De hemel was voor den dichter weder helder geworden; het onweder
had uitgewoed; de stormen, die zijn gemoed bewogen hadden, waren
bedaard. De werken, die hij na de laatstgenoemde meesterstukken
geschreven heeft, leggen alle zoowel van zijn gelukkige stemming,
die door de schepping van Marina in het tooneeldicht Pericles reeds
was aangekondigd, als van zijn onverzwakt dichtvermogen getuigenis af.
Het "Winteravondsprookje", _The Winter's Tale_, heeft Shakespeare
blijkbaar geschreven tot genoegen van zichzelf en tot vermaak van
anderen. Hij legt een verhaal van Robert Greene, van 1588, "Pandosto
of de triumf van den Tijd", ook onder den titel "Dorastus en Faunia"
uitgegeven, er ten grondslag aan, en brengt ons in een fantastische
wereld, waar de eenvoudigste begrippen van waarschijnlijkheid even
onbekend zijn als die der aardrijkskunde, waarin oudheid, middeleeuwen
en nieuwere tijd, christendom en heidendom, dooreengemengd zijn, waarin
een dochter van den keizer van Rusland bezwijmt bij het vernemen van
een orakel, dat van het eiland Delphos wordt aangebracht, en waarin de
hulp van den schilder Julio Romano (den leerling van Rafael Sanzio)
wordt ingeroepen om een standbeeld te beitelen. Een vaartuig landt
op de kust van Boheme; een edelman legt daar een kind te vondeling;
hij wordt onmiddellijk daarna door een beer verslonden en het geheele
schip vergaat met man en muis, want er mag niemand overblijven om iets
van het gebeurde te vertellen; de vondeling groeit onder gewone herders
op en is toch na zestien jaar niet alleen tot een allerbekoorlijkste
jonkvrouw opgegroeid, maar bezit dan tevens de fijnste beschaving,
zoodat zij alleszins waardig is om met een koningszoon te trouwen; een
door haar gemaal gruwelijk miskende koningin bezwijmt voor onze oogen,
en wij vernemen, dat zij gestorven is; maar na zestien jaren blijkt,
dat zij bijgekomen is en al dien tijd op een landgoed verborgen is
gebleven; wij zien haar weer als een standbeeld, dat levend wordt,
den treurenden, berouwvollen echtgenoot de hand reikt en hem weder
gelukkig maakt. En dit alles volgt snel op elkander; het eene tafereel
wisselt met het ander af, en evenzoo de stemming; de ijverzucht des
konings is zoo ongegrond, zoo ongerijmd mogelijk,--trouwens, wat
ons vertoond wordt, is een sprookje,--maar de toestanden, die er uit
voortvloeien, zijn echt tragisch en de eerste drie bedrijven maken
een treffend treurspel uit; doch het slot van het derde bedrijf
bereidt er ons op voor, dat een vroolijker gedeelte volgt. Zoo
verplaatst ons dan het vierde bedrijf, dat zestien jaar later speelt,
op een herdersfeest, waarin met het herdersvolkje de bekoorlijke
vondelinge, een koningszoon, een koning met een getrouwen hoveling,
en een vermakelijke schavuit, die landlooper en beurzensnijder is,
optreden; de laatste draagt den naam van een zoon van Mercurius,
den god der dieven, en vent als marskramer gedrukte liedjes uit,
zooals dit in Shakespeare's tijd gebruikelijk was. De hoofdpersonen
van dit herdersstuk, dat een ernstige wending dreigt te nemen,
gaan scheep op de kust van Boheme en landen op Sicilië, waar op
het alleronverwachtst, als in een sprookje,--Shakespeare wijst er
meer dan eens op, dat zijn stuk een sprookje ten tooneele brengt,--de
vondeling als koningsdochter erkend wordt, en haar doodgewaande moeder,
die evenzoo verrassend nog in leven blijkt te zijn, haar man en haar
kind aan het hart mag drukken.
Voorwaar, een stuk, dat ten duidelijkste aantoont, hoe jeugdig het
gemoed en de geest des dichters gebleven zijn; hij schept genot in het
verhaal van Greene, dat hij niet nalaat te veredelen en van een blij
einde te voorzien,--want bij Greene sterft de koningin werkelijk en
wordt de koning later verliefd op zijn eigen kind, doch steekt zich,
als hij haar als zoodanig herkent, uit wanhoop dood;--hij weet alle
personen met geest en leven te bezielen; hij laat in het herdersspel
aan de vroolijkheid den vollen loop en doet er een Autolycus optreden,
die de blijgeestigheid zelf is en veeleer de schepping van een jong
en jolig dichter schijnt te zijn, dan van een man, die de stormen
des levens zegevierend heeft doorstaan; zijn rijke verbeelding weet
een eindtooneel voort te brengen, zoo tooverachtig schoon als er
ooit een is uitgedacht; in Perdita en Florizel een jeugdig paar in
het leven te roepen, zoo onschuldig, zoo bekoorlijk, zoo liefelijk
en zoo innig verliefd, als ooit eenig dichter geschilderd heeft;
een koningin als Hermione te doen stralen in al de schoonheid der
jeugd, haar geestig en schalks te doen kouten met den vriend van
haar echtgenoot en bij de wreedste en onrechtvaardigste verdenking
met al den adel van een rein gemoed en de waardigheid eener vorstin
haar onschuld te doen bepleiten, en haar later zonder eenig verwijt,
zonder eenige bitterheid, de hand te doen reiken aan den echtgenoot,
die haar zoo onrechtvaardig vervolgd, doch zijn schuld door jaren van
berouw geboet heeft. Nog op verscheiden andere karakters, op Paulina,
op Camillo, op den ouden herder zou kunnen gewezen worden, doch
het gezegde moge genoeg zijn om te doen zien, in welk een gelukkige
gesteldheid des gemoeds, met welk een levendigen en toch tot volle
rijpheid gekomen geest, de dichter dit stuk geschreven heeft.
Evenals het "Winteravondsprookje" dagteekent "Cymbeline" van 1610 of
1611, dus uit het laatste tijdperk van 's dichters werkzaamheid. De
geheele wijze van behandeling niet alleen, maar ook de stijl en
de versbouw toonen dit voor beide stukken allerduidelijkst aan,
en het wordt ook door uitwendige getuigenissen bevestigd. Evenals
het vorige stuk is Cymbeline rijk aan verscheidenheid; trouwens, zeer
ongelijksoortige bestanddeelen zijn hier tot één geheel vereenigd. Het
hoofddenkbeeld is aan een vertelling van Boccaccio ontleend, doch
de belasterde onschuld, bij Boccaccio de vrouw van een koopman, is
hier de dochter van een koning geworden, en wel van een der Britsche
koningen, die vóór Christus' geboorte in Engeland heerschten en door
Holinshed vermeld worden. Zoo heeft de dichter de lotgevallen van
Imogeen saamgeweven met een oorlog tusschen de Britten en Romeinen. Een
ander deel is geheel zijn eigen vinding, namelijk de gebeurtenissen
aan het hof, waartoe hij de valsche koningin en haar zoon Cloten in
het leven riep; evenzoo heeft hij de lotgevallen der koningszonen
uitgedacht, want Holinshed's kroniek vermeldt alleen hun namen en
zegt overigens niets meer, dan dat de oudste zijn vader is opgevolgd;
van Belarius of Morgan is daar geen sprake. Door de vereeniging van zoo
ongelijksoortige bestanddeelen is een zeer ingewikkeld geheel ontstaan,
waarvan de deelen geenszins alle innig en volkomen zijn saamgesmolten,
gelijk in "Koning Lear" wel het geval is; een deel is echt dramatisch
en in den toon van een treurspel, zooals de verbanning van Posthumus,
zijn afscheid van Imogeen, zijn miskenning van haar trouw, haar tocht
met Pisanio; een ander deel is meer lyrisch, zooals haar verblijf bij
Belarius en de geroofde koningszoons, haar nog onbekende broeders; een
ander deel weder is meer episch, zooals de beschrijving van den strijd
tusschen de Britten en Romeinen. De groote verwikkeling maakt ook het
slottooneel wat al te rijk aan ontknoopingen en verrassingen. Doch wat
men nog meer moge gispen, zooals het optreden van Italianen van den
lateren tijd onder de Romeinen; of men ook opmerke, dat door de groote
samengesteldheid van het geheel de personen, die boven allen belang
inboezemen, ons somwijlen te lang van het tooneel afwezig blijven; of
men ook betreure, dat door de groote verscheidenheid de eenheid van het
drama geleden heeft; niemand zal de hooge dichterlijke waarde zoowel
van het geheel als van al zijn deelen miskennen; wil men Cymbeline
ook al geen voortreffelijk drama noemen, niemand zal aarzelen het
een voortreffelijk dramatisch dichtstuk te heeten. Men lette eens
op de uitstekende karakterteekening, op de treffende toestanden,
op de heerlijke tooneelen,--waaronder die in de grot in de eerste
plaats te tellen zijn,--en men is verzoend met wat men gebreken zou
willen noemen.
Bovendien, er is inderdaad eenheid in het stuk; zij wordt
teweeggebracht en gewaarborgd door Imogeen, een der schoonste
vrouwenkarakters, die Shakespeare, ja, die eenig dichter geschapen
heeft, zoo niet het schoonste van alle. Zij vereenigt in zich de
onschuld van Desdemona, de liefde van Julia, den zielenadel van
Cordelia, de vorstelijke waardigheid van Hermione; haar reinheid en
deugd weerstaan alle beproevingen; hoe zij ook, als de liefde van
haar man haar ontvallen is, den dood moge wenschen en dien gaarne
lijden wil, zij denkt er niet aan, zich dien zelf te geven, maar
heeft den moed, vermomd een gewaagden tocht te ondernemen ten einde
in de nabijheid van haar echtgenoot te komen; haar standvastigheid
in alle gevaren voert haar tot het gewenschte doel; en als zij dan
eindelijk met haar Posthumus vereenigd is, komt geen enkele klacht
over de doorgestane ellende, geen enkel verwijt wegens onrecht of
miskenning over haar lippen; haar vergevensgezindheid, haar zachtheid,
haar lieftalligheid maken, met haar schoonheid en onschuld, haar liefde
en trouw, haar geest en moed, haar tot een beeld van volkomenheid en
wij mogen den dichter dankbaar zijn, dat hij ons aan het eind zijner
loopbaan, zulk een ideaal der vrouw geteekend heeft. Zij staat ons,
als wij haar eens aanschouwd hebben, altijd door voor den geest;
en door haar is het, dat al de verschillende tooneelen, zoowel die
aan het hof, als die in de grot, zoowel die in Rome, als die bij het
Romeinsche leger, zoowel die op het slagveld, als die in den kerker,
inderdaad innig samenhangen en een schoon geheel uitmaken.
Tot dezen zelfden tijd en wel tot het einde van 1612 en het begin
van 1613 is te brengen het stuk, dat in de gezamenlijke uitgave van
Shakespeare's tooneelwerken (1623) als het tiende of laatste der
historiespelen is opgenomen, Koning Hendrik VIII. Het draagt in het
Engelsch den titel: _The Famous History of the Life of King Henry the
Eight_ en stelt belangrijke tafereelen uit het leven van genoemden
vorst voor oogen; het behandelt het bestuur en den val van den eerst
alvermogenden kardinaal Wolsey, de echtscheiding des konings, zijn
huwelijk met Anna Boleyn, de lagen, aan den aartsbisschop Cranmer
door zijn vijanden gelegd, en de verijdeling van dien toeleg door
den koning, het sterven van de gescheiden koningin Catharina van
Arragon en de geboorte van Elizabeth; kortom, het is een reeks van
dramatische tafereelen, die veeleer in kunstmatig verband gebracht
zijn, dan tot een goed geheel vereenigd. Zoo kan men b.v. zeggen,
dat de lotgevallen van den aartsbisschop Cranmer alleen ter sprake
gebracht zijn met de bedoeling van hemzelf te doen optreden en alzoo
door een beroemd persoon de heilrijke regeering van koningin Elizabeth
en haar opvolger, koning Jacobus I, te doen voorspellen. Dit stempelt
het stuk tot een gelegenheidsstuk en eveneens wordt dit aangewezen
door den luister, waarmede de kroningsoptocht plaats grijpt.
Van den tijd, waarop dit stuk, en wel als een nieuw stuk, gespeeld
werd, zijn wij nauwkeurig onderricht; want op den 29sten Juni 1613,
toen het in het Globus-theater gegeven werd, geraakte het gebouw
door de saluutschoten, die er in gelost werden en die het rieten
dak aanstaken, in brand en lag in korten tijd in de asch. Wanneer
wij dit in aanmerking nemen, valt er wel niet aan te twijfelen,
of het stuk is geschreven voor de feesten ter gelegenheid van het
huwelijk van 's konings dochter prinses Elizabeth, dat in Februari
1613 voltrokken werd.
Reeds sinds lang was op de ongelijkheid van de verschillende deelen
van het stuk gewezen, op de bijzonderheid, dat slechts enkele
tooneelen, met name die, waarin koningin Catharina optreedt,
belangstelling wekken, op den uiterst gebrekkigen bouw van het
stuk; maar de omstandigheid, dat Heminge en Condell, de veeljarige
metgezellen en vakgenooten van Shakespeare, het stuk in 1623 in
zijn verzamelde tooneelwerken opnamen, belette, dat de twijfel,
die omtrent de echtheid van het stuk bij den lezer mocht opkomen,
voedsel kreeg. Bovendien dragen enkele gedeelten recht duidelijk den
stempel van Shakespeare's geest, zooals de groote rede, trouw naar de
kronieken gevolgd, waarmede koningin Catharina haar rechten verdedigt,
een rede, die iedereen aan de pleitrede van koningin Hermione in het
Winteravondsprookje moet doen denken.
Wel was er ook reeds vroeger op gewezen, dat er in het stuk twee deelen
zijn te onderscheiden, die in versbouw aanmerkelijk verschillen. Bij
Shakespeare is de versbouw zeer natuurlijk en in het nauwste verband
met den zin, zoodat wie den zin goed leest, vanzelf het vers goed
leest, en zoo is het dan ook in eenige gedeelten van Koning Hendrik
VIII, in andere daarentegen niet. Het was echter eerst in 1850,
dat deze opmerking tot nader onderzoek leidde; toen echter werd er
van drie kanten te gelijk de aandacht nader op gevestigd, vooral
door den bekwamen uitgever van Bacon's werken, James Spedding, die de
vraag stelde: "Wie schreef Shakespeare's Koning Hendrik VIII?" en na
nauwkeurig onderzoek tot het besluit kwam, dat het grootste deel van
het stuk aan den bekenden tooneeldichter John Fletcher (geb. 1576)
was toe te kennen en slechts enkele tooneelen (I. 1 en 2; II. 3 en
4; III. 2 tot aan Wolsey's alleenspraak: "wat beteekent dit?" en
V. I) aan Shakespeare. Sedert hebben onderzoekingen van vele andere
gezaghebbende Engelsche Shakespeare-beoefenaars--en Engelschen zijn
in deze vooral tot oordeelen bevoegd--dit bevestigd; ja sommigen
onder hen gaan langzamerhand zoo ver, dat zij alle medewerking van
Shakespeare aan dit stuk ontkennen. Moge dit misschien al te gewaagd
zijn, daar toch Heminge en Condell het aan Shakespeare toekennen,
volkomen zeker is het, dat Shakespeare vreemd is aan het plan; dit
toch stelt aan den toeschouwer den ongerijmden eisch, eerst om diep
medegevoel te hebben met de verstooten koningin en dan te jubelen
bij de verheffing harer zegevierende mededingster. Evenmin heeft
Shakespeare eenig deel aan de bewierooking van Elizabeths regeering
door Cranmer en aan den lof, aan Jacobus' regeering toegezwaaid;
juist in dit gedeelte zijn de verzen gebrekkig van bouw [44].
Volkomen echt daarentegen is "De Storm", mede blijkens zijn bouw en
inhoud een gelegenheidsstuk; het is, evenals Koning Hendrik VIII,
ongetwijfeld [45] geschreven ter opluistering van het huwelijk van
prinses Elizabeth met Frederik, keurvorst van de Paltz, den lateren
koning van Boheme, en het is voor de eerste maal opgevoerd ten hove
in Februari 1613 [46]. Dat het voor zulk een gelegenheid opzettelijk
geschreven is, blijkt zoowel uit de kortheid van het stuk en uit de
eenvoudige inrichting, als uit de maskerspelen, die het bevat; deze
zijn er niet later ingevoegd, maar maakten er ongetwijfeld van den
aanvang af een deel van uit; zij zijn er niet uit te lichten. Een nader
onderzoek leert, dat "De Storm" bepaald voor dit huwelijk, waarbij
de bruidegom over zee kwam, geschreven is, en het stelt tevens in
het licht, met welk een vaardigheid Shakespeare zijn stukken schreef
en welk een fijn gevoel van wellevendheid, welk een hooge beschaving
hem eigen waren. Toen de verloving van het vorstelijk paar had plaats
gehad en het huwelijk weldra volgen zou, overleed 6 November 1612
de oudste zoon des konings, de veelbelovende en allerwegen beminde
prins Hendrik. Het huwelijk moest uitgesteld worden, maar ging in
Februari 1613 door. Binnen drie maanden werd het stuk geschreven
en opgevoerd. Dat het niet vroeger begonnen werd, blijkt hieruit,
dat prins Ferdinand, van wien zijn vader niet anders denkt, dan dat
hij is omgekomen, de afschaduwing is van den overleden koningszoon,
en Prospero juist door de wijsheid en de edele eigenschappen, die
koning Jacobus zelf waande te bezitten, uitblinkt; de volleerdste
hoveling kon geen meer streelende hulde aan den koning brengen,
terwijl toch alle grove en lage vleierij vermeden is.
Ongetwijfeld was dit onovertroffen meesterstuk, "De Storm",
Shakespeare's laatste werk, waarmede hij afscheid van de tooneelwereld
heeft genomen. Hij verlustigt zich nog eens in de herinneringen
zijner jeugd, toen hij den "Midzomernachtdroom" schiep; hij voert den
toeschouwer op nieuw in een tooverwereld, waarin dienstbare geesten
wonderen tot stand brengen, en hij doet zien, dat zijn verbeelding
en scheppend vermogen nog niets in kracht verloren hebben. Ook de
tijd van "Elk wat wils" (_As you like it_) komt hem weer voor den
geest; nog eens brengt hij ons bij een verdreven hertog, die zich
in de eenzaamheid over het verlies van zijn zetel weet te troosten;
doch welk een verschil! De goede vorst, die, van hovelingen omringd,
in het "Ardenner Woud" geweken is, vergeet het onrecht, dat hem is
aangedaan, door op de jacht te gaan en naar liedjes te luisteren; de
verbannen hertog van Milaan heeft op zijn onbewoond eiland zich gewijd
aan de opvoeding zijner liefelijke dochter, en aan de beoefening der
wetenschap, die hem heerschappij verleent over de natuur en over de
gemoederen der menschen. Hijzelf heeft de school van den tegenspoed
doorloopen; toen hij vroeger Milaan te besturen had, verzuimde
hij, door liefde tot de wetenschap verlokt, zijn plicht, en liet de
uitoefening van het gezag aan zijn broeder over, een verzuim, dat hij
met het verlies van zijn hertogdom had moeten boeten. Doch de rampspoed
was hem tot zegen geweest; zijn geest is gelouterd. Hij gebruikt zijn
macht over de geesten, om zijn tegenstanders, die nabij zijn eiland
en in zijn bereik zijn, tot berouw en onderwerping te nopen; geen
oogenblik komt de gedachte aan wraak bij hem op; andere wezens, die hen
vergezellen en zich misdragen, worden getuchtigd en tot onderwerping
gebracht; wie hem lief zijn, worden door voorbijgaande rampen beproefd
om later des te gelukkiger te zijn. Een edele vergevensgezindheid
zonder zwakte, zucht om wel te doen en geluk te stichten, maken het
wezen van zijn karakter uit. "Een verheev'ner doen is deugd dan wraak",
zegt hijzelf, om zijn handelwijze jegens zijn vijanden te verklaren.
De geheele handeling in dit stuk is uiterst eenvoudig, en toch weet
de dichter een groote verscheidenheid aan te brengen, zoowel in de
tooneelen als in de karakters. Men gevoelt, met welk een welgevallen
hij dat liefelijk paar, Miranda en Ferdinand, in het leven heeft
geroepen. En welk een wondervolle schepping is het monster Caliban,
een wezen, waarvoor de natuur hem geen voorbeeld aan de hand heeft
gedaan en dat hij toch zoo natuurlijk, zoo waar geteekend heeft,
dat men het schier gaat houden voor een afbeelding van den mensch in
den natuurstaat, alleen door lage, dierlijke driften beheerscht! Dat
Shakespeare wist, met welk genoegen dit schepsel zou worden aangegaapt,
blijkt wel uit zijn spottende opmerking, dat zijn landgenooten hun
laatsten duit zouden uitgeven om een vreemden visch of een woest
mensch of een monster te zien.
Terwijl hij in andere stukken twee of drie handelingen dooreen weet
te vlechten en tot een enkel geheel te versmelten, ja somwijlen
dit laatste zelfs nalaat, heeft hij hier alle samengesteldheid
vermeden. Met deze eenvoudigheid van handeling gaat hier gepaard, dat
alles op een beperkte plaats, op een klein eiland, wordt afgespeeld,
en wel in een korten tijd, in drie uren, zooals in het begin van
het stuk en later meer dan eens wordt medegedeeld. Men herinnere
zich, met welk een vrijheid Shakespeare in zoo vele andere stukken
met den tijd omspringt en den toeschouwer van het eene land in het
andere verplaatst; en dan komt men onwillekeurig tot de gedachte,
dat Shakespeare in dit stuk ook eens heeft willen toonen, dat het hem
zeer wel mogelijk was, aan den eisch van eenheid van handeling, tijd
en plaats, door velen voor het drama gesteld, geheel en al te voldoen.
Bewijst Shakespeare in al de zoo verschillende tooneelen, waarin zoo
ongelijksoortige personen optreden, hoe zijn geest volstrekt niets
van zijn jeugdige frischheid verloren heeft, wij mogen tevens niet
nalaten de blijmoedige stemming op te merken, die overal, zoowel in de
boertige en vroolijke, als in de meer ernstige gedeelten doorstraalt,
alsmede de wijsgeerige kalmte, waarmede de wereld en al haar woelen
beschouwd wordt. Zoo ergens, dan spiegelt hier zijn geest zich in zijn
werk af. Hijzelf is het, die als Prospero tot ons spreekt. Na zijn
vurigen jongelingstijd, toen de wereld hem schoon toescheen en hij
het booze wel opmerkte, maar het goede in zijn oog het overwicht had,
was er een tijd gekomen, waarin hij den indruk, dien het sombere en
booze der wereld op hem maakte, in tal van werken op indrukwekkende,
maar sombere wijze moest uiten; doch die tijd was voorbijgegaan,
en kalmer viel zijn blik op de menschheid. Hij doorgrondt den mensch
evenals vroeger; hij kent de boosheid nog, zooals de schildering van
Jachimo doet zien; maar hij geeft telkens blijken van een zachtmoedige
beoordeeling, van een edele vergevensgezindheid; en gaarne laat hij
het oog rusten op wat schoon en liefelijk is, op jeugdige onschuldige
paren, zooals Florizel en Perdita, Ferdinand en Miranda; op edele
vrouwen, bij alle zachtheid sterk door reinheid, deugd, liefde en
trouw, zooals Hermione en Imogeen. Even schoon staat Prospero voor
ons, met zijn tooverstaf; door zijn grootmoedigheid heeft hij een
vroegeren tegenstander tot vriend gemaakt, en het huwelijk hunner
edele kinderen bezegelt den vriendschapsband; aan zijn vijanden heeft
hij vergiffenis geschonken; tevreden ziet hij terug op zijn afgelegde
levensbaan; hij verlaat het eiland, dat van zoovele wonderen getuige
was; hij verbreekt en begraaft den tooverstaf, die ze gewrocht had,
en gaat zich verder aan stille bespiegelingen wijden. Shakespeare
treedt af van het wereldtooneel.