen aan ancienneteit in rang? Vindt men 't getal letter-
vruchten die in onzen stoomtyd meer dan het derde deel eener eeuw
beleven, zóó groot dat elk rekruut my mag toespreken _comme le premier
venu_? Hoe ikzelf over die "_Bruid_" oordeel, is bekend, maar 't stuk
is toch minstens even goed als de _Emilia Galotti_, als de _Kabale und
Liebe_, als de _Minna van Barnhelm_ als de larmoyante komedies en
_Lustspiele_ van Kotzebue, die nog altyd op 't repertoire staan.
In-allen-gevalle blykt er uit, hoe ik m'n tyd doorbracht in de dagen
toen 'n groot deel van hen die me tegenwoordig als hun gelyke meenen
te mogen behandelen, nog--en misschien niet eens nog!--op de schoolbanken
zaten. _Suum cuique_, heeren! (_Zie hierover de noten 65 en 115_.)
102. Die redakteur heeft later als minister 't zyne bygebracht om den
toestand in Indiën onhoudbaar te maken. Van al de duitenplateryen
waarmee hy Kamers en Natie eenige jaren aan de praat hield, noem ik nu
alleen de fameuze komptabiliteitswet, 'n monument van bureaukratische
onbruikbaarheid, en als zoodanig de getrouwe afspiegeling van den man
zelf. Hy was 't ook die zoo byzonder veel bydroeg tot de verlamming
van 't gezag in de binnenlanden, door de splitsing van rechterlyke en
besturende macht. (_zie Noot 13_) Die uitverkorene van de Natie heet
E. de Waal, en bekleedt natuurlyk 'n aangenaam plaatsjen op den
pensioenstaat.
103. De toenmalige Algemeene Sekretaris der indische Regeering, Mr C.
Visscher.
104. Ik meen hier blyken te geven dat de eischen der kunst ten-aanzien
van de _maat_ der optewekken aandoeningen, of liever van de daartoe
strekkende middelen, my eenigszins bekend waren. Ook beweer ik in den
_Havelaar_ zelf (zie, byv. blz. 288)(zie alinea met: "Ik heb 't slot
der geschiedenis van _Saïdjah_ ...", M.D.) my aan die eischen te hebben
gehouden. Juist omdat ik _minder_ akeligheid schilder dan uit de
geschetste omstandigheden blykt voorttevloeien, is de indruk der
_Saïdjah_-epizode zoo algemeen en zoo diep geweest, en alzoo is de
beschuldiging van "overdryving" een fout op 't gebied der kritiek. Dit
wat _kunstbesef_ aangaat. En wat de _feiten_ betreft die in den
_Havelaar_ vermeld worden, ook daarin blyf ik _beneden_ de waarheid.
Ik roerde niets aan dan wat ik--thans nog!--_bewyzen_ kan, en dus
volstrekt nog 't ergste niet. Wie nu, om den indruk van m'n pleidooi
te ontzenuwen, z'n toevlucht neemt tot de afgezaagde en goedkoope
beschuldiging dat ik "overdreven" heb--in den grond eigenlyk slechts
'n oneerlyk-vermomd erkennen van de waarheid!--gelieve te zeggen:
_wat, waarin, hoe, in-hoe-ver?_ Hiertoe dan ook sommeerde ik
herhaaldelyk Duymaer van Twist, den man die beter dan iemand by-machte
wezen moest my tegentespreken, _indien_ er iets op myn beweringen viel
aftedingen. Hy evenwel durfde niet eens van "overdryving" spreken, en
bepaalde zich tot het verwyt dat ik zooveel talent had--in zyn oog 'n
fout zeker--en dat-i zwygen zou uit vrees voor den schyn van
partydigheid. En met zulke jongensachtige uitvluchten namen Kamer en
Natie genoegen! Is dit _Recht_, Nederlanders?
105._ Boekten van den Tjioedjoeng_. Deze rivier draagt naar die vele
bochten z'n naam. _Tji_: water. _Oedjong_: hoek. 't Woord _Rangkas_
beteekent een door zulke bochten omarmde streek lands. _Betoeng_ is
'n bamboesoort.
106. _Sambal-sambal_: allerlei toespys, 'n keukenvak waarin Indiën
uitmunt. De beschryving van de _sambals_ die daar in gebruik zyn, zou
boekdeelen vullen. In welvarende familien vordert dit onderdeel van 't
dagelyksch _menu_ de uitsluitende zorg van 'n bediende, en by ryken is
één persoon daartoe zelfs niet voldoende. Als grondstof dient al wat
eetbaar is, zooveel mogelyk onkenbaar gemaakt, en ook veel dat
oningewyden _niet_ eetbaar voorkomt, byv. onrype vruchten en bedorven
vischkuit. Het bereiden van al die gerechten volgens de regelen der
kunst, vereischt 'n ware studie. Ook is er voor _baren_ (nieuwelingen)
soms eenige oefening noodig om ze smakelyk te vinden, maar ingewyden
geven aan de indische keuken de voorkeur boven de velerlei soorten van
europesche tafels.
107. Zoodra in 1873 het geheim traktaat met Engeland van 1824, dat ons
tot eenige bescheidenheid verplichtte, was ingetrokken, werd de oorlog
verklaard. Men zou misschien hieruit mogen opmaken, dat m'n oordeel
over den Generaal Michiels van algemeener toepassing is, dan ikzelf in
1842 gissen kon.