AANTEEKENINGEN

[1] Zie Shakespeare's "Koning Hendrik VI."

[2] In 1558 werd hij lid van de _jury of the courtleet_, alsook

_constable_, in 1559 weder _constable_ en ook _affeeror_; in 1561

weder _affeeror_ en een van de twee _chamberlains_, welke laatste

betrekking hij twee jaren behield.

[3] In Florio's vertaling van Montaigne, sinds 1838 op het Britsch

Museum; deze handteekening is bijzonder duidelijk.

[4] Aangehaald in "Veel Gemin, geen Gewin" IV. 2. 96.

[5] Men moge hiervoor de Appendix van _Schmidt_'s _Shakespeare-lexicon_

naslaan, en wel afdeeling III, _Words and sentences taken from foreign

languages_; men vindt er 76 Latijnsche woorden aangehaald, 16 gezegden

of aanhalingen aan schrijvers ontleend, 22 gewone of spreekwoordelijke

zegswijzen en 18 andere Latijnsche gezegden.

[6] Men zie hierover de mededeeling van F. A. Leo in het

Shakespeare-Jahrbuch, Band XVI (1881), blz. 367.

[7] "Venus en Adonis", strofe 51.

[8] "Venus en Adonis", strofe 50.

[9] Men zie "Eene snibbe getemd", I. 2. 81 en III. 2. 49.

[10] Men zie "Hamlet", IV. 7. 86 en "Een Minneklacht", strofe 16. De

aanhalingen zouden gemakkelijk te vermenigvuldigen zijn. Een geestig

opstel over Sh.'s paardenkennis is geleverd door den heer _Charles

E. Flower_, _Shakespeare on Horseback. Paper read at the Union Club,

Stratford-on-Avon, March 3th., 1887_.

[11] "Venus en Adonis", strofe 113-118.

[12] In het testament van Richard Hathaway, die in September 1581

stierf, wordt echter Anne niet genoemd.

[13] Van het spotdicht, waarvan Rowe zegt, dat het verloren is gegaan,

heeft _Steevens_ het eerste couplet medegedeeld naar de aanteekeningen

in handschrift van _Oldys_. Men zal gereedelijk erkennen, dat de

echtheid uitermate verdacht is. Oldys zegt het vernomen te hebben

van een ouden heer, in de nabuurschap van Stratford wonende, die het

onthouden had.

A parliament member, a justice of peace,

At home a poore scare-crowe, at London an asse;

If lowsie Is Lucy, as some volke miscalle it,

Then Lucy is lowsie, what ever befalle it:

He thinkes himselfe greate,

Yet an asse in his state

We allow by his eares but with asses to mate.

If Lucy is lowsie, as some volke miscalle it,

Sing lowsie Lucy, what ever befalle it.

[14] Men vergelijke nog de aanteekening op I. I. 16 van "De vroolijke

Vrouwtjes van Windsor".

[15] Toen Thomas Bodley in 1600 de Universiteitsbibliotheek te

Oxford, die zijn naam draagt, uitbreidde en hervormde, bepaalde hij,

dat comediestukken en dergelijke prullen (_riffe-raffes_) er niet in

opgenomen mochten worden.

[16] Ook Walter Scott laat in "Kenilworth" Sir Pierce Shafton

euphuistisch spreken.

[17] Men vindt het Engelsch in de aanteekeningen op "Titus Andronicus"

aangehaald.

[18] Er waren ook particuliere schouwburgen. Deze waren ingericht

naar het model der raadhuis- of gildenzalen, die, voordat er

openbare schouwburgen waren, voor tooneelvertooningen dienden (zie

blz. 11). Zij waren geheel overdekt en hadden ook in het parterre,

_the pit_, zitplaatsen voor de toeschouwers; er kon niet alleen over

dag, maar ook bij kunstlicht gespeeld worden.

[19] Men vindt een afbeelding hiervan in: Dr. K. Th. Gaedertz,

_Zur Kenntnis der altenglischen Bühne_, Bremen 1888. Dr. Gaedertz

ontdekte haar in de bibliotheek der Rijks-universiteit te Utrecht;

zij is herkomstig van zekeren Johannes de Wit, kanunnik van

St. Marie te Utrecht, een geleerd man, die theologie, geschiedenis en

oudheidkunde beoefende; hij moet omstreeks 1596 Engeland bezocht en

er aanteekeningen gemaakt hebben; deze zijn niet te vinden, doch zijn

vriend, de rechtsgeleerde Arend van Buchell (1565-1641), heeft er de

teekening van den Zwaan-schouwburg en de bijbehoorende aanteekening uit

gekopieerd, en dit afschrift is door Dr. Gaedertz te Utrecht ontdekt.

[20] Burbage stierf twee jaren na Shakespeare, in 1618. Er bestaat

een elegie op zijn dood, die door Collier ontdekt en openbaar gemaakt

is. In deze elegie worden verscheiden rollen van Burbage opgenoemd,

vaak met enkele aanwijzingen, waaruit men kan afleiden, hoe hij ze

opvatte. Daar het mij niet bekend is, of de echtheid van dit gedicht

door geloofwaardige onderzoekers bevestigd is, meende ik er niets

uit te moeten ontleenen. Van Collier toch is het bekend, dat hij

verscheiden valsche documenten heeft uitgegeven, zoodat het geraden

is zijn mededeelingen alleen dan voor echt en waar aan te nemen,

wanneer zij door degelijk onderzoek van anderen gewaarmerkt zijn.

[21] Bij de uitgave van een _jig_ van Kempe, van 1660, is een houtsnede

gevoegd, die hem met zijn trommelslager-pijper voorstelt. Ook van

zijn voorganger Tarlton bestaat zulk een afbeelding, doch daarop

draagt deze zelf de beide muziekinstrumenten.

[22] Het gezelschap, waartoe Shakespeare behoorde, schijnt omtrent

zestien man sterk geweest te zijn; de meeste andere gezelschappen

telden minder leden. Natuurlijk moesten zij zich meermalen door

figuranten laten bijstaan en niet zelden moest een tooneelspeler meer

dan één rol in een stuk vervullen.

[23] Vernuftig is de gissing van Halliwell-Philips, dat Shakespeare

het paard, waarop hij van Stratford naar Londen was gereden, te

Smithfield zou verkocht hebben. Daar zou hij in kennis zijn gekomen

met Richards vader, James Burbage, den eigenaar van Londens oudsten,

in 1576 geopenden schouwburg in Shoreditch, _the Theatre_. Deze had in

Smithfield zijn stallen en zou volgens deze gissing Shakespeare belast

hebben met de zorg voor de paarden, door hem aan schouwburgbezoekers

verhuurd.

[24] Het woord _whereabout_ drukt uit "wat ik ga doen", "waarmede ik

bezig ben", en wordt dus nog beter door _doel_ of _doen_ vertaald

dan door "gang"; men vergelijke reg. 4 van het volgend tooneel:

_He is about it_, "Hij is aan 't werk", "Hij is bezig".

[25] Ter toetsing mijner vertaling zijn de plaatsen niet door mijzelf

uitgezocht, maar aan Furnivall's introductie voor den _Leopold

Shakspere_ ontleend.

[26] Ook deze aanhalingen zijn niet door mijzelf uitgekozen, maar

ontleend aan de uitmuntende introductie van James Darmesteter voor

zijn _édition classique_ van Macbeth, Paris, Ch. Delagrave, 1881.

[27]

O Juliet, if the measure of thy joy

Be heaped like mine and that thy skill be more

To blazon it, then sweeten with thy breath

This neighbour air, and let rich music's tongue

Unfold the imagined happiness that both

Receive in either by this dear encounter.

[28] Wel werd het stuk eerst in 1597, en wel in een zeer gebrekkigen

vorm, als het ware verminkt, uitgegeven, doch het was toen zeker reeds

enkele jaren vroeger geschreven en gespeeld. Een omwerking neme men

niet aan; men vergelijke hierover de Aanteekeningen, bij het stuk

gevoegd. Over het algemeen zal hier, wat in de aanteekeningen op de

stukken is medegedeeld, niet herhaald worden; waar het vermeld moet

worden, wordt het slechts kort aangestipt.--Dat de herinnering aan

"De twee Edellieden van Verona" bij den dichter nog levendig was,

toen hij Romeo en Julia schreef, kan blijken, als men vergelijkt, wat

in genoemd stuk, III. 1. 170, Valentijn, en in dit stuk, III. 3. 12,

Romeo van "ballingschap" zeggen.

[29] Reeds in 1476 had Masuccio dezelfde geschiedenis verhaald van

een paar gelieven in Siena; hem volgde in 1524 Luigi da Porto, die de

handeling naar Verona verplaatste en het noodlottig einde op eenigszins

andere wijze tot stand deed komen; uit deze putte Bandello in 1554,

aan wien Brooke de stof voor zijn gedicht ontleende. Men zie verder

de Aanteekeningen.

[30] Hoe allervermakelijkst het stuk ten tijde van Shakespeare voor de

toeschouwers moet geweest zijn, kan men zich het best voorstellen,

als men bedenkt wat reeds blz. 14 is opgemerkt, dat de tijd der

mysteriespelen niet of nauwelijks voorbij was en dat deze door

handwerkslieden gespeeld werden. Men vergelijke bovendien de bij het

stuk gevoegde aanteekeningen.

[31] Wie de bronnen, waaruit Shakespeare geput heeft, uitvoerig

wil leeren kennen, raadplege Simrock, _Die Quellen des Shakspeare_,

zweite Auflage, Bonn, 1870.

[32] Men zie hierover en over de historiestukken in het algemeen de

Aanteekeningen op "Koning Jan".

[33] "Elk wat wils", II. 7. 64.

[34] Aldaar, II. 7. 174.

[35] Zie boven blz. 45.

[36] Zie boven blz. 5.

[37] Dit wapen voert in goud een zwarten rechter sehuinbalk, beladen

met een gouden toernooilans, de punt van zilver, geplaatst in de

richting van den schuinbalk. De wrong is van goud, zwart en zilver,

en het helmteeken is een opvliegende arend, die in den rechterpoot

de lans uit het schild houdt. De wapenspreuk is: _non sans droict_.

[38]

The many-headed multitude were drawn

By Brutus' speech, that Cæsar was ambitious:

When eloquent Mark Antony had shown

His virtues, who but Brutus was then vicious?

[39]

Cog, lie, flatter and face,

Four ways in Court to win men grace,

waren de woorden van Roger Asham.

[40] Voor de verheerlijking van Elizabeth in het laatste bedrijf van

"Koning Hendrik VIII" is Shakespeare niet aansprakelijk.

[41] Van alle gissingen omtrent de personen, die in de Sonnetten

bedoeld zijn, is die van Tyler en Harrison, welke ook door George

Brandes wordt aangenomen, de waarschijnlijkste: de zwarte schoone zou

Mrs. Mary Fitton geweest zijn, een begunstigde hofdame van Elizabeth,

de schoone jongeling William Herbert, in 1580 geboren, later graaf van

Pembroke, dezelfde, aan wien door Heminge en Condell, de eerste uitgaaf

van Shakespeare's verzamelde tooneelwerken in 1623 werd opgedragen.

[42] In de aanteekeningen wordt vermeld, dat het stuk in December

1604 in het paleis des konings gespeeld is; doch de lijst der

tooneelvertooningen ten hove, waaruit dit bericht ontleend is,

wordt voor onbetrouwbaar gehouden.--Voor het overige raadplege men

de Aanteekeningen, waar men opgegeven vindt, uit welke bronnen

Shakespeare de stof voor zijn stuk geput heeft, en hoe hij deze

vervormd en veredeld heeft.

[43] De namen van _Othello_ en _Jago_ komen in de novelle niet voor;

zij worden aangetroffen in een Engelsch verhaal, _God's Revenge against

Adultery_, "Gods wrake over echtbreuk", en zijn dus waarschijnlijk

hieruit ontleend. Dit verhaal heeft overigens niets met Shakespeare's

Othello en evenmin met Cinthio's novelle te maken.

[44] Herhaalde lezing van het stuk en nauwkeurig onderzoek der

bovengenoemde bewijsgronden hebben mij genoopt, mijn vroegere meening,

dat Koning Hendrik VIII een echt Shakespeare-stuk is, te laten varen.

[45] Men vindt dit uitvoerig aangetoond door Richard Gurnett, in den

Irving Shakespeare, vol. VII, pag. 176, alsmede door Georg Brandes,

William Shakespeare (1896), blz. 935 en vgg.

[46] Op het bericht van een vertooning ten hove in 1611 behoeft men

niet te letten; die opgave is vervalscht.

[47] De tienden, waarvan hij, zie boven blz. 70, het recht gekocht had,

brachten hem, volgens de schatting van een gerechtelijk stuk, zestig

pond sterling op. Zijn jaarlijksch inkomen bedroeg, naar vermoed is,

driehonderd, dus naar de tegenwoordige geldswaarde, ongeveer vijftien

honderd pond.

[48] In 1643, tijdens den burgeroorlog, hield koningin Henriette,

gemalin van Karel I, er drie weken lang hof.

[49] De schrijfkunst was toen lang niet algemeen verbreid; ook de

oudste dochter van den dichter Milton kon niet schrijven.

[50] Rowe noemt onder des dichters vrienden zekeren Mr. Combe, een oud

rijk heer, die als geldschieter bekend stond. Deze zou schertsenderwijs

verlangd hebben, dat Shakespeare een grafschrift op hem zou maken,

en wel liefst dadelijk, omdat hij gaarne wilde weten, wat van hem

gezegd zou worden. Ter voldoening aan dit verzoek dienden toen de

volgende regelen:

Ten in the hundred lies here ingrav'd;

'Tis a hundred to ten his soul is not sav'd:

If any man ask, Who lies in this tomb?

Oh! oh! quoth the devil, 't is my John-a-Combe.

Als de geschiedenis waar is, heeft John Combe zeker hartelijk

meegelachen, want hij liet, bij zijn dood, in 1614, aan "Mr. William

Shakespeare vijf pond" na. Doch het verhaal van 't grafschrift is

apocrief, want reeds uit vroegeren tijd zijn zulke grafschriften

bekend, natuurlijk zonder den naam van Combe; zooals:

Ten in the hundred lies under this stone

And a hundred to ten to the devil his gone,

alsmede:

Who is this lyes under this hearse?

Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.

Aubrey maakt ook van de geschiedenis gewag, doch verhaalt haar

eenigszins anders, veel minder waarschijnlijk. Hier kan niet alles

worden medegedeeld, wat van Shakespeare wel verteld en geboekt is;

wie het voornaamste in een beknopt bestek bijeen wil vinden, met

aanhaling van de oorspronkelijke woorden, raadplege in het tweede

deel van Delius' uitgave van des dichters werken de _Biographische

Nachrichten_, alsmede _Erläuterungen und Beilagen_. Men vindt daar ook

den volledigen tekst van Sh.'s testament, de voorrede van de uitgevers

der folio-editie van 1623, de lofdichten, die aan deze zijn toegevoegd

enz.--Voor het hier beoogde doel, het leveren van een duidelijk en waar

beeld van des dichters leven en werken, behoefden deze bouwstoffen,

waaronder vele niet voldoende gewaarmerkt zijn en geen strengen toets

kunnen doorstaan, geenszins alle gebezigd te worden.

[51] In Engeland werd tot 1752 het jaar gerekend te beginnen op

25 Maart.

[52] Volgens den Ouden Stijl; 23 April stemde toen met den 3den

Mei volgens den Nieuwen Stijl overeen. Als sterfdag van den grooten

Spaanschen schrijver Miguel de Saavedra Cervantes wordt (schoon zonder

toereikenden grond) eveneens 23 April opgegeven, doch volgens den

Nieuwen Stijl; deze zou dan tien dagen vóór Shakespeare gestorven zijn.

[53]

Good frend for Jesus sake forbeare,

To digg the dust encloased heare.

Bleste be the man that spares thes stones,

And curst be he that moves my bones.

[54] John Ward, die vicaris in Stratford was van 1648-1679, heeft

enkele aanteekeningen nagelaten, waarin hij vertelt, dat "naar hij

gehoord had", Sh. van nature vernuft had, maar van kunst geen spoor;

dat hij in zijn jonge jaren twee stukken 's jaars schreef, maar

later in Stratford leefde en 1000 pond 's jaars(!) verteerde. Hij

vertelt ook, dat Shakespeare, Ben Jonson en Drayton samen eens een

vroolijken avond hadden en, zoo het schijnt, wat te veel dronken,

zoodat Sh. de koorts kreeg en stierf. De man voegt er gemoedelijk bij,

dat hij Sh.'s tooneelwerken toch eens moet lezen, om er ten minste

iets van te weten.--Dat Sh. zijn oude vrienden gul ontvangen heeft,

als zij hem kwamen bezoeken, is zeer natuurlijk; maar dat hij van

het goede sier maken bij hun bezoek de koorts kreeg, behoeft op de

praatjes van Ward niet aangenomen te worden.--Even weinig gewicht is

te hechten aan het verhaal van Davies (zie bl. 11), dat Shakespeare

als papist stierf. Hij was ongetwijfeld geen puritein: de tijd kwam

weldra, dat wie geen puritein was, voor papist werd uitgemaakt. De

aanleiding tot het zeggen van Davies is dus niet ver te zoeken. Er is

wel eens beweerd, dat Sh. in het Roomsche geloof gestorven is, doch

zonder genoegzamen grond, waarover men Michael Bernays moge nazien.

[55] De vorm is opmerkelijk; op de vermaking van zijn ziel aan God

en van zijn stof aan de aarde, volgt onmiddellijk: _Item, Igyve and

bequeath unto my daughter Judyth_, etc.

[56] _Item, I gyve unto my wife my second best bed with the furniture._

Deze zin stond niet in het eerste ontwerp, maar is tusschen de regels

bijgeschreven.

[57] Op te merken is, dat de naam hier anders gespeld wordt dan in

het testament.

[58] _Item_--_I will that my wife have all the plate that was hers

before I married her; and twenty kye and a bull._

[59] In het lofdicht van Leonard Digges, vóór deze uitgave geplaatst,

wordt namelijk van het monument gesproken.

[60] _Ueber Künstler und Kunstwerke. Zweiter Jahrgang. Heft XI,

XII. Mit 4 Photographien._ Berlin 1867.--Men kan verder ook

het opstel van Prof. Dr. Hermann Schaaffhausen: _Ueber die

Todtenmaske Shakespeare's_, in den tienden jaargang van het

_Shakespeare--Jahrbuch_, blz. 26-49, raadplegen.

[61] Herman Grimm denkt niet aan Cervantes; doch deze had ouder

trekken, was 68 jaar en had een grijzen baard; van hem kan het

afgietsel niet genomen zijn.

[62] Hoe zeer men zich op het veld der gissingen gelieft te bewegen,

kan ook de naam van _Kesselstadter Maske_, waarmede het afgietsel vaak

wordt aangeduid, bewijzen. In Juni 1842 werd de schilderijverzameling

van den overleden graaf en domheer Frans van Kesselstadt in Mainz

onder den hamer gebracht, en nu onderstelt men, hoewel er geen schijn

of schaduw van bewijs voor te vinden is, dat het afgietsel zich in de

verzameling van den graaf bevond en van daar zijn weg gevonden heeft

naar den uitdrager, bij wien Becker het vond. Van den uitdrager waren,

naar het schijnt, geen inlichtingen te verkrijgen, daar zelfs zijn

naam niet vermeld wordt.

[63] Men vergelijke blz. 46.

[64] _'Tis true, and all men's suffrage._

[65] _Soul of the age._

[66] _He was not of an age, but for all time._

[67] _For a good Poet's made, as well as borne._

[68] _Sweet Swan of Avon!_

[69] _Shine forth, thou Starre of Poets._

[70] De naam anders geschreven dan onder de voorrede!

De Werken van William Shakespeare Overzicht van Shakespeare's leven en werken · 第 26 / 26 题