Van welk een jeugdige opgeruimdheid, van welk een genot in het leven
de tooneelwerken van het vorig tijdperk ook getuigenis mogen afleggen
en hoezeer het Shakespeare in de wereld ook voor den wind ging,
de blijmoedige stemming hield niet aan, maar werd weldra door een
ernstige, ja sombere vervangen. De sonnetten, die in 1609, ongetwijfeld
zonder toestemming of medewerking van Shakespeare, het licht zagen
en die vermoedelijk grootendeels uit den aanvang van het nu volgend
tijdperk van zijn leven, omstreeks 1600, herkomstig zijn, mogen als
voldingend bewijs gelden, dat ook stormen zijn gemoed beroerd hebben,
dat hij ook teleurstellingen ondervonden heeft, dat er oogenblikken
waren, waarin hij zijn stand van tooneelspeler haatte, ja, waarin de
ongerechtigheden der wereld hem diep nederdrukten. Wie zich hiervan wil
overtuigen, leze b.v. de sonnetten XXIX, CXI en CXII. Het kan zelfs
wezen, dat juist de voorspoed, dien hij genoot, en zijn aangroeiende
geldmiddelen, die hij wilde bezigen, om een gezeten burger te worden,
hem de hebzucht der menschen nader deden kennen; bovendien kunnen
de moeite, die hij vaak had om het hem verschuldigde te innen, en
de soms voorkomende noodzakelijkheid van gerechtelijke vervolging,
hem ontstemd hebben en de wereld van een minder rooskleurige zijde,
op een minder blijmoedige wijze, doen beschouwen; het lied van
Amiens over den ondank der menschen ("Elk wat wils", II. 7. 174),
mag dit doen vermoeden. De sonnetten spreken ons van veel dieper
grievend leed, waarvan zoo dadelijk meer zal gezegd worden. Doch al
ware dit uitgebleven, verwonderen kan het ons niet, dat de dichter,
iets ouder geworden, op zes-en-dertigjarigen leeftijd zich aan
het behandelen van ernstiger onderwerpen wijdde. Had vroeger het
schrijven van historiestukken de gezette beoefening van Holinshed's
kroniek van hem geëischt, of omgekeerd deze hem tot het schrijven
aangespoord,--in dezen tijd, en misschien reeds veel vroeger, werden
de door den ouden Plutarchus geleverde levensbeschrijvingen, die door
Thomas North in zeer goed Engelsch vertaald en in 1579 verschenen
waren, vlijtig door hem ter hand genomen; de levens van Cæsar en
van Brutus leverden hem de bouwstoffen voor zijn "Julius Cæsar". Dat
een schrijver als Plutarchus hem bijzonder aantrok, is gemakkelijk
te begrijpen, want deze wijdt bijzondere aandacht aan het karakter
der personen. Belangwekkend is het, Plutarchus en Shakespeare te
vergelijken. De dichter volgt den ouden geschiedschrijver zeer getrouw;
hij ontleent er niet alleen de hoofdzaak, maar ook menigen bijzonderen
trek aan. Doch welk een verschil! Bij Plutarchus vindt men een juiste
teekening van enkele hoofdfiguren; de omtrekken zijn duidelijk, er zijn
kleuren aangebracht, doch hard en scherp; lucht en schaduw ontbreken,
en van een kunstvolle groepeering is geen sprake. Men vergelijke nu
Shakespeare; men herkent dezelfde figuren, maar zij leven; wij zien ze
met al de kleurschakeeringen, met het licht en donker, dat de natuur
doet zien, en deze zijn door een onmerkbare kunst zoo geschikt, dat
het eene het andere beter doet uitkomen en het geheel inderdaad een
geheel is. Plutarchus verhaalt, dat Brutus door zijn toespraak het
volk voor een poos tot kalmte wist te brengen, maar dat Antonius,
wien hij verlof gegeven had Cæsars testament aan het volk voor te
lezen, door het toonen van Cæsars wonden en bloedig gewaad het volk
tot woede wist te ontvlammen,--en men zie wat Shakespeare van deze
weinige mededeelingen heeft gemaakt. En hoe is, wat Plutarchus van
Brutus mededeelt, door Shakespeare tot een schoon geheel verwerkt! Wij
zien, hoe Brutus, die van Cæsar weldaden genoten had en hem beminde,
doch tevens het verval der oude republiek betreurde, door Cassius en
daarna door anderen, er toe gebracht wordt saâm te zweren tot een daad,
die tegen zijn natuur strijdt; hoe hij, die door zijn gaven in het oog
des volks de ziel der samenzwering was, overeenkomstig zijn natuur het
bloedvergieten zooveel mogelijk tracht te beperken en de fout begaat,
van na de onmenschelijke daad, die den grooten dictator ten val bracht,
uit menschelijkheid Marcus Antonius te sparen, ja dezen toe te staan,
tot het volk te spreken; hoe hij, die vertrouwd had op de vermeende
rechtvaardigheid zijner zaak en niet gezorgd, dat hij zich in Rome
en Italië kon handhaven, in Azië een leger moet samenrapen om de oude
legioenen van Cæsar te bestrijden; hoe hij in den krijg, meer wijsgeer
dan veldheer, door gebrek aan beleid zijn vriend Cassius ten verderve
brengt, den veldslag verliest en ten slotte genoopt is, het voorbeeld
van zijn vriend en medebevelhebber te volgen en zichzelf den dood te
geven. Wanneer men aldus het karakter en het lot van Brutus nagaat,
en opmerkt, hoe hier de samenzwering tegen Julius Caesar in zijn
oorsprong, voortgang en afloop volledig voor oogen wordt gesteld,
dan zal men erkennen, dat aan de eenheid van handeling in dit stuk
niets ontbreekt. Deze eenheid is meermalen miskend, omdat het stuk
niet naar Brutus, die van het begin tot het einde de belangrijkste
rol er in speelt, maar naar Julius Cæsar genoemd is. Toch heeft de
dichter niet ten onrechte den laatstgenoemden titel gekozen, want na
Cæsars dood werkt zijn macht nog voort, zooals Brutus zelf, bij het
zien van Cassius' lijk, getuigt.
Het stuk moet van 1600 of 1601 dagteekenen, want reeds vóór Drayton,
die er in 1603 een uitdrukking aan ontleende, deed Weevers hetzelfde,
in zijn "Spiegel van Martelaren", _Mirror of Martyrs_, welk gedicht
in 1601 verscheen; hij maakt er gewag van, hoe de veelhoofdige
menigte door Brutus overtuigd werd, dat Cæsar heerschzuchtig was,
maar door Marcus Antonius, die Cæsars deugden roemde, van meening
veranderde. Aan Plutarchus kon Weevers dit niet ontleenen [38].
Op "Julius Cæsar" volgde reeds in 1602 "Hamlet"; want dat dit stuk
reeds in Juli van dat jaar bestond, al verscheen er eerst in 1603 een
verminkte uitgave van, blijkt uit de registers van den boekhandel; men
zie hierover de aanteekeningen op Hamlet. Aldaar vindt men de vraag
behandeld, of Shakespeare in zijn eerste ontwerp en bewerking van
den Hamlet later al of niet aanzienlijke wijzigingen gebracht heeft;
in het eerste geval kan de onvolkomen uitgaaf van 1603 ons zijn
eerste ontwerp, de veel betere van 1604 de omwerking doen kennen;
in het tweede zijn bij de vertooning afgeluisterde en opgeschreven
gedeelten door een ander aaneengelascht en is de tekst van 1604 de
eenige en oorspronkelijke, zooals Shakespeare dien uit de handen gaf
om gespeeld te worden.
Heeft Shakespeare zich in den "Julius Cæsar" getrouw aan de
mededeelingen van Plutarchus gehouden, voor den "Hamlet" heeft hij aan
een oud verhaal nagenoeg niets anders dan den gang der gebeurtenissen
ontleend, doch dezen nog aanzienlijk gewijzigd en de handeling in
een geheel anderen tijd verplaatst; de rijke karakterschildering is,
zooals men van het geheele onovertroffen meesterstuk kan zeggen,
volkomen oorspronkelijk. Merkwaardig is de overeenstemming tusschen
Brutus en Hamlet: Brutus heeft een taak op zich genomen, die tegen zijn
natuur strijdt en begaat daardoor fouten, die hem te gronde richten;
en op Hamlets schouders is een taak gelegd, die hij door zijn natuur
niet volbrengen kan. Hamlet is veel somberder; hij verkeert meer in
de stemming, die in het zes-en-zestigste sonnet is uitgedrukt. En geen
wonder: Brutus hoopt den staat te redden, door een groot man, dien hij
vereert, te dooden, en het is hem gegeven te handelen; Hamlet heeft
den sluipmoord, op zijn vader begaan, te wreken, en zijn moeder is
met den moordenaar gehuwd; Brutus mag zijn zorgen vertrouwen aan zijn
edele vrouw, Hamlet vindt geen steun bij het meisje, dat hij bemint;
Brutus kan in zijn stervensuur nog juichen, dat hij in zijn geheele
leven niemand had aangetroffen, die hem niet trouw was gebleven,
Hamlet heeft slechts één vriend, Horatio, wien hij stervend smeekt,
een wijl nog met moeite in 's werelds booze lucht adem te halen;
waar hij zulk een leven heeft moeten leiden, moeten wij het sterven
voor hem gewin achten.
De beide laatstgenoemde tooneelwerken hebben dit nog met elkander
gemeen, dat de hoofdpersonen denkers, mannen van studie, zijn en niet
door een hartstocht, die hen voortdrijft, te gronde gaan. Anders
is het bij de stukken, wier beschouwing nu aan de beurt ligt,
waarin hartstochten de hoofdpersonen hebben aangegrepen en hen in
het verderf storten. Wie ze aandachtig leest en zich tevens in de
sonnetten des dichters verdiept, moet tot de overtuiging komen, dat
de wereld, waarin hij leefde, zijn verontwaardiging, zijn afschuw
zelfs wekte; gebeurtenissen, waarvan hij getuige was geweest, hebben
hoogstwaarschijnlijk zijn ziel van wrevel vervuld, en tevens moeten in
zijn eigen binnenste stormen hebben geheerscht. De ziel van Shakespeare
was vol en eerst nadat hij die had uitgestort in zijn tooneelwerken
en sonnetten, heeft zij haar kalmte herwonnen en den vrede gevonden,
waarvan zijn laatste geschriften getuigen. De geschiedenis van zijn
tijd en zijn sonnetten vergunnen ons een blik te slaan op wat er in
hem is omgegaan.
Uit de gebeurtenissen van Shakespeare's tijd behoeft hier alleen
het een en ander aangestipt te worden, wat hem ongetwijfeld diep
gegriefd heeft. Dat er omgang bestond tusschen tooneelspelers en
jonge edellieden, die de vertooningen bijwoonden en op het tooneel
hun zitplaats hadden, is reeds vermeld; dat Shakespeare in den graaf
van Southampton een begunstiger gevonden had en dat deze de opdracht
van zijn Venus en Adonis en zijn Lucretia had aangenomen, is mede
reeds gebleken. Men mag vermoeden, dat er tusschen den edelman en
den begaafden tooneeldichter inderdaad een vriendschappelijke omgang
heeft plaats gevonden, en dat Shakespeare belangrijke geschenken
van hem ontvangen heeft. Hoe moet het hem dus gegriefd hebben, dat
Koningin Elizabeth, toen Southampton in Augustus 1598 tegen haar
verbod in met Elizabeth Vernon, een nicht van Graaf Essex, huwde, den
jonggetrouwden man de wittebroodsweken in den Tower liet doorbrengen
en hem wel weder vrijliet, maar niet weder in genade aannam. Het werd
hem ook niet vergund, hoewel hij zich vroeger bij een zeegevecht zeer
onderscheiden en een vijandelijk schip buitgemaakt had, deel uit te
maken van den krijgstocht, die onder bevel van Essex in Maart 1599
tot demping van een opstand in Ierland werd ondernomen. Men had van
dezen tocht, waarop Shakespeare in den proloog voor het 5de bedrijf
van zijn Koning Hendrik VI zinspeelt, veel verwacht, maar de uitkomst
beantwoordde geenszins aan de verwachtingen; om den toorn der koningin
te bezweren waagde Essex, tegen haar bevel in, in September naar
Engeland te komen, verkreeg gehoor, maar werd, schoon aanvankelijk
niet ongunstig ontvangen, niet meer in de vroegere genade aangenomen,
in Juni 1600 zelfs voor een gerechtshof gebracht en tot gevangenis
in zijn huis veroordeeld, totdat het aan de koningin behagen zou
hem hiervan te ontslaan. In Augustus herkreeg hij zijn vrijheid,
maar de gunst der koningin erlangde hij niet terug, zelfs verloor
hij een groot deel zijner inkomsten, daar een monopolie, waarvan
hij tot dusverre deze getrokken had, na afloop van den termijn hem
niet op nieuw verleend werd. Van zijne vijanden aan het hof het
ergste vreezende, besloot hij, om deze te verwijderen, de koningin
te overrompelen. De onberaden poging, in de eerste dagen van Februari
1601 beproefd, mislukte geheel; 8 Februari werd hij gevangengenomen,
te gelijk met Southampton, die in zijn aanslag had gedeeld. Zij werden
19 Februari voor hun rechters gebracht en beiden ter dood veroordeeld.
Essex' hoofd viel 25 Februari; aan Southampton werd het leven
geschonken, maar hij werd tot levenslange gevangenis veroordeeld;
in 1603, bij de troonsbeklimming van Elizabeths opvolger, Jacobus
I, herkreeg hij de vrijheid. Bij dit rechtsgeding tegen Essex
deed Francis Bacon, de groote denker, die tallooze weldaden van den
ridderlijken Essex genoten had, zich van een hoogst ongunstige zijde
kennen en heeft meer dan iemand tot den rampzaligen afloop van het
rechtsgeding bijgedragen. Dit alles moest Shakespeare diep treffen,
en daar hij genoeg bekenden aan het hof had en ook onder het volk
verkeerde, waren hem ongetwijfeld vele bijzonderheden nauwkeurig ter
oore gekomen, die de zwarte ondankbaarheid van Bacon openbaarden en ook
de diepe verdorvenheid van het hof, waar vele hovelingen alles hadden
ingespannen om Essex ten val te brengen, waar bedrog, leugen, vleierij
en huichelarij de middelen waren om vooruit te komen, [39] waar allen,
schoon steeds eerbied en liefde voor Elizabeth huichelend, hun oogen
reeds naar Schotland, naar koning Jacobus, richtten en in betrekking
tot hem stonden. Evenzoo kende hij ongetwijfeld de schaduwzijden van
het karakter van Elizabeth, wier ijdelheid en veinzerij met de jaren
waren toegenomen en die nu zijn vriend Southampton tot levenslange
hechtenis had veroordeeld; toen zij gestorven was, stemde hij niet in
met de treurzangen van zoovele Engelsche dichters en de aansporing
van Chettle kon hem geen lied tot haar lof ontlokken [40]. Hamlets
woorden: "hoe laag en troosteloos komt mij al 't woelen van de wereld
voor!" zijn zeker uit het diepst van Shakespeare's ziel gevloeid.
Doch er was ongetwijfeld veel meer, dat Shakespeare somber stemde;
hij had hoogstwaarschijnlijk zichzelf bittere verwijten te doen. Te
midden van het zedenbederf, dat alle standen had aangegrepen, was ook
hij, zoo wij de duistere bekentenissen der Sonnetten goed verstaan,
niet vlekkeloos gebleven; hij was geboeid geworden door een vrouw van
donkere gelaatskleur, vol geest en talenten, waarschijnlijk jong, maar
geen onervaren maagd, geen volkomen schoonheid, maar onweerstaanbaar
bevallig, waarschijnlijk van veel hoogeren stand dan hijzelf. Dat hij
omgang gehad heeft met beschaafde en geestige vrouwen, blijkt uit zijn
tooneelwerken. Doch de sonnetten leggen getuigenis af van de macht,
die de donkere schoone op hem uitoefende, hoewel hij vermoeden kon
of zeker wist, dat zij hem niet trouw was. Tegelijkertijd had een
jonkman van edele geboorte, veel jonger dan Shakespeare, zijn omgang
gezocht, zich als vriend bij hem aangesloten en hem ongetwijfeld door
de een of andere milde gift aan zich verplicht. Shakespeare kreeg
den jongeling innig lief, maar weldra gelukte het aan Shakespeare's
donkere geliefde, met wie de jonkman in kennis kwam, diens liefde
te winnen. Zoo gevoelde zich Shakespeare bitter gekrenkt, maar hij
moest ten slotte aan zijn jeugdigen vriend vergiffenis schenken,
want hij kende maar al te goed haar verleidelijke gaven, waardoor zij
ook hemzelf, den volwassen en gehuwden man, geboeid had. Hij overwon
dien hartstocht; zijn ziel hervond haar kalmte, schoon niet dan na
een bitteren tijd van wroeging en berouw [41].
Zoo werkten hoogstwaarschijnlijk bij Shakespeare het lot van Essex en
Southampton, zijn afkeer van den tooneelspelersstand en de verwijten,
die hij zichzelf te doen had, samen om hem in de sombere stemming te
doen verkeeren, waarvan zijn eerstvolgende tooneelwerken getuigen.
Want voorzeker, indien Shakespeare in "_Maat voor Maat_" een blijspel
heeft willen leveren, dan is de poging geheel mislukt. De tijd
van "_Elk wat wils_" en van "_Driekoningenavond_" is voorbij. Het
stuk eindigt wel is waar met een paar huwelijken, doch de stemming
is somber, en zelfs de scherts, die er in voorkomt, kan niet tot
opgeruimdheid, maar veeleer tot wrevel stemmen. De maatschappij,
waarin wij worden binnengeleid, is vol verderf, en de deugd van den
man, die haar moet hervormen, bezwijkt bij de eerste verzoeking,
bij den eersten aanval van hartstocht; hij tracht het booze, dat
hij pas luide veroordeeld heeft, zelf te doen; hij wil het verborgen
houden door een tweede misdrijf te plegen, en wel onder den schijn
van recht te oefenen; het is alleen een hoogere wil dan de zijne,
die alles tot een gelukkig einde voert. Doch al speelt dit stuk ook in
een verdorven wereld, al is de hemel bewolkt, zoodat geen zonnestraal
het landschap vervroolijkt, als een heilige lichtende engel straalt
er het beeld der strenge, deugdrijke en schoone Isabella; en als ten
laatste de wolken zich verdeelen en de nevelen wegtrekken, blijkt het,
dat ook zij, als een andere Portia, de genade, die verbeteren kan,
in plaats van het straffend recht wil laten gelden, zooals ook de
bedoeling is van den vorst, die door zijn alomtegenwoordigheid het
kwade ten beste heeft weten te keeren. En letten wij nader op den
inhoud, dan vinden wij het stuk rijk in schoonheden van den eersten
rang; wij bewonderen de diepe gedachten, die wij er in menigte in
aantreffen, onder andere de beschouwingen over dood en leven, die
ons de bespiegelingen van Hamlet voor den geest roepen. Hoewel er
vele bijzonderheden in voorkomen, die aan "Eind goed, al goed" doen
denken, is de overeenkomst met de denkwijze en de redeneeringen, die
wij in den Hamlet vinden, onmiskenbaar, zoodat men alle reden heeft
om te vermoeden, dat "Maat voor Maat" onmiddellijk na den "Hamlet"
geschreven is, al wordt dit door geen berichten van buiten af gestaafd
[42]. Het stuk moet dan van 1603 dagteekenen. Shakespeare had lang
genoeg in Londen vertoefd, om de verdorvenheid, die in de groote stad
heerschte, te leeren kennen; en het jaar was wel geschikt om tot ernst
en tot nadenken over den dood te stemmen, daar Londen door een groote
pestilentie bezocht werd, die in één jaar, van 23 December 1602 tot
22 December 1603, niet minder dan 30578 personen ten grave sleepte,
terwijl de geheele sterfte 38244 bedroeg.
Hoe somber "Maat voor Maat" ook zij, Isabella verdrijft er de nevelen
en de wereld, waarin haar licht straalt, is niet te verachten. Veel
somberder nog is het tafereel, dat in "_Troilus en Cressida_" wordt
ontrold. Daarin wordt de heldenwereld der Grieken aan verachting ter
prooi gegeven; Ajax, Agamemnon, Achilles, Patroclus, Calchas, allen
zijn afschuwelijk, de wijsheid van Ulysses is niets dan schrandere
wereldwijsheid zonder eenige hoogere wijding, en Thersites, hoe
verachtelijk ook voorgesteld, schoon niet meer dan een keffende
hond, heeft in den grond gelijk, dat hij allen bij elke gelegenheid
beschimpt. De wereld, waarin het stuk ons verplaatst, is, zooals Dowden
terecht opmerkt, volgens Hamlets uitdrukking, "een woeste hof, die in
het zaad schiet; geil, afschuwlijk onkruid neemt ieder plekje in". Men
moet niet vermoeden, dat Shakespeare met Homerus, van wiens epos hem
ongetwijfeld verscheiden gedeelten uit Chapman's vertaling bekend
geweest zijn, in het strijdperk heeft willen treden en zijn gedichten
in een bespottelijk daglicht heeft willen stellen, veeleer heeft hij
zijn bezwaard gemoed, zijn wrok tegen de wereld bij het schrijven
van dit stuk lucht gegeven en in plaats van een blijspel of boeiend
tooneelstuk een allerbitterste satire geleverd. De middeleeuwsche
verhalen aangaande het beleg van Troje en het gedicht van Chaucer,
_Troilus en Cressida_ getiteld, waren zijn bronnen. Dat Shakespeare
zijn gewone onpartijdigheid verloochent, in de Grieksche helden
geen goed kon zien en zeer beslist voor de Trojanen partij trekt,
behoeft niet al te zeer te verwonderen, als men bedenkt, dat hij,
als goed Engelschman, de overlevering aanneemt, die de Engelschen
van Hector doet afstammen. Vandaar, dat Hector niet in een open
strijd sneuvelt, maar door Achilles op laaghartige wijze overvallen
en geveld wordt.--Opmerking verdient het karakter van Cressida,
daar deze onder al de vrouwen, die Shakespeare ten tooneele voert,
de eenige "coquette" is.--Eindelijk verdient ook dit de aandacht,
dat geen enkel zijner stukken zoo rijk is aan spreuken, aan lessen
in wereld- en levenswijsheid, die hij over het algemeen bij monde
van Ulysses verkondigt. Het is, alsof hij hierdoor wilde vergoeden,
dat hij de beroemde Grieksche helden uit den ouden tijd in hun glorie
zoo verkleind, hun den stralenkrans van het hoofd gerukt heeft!
Dat de "Troilus en Cressida" uit denzelfden tijd dagteekent, waarin
"Maat voor Maat" geschreven is en waarschijnlijk onmiddellijk na dit
stuk uit zijn pen gevloeid is, valt bijna niet te betwijfelen; de
geheele geest van het stuk pleit er voor. Bovendien is het bekend,
dat in Februari 1603 de uitgever Roberts zich, door inschrijving
in de registers van den boekhandel, het recht tot uitgaaf verzekerd
heeft van een tooneelwerk, getiteld "Troilus en Cressida, zooals het
gespeeld is door de dienaren van den Lord Kamerheer", d. i. door
het tooneelgezelschap, waartoe Shakespeare behoorde. Hiermede kan
Shakespeare's stuk bedoeld zijn, doch zekerheid bestaat er niet, want
de uitgaaf ging niet door, misschien omdat het stuk bij de vertooning,
waartoe het weinig of niet geschikt is, geen bijval vond. Eerst in 1609
verscheen er een quarto-editie van Sh.'s stuk; aan de verzekering der
voorrede, dat het nieuw en nog nooit vertoond was, behoeft men niet het
minste gewicht te hechten; maar er kan waarheid in schuilen. Het stuk
van 1603 kan de eerste bewerking geweest zijn, die later herzien is
en dan waarschijnlijk vooral in die tooneelen, waarin Ulysses optreedt.
Tot dit zelfde tijdperk van zijn leven moeten, naar het mij
voorkomt, die gedeelten van "Timon van Athene" gebracht worden,
welke van Shakespeare's hand zijn. Want een groot deel van het stuk
is onecht, niet van Shakespeare. Op verschillende wijzen kan men dit
verklaren. Het zou kunnen zijn, dat hij in een bestaand stuk slechts
enkele deelen nieuw geschreven of omgewerkt heeft, namelijk die,
waarin de hoofdpersonen, Timon, zelf optreedt, of dat hij wel een
volledig stuk geschreven heeft, maar dat het handschrift te loor ging
en er slechts enkele deelen of eenige rollen van overgebleven waren;
in dit geval moet dan een ander het stuk ter vertooning gereed hebben
gemaakt. Maar 't kan ook zijn, dat hij, na enkele deelen geschreven
en zijn gemoed lucht gegeven te hebben, het stuk onvoltooid liet. Hoe
dit zij, uit de echte gedeelten blijkt duidelijk, dat Shakespeare
bij het schrijven er van van somberen ernst vervuld was, dat hij de
boosheid en ondankbaarheid van het menschelijk geslacht kende en er
de fiolen van zijn toorn over wilde uitgieten. En dat hij dit in den
"Timon van Athene" ruimschoots gedaan heeft zal niemand ontkennen.
Na zulke uitbarstingen van wrevel en toorn, als wij in de
laatste stukken bijwonen, moest een geest als die van Shakespeare
zijn heerschappij over zichzelf, zijn kalmte herkrijgen. En de
omstandigheden waren gewijzigd; aan de boeien der donkere schoone had
hij zich lang ontworsteld, bij de troonsbeklimming van Jacobus I was
zijn vriend Southampton in vrijheid gesteld; de nieuwe vorst was het
tooneel en in het bijzonder het tooneelgezelschap, waartoe Shakespeare
behoorde, gunstig gezind. Hoe ernstig de stemming ook wezen mocht,
die Shakespeare bezielde, hij beheerschte zichzelf weder volkomen
en schreef van 1604 tot 1606 drie treurspelen, die tot de grootste
meesterwerken behooren, welke ooit door eenig dichter geschapen zijn:
"Othello", "Macbeth", "Koning Lear".
Wie de novelle van Cinthio, waaruit Shakespeare den inhoud voor
zijn "Othello" geput heeft, naleest, vindt niets dan een verhaal,
dat onder de tafereelen uit de lijfstraffelijke rechtspleging
te huis behoort en zeker zonder Shakespeare's meesterstuk lang
vergeten zou zijn [43]. En toch, welke personen, welke karakters
schept de dichter! Othello, niettegenstaande zijn kleur wegens
zijn verdiensten tot krijgsbevelhebber benoemd, edel en gematigd,
is echtgenoot van een jeugdige schoone vrouw, die schuchter is, stil
en zacht, de reinste onschuld, en wier argeloosheid haar later ten
verderve strekt; hij wordt, hoe gewoon ook zichzelf te beheerschen,
door een schurk, die den schijn van rechtschapenheid en welwillendheid
weet aan te nemen, en een groote mate van practische wereldwijsheid
bezit, tot jaloerschheid,--oorspronkelijk geheel vreemd aan zijn
edele ziel,--tot razernij vervoerd, zoodat hij zijn schuldelooze
vrouw wegens haar vermeende ontrouw om het leven brengt! En met
welk een zorg is Jago geteekend, die wegens zijn verdiensten als
soldaat en zijn geslepenheid, waarop hij trotsch is, niet aan Othello
vergeven kan, dat hij niet de eerste plaats naast dezen inneemt, en
die met weergâlooze list zijn bevelhebber weet te verstrikken! In
de novelle koestert Jago een hartstocht voor Desdemona en tracht
tevergeefs de gunst der kuische vrouw te verwerven, zoodat de spijt
over het mislukken zijner pogingen hem een prikkel is tot zijn
handelwijze. Shakespeare heeft deze beweegreden niet overgenomen;
Jago's wrok over vermeende miskenning is de voornaamste drijfveer,
waarbij nog zijn lust komt in berekenende boosheid, welke hij meer
dan eens in zijn alleenspraken aan den dag legt. Bij al zijn slimheid
wordt toch op eens zijn schurkerij ontmaskerd, en dit doet hem een
oogenblik zijn zelfbeheersching vergeten, zoodat hij zijn vrouw
doorsteekt.--Diep weemoedig is de indruk, dien het treurspel bij
ons achterlaat door den ondergang van twee zoo edele wezens, als de
trouwhartige Othello en de schuldelooze Desdemona.
Niet minder somber is de stemming, die in den "Macbeth" heerscht;
in geen van Shakespeare's werken komt het woord "bloed" zoo dikwijls
voor. Doch hoe schrikkelijk dit stuk ook zij, onweerstaanbaar worden
wij van het begin tot het einde geboeid, en wij wagen eerst dan weder
adem te halen, wanneer na den val van den tyran en den dood zijner
onzalige vrouw een betere toekomst voor het rampspoedig Schotland
gaat aanbreken. De dichter houdt ons zoo bezig, laat alles zoo goed
ineengrijpen, dat wij zelfs geen oogenblik nadenken over den duur
van Macbeth's regeering, die volgens de kroniek zeventien jaren omvat
heeft. En alles in het stuk is in overeenstemming met het onderwerp. De
forsche gestalten van de helden Macbeth Banquo, die zoo juist in
een heftigen strijd onder storm en onweêr een roemvolle overwinning
hebben behaald, behooren te huis in het woeste, rotsachtige landschap,
waarin de heksen uit nevelen te voorschijn treden, en Macbeth tot
het booze verlokken, zonder dat echter de vrijheid van zijn wil aan
banden gelegd is; hij blijft dus verantwoordelijk voor de schuld, die
hij op zich gaat laden. De kiem van het kwade, die in hem sluimerde,
wordt tot leven gewekt, en de eerzucht zijner vrouw weet de zijne
zoo te prikkelen, dat zijn betere natuur bezwijkt en hij moordenaar
wordt van zijn koning, van de goedheid zelf, die bij een helderen
hemel hem op zijn schoon kasteel komt bezoeken. Doch de hemel wordt
weldra zwaar bewolkt; in een stormachtige nacht wordt de gruweldaad
gepleegd, en terstond daarna begint reeds de straf, door de ontzetting,
die zich van Macbeth meester maakt. Moge zijn vrouw hem moed inspreken
en met de folteringen van zijn geweten spotten,--dat ook haar kracht
te kort kan schieten, blijkt reeds kort na den moord; op het gastmaal
behoeft zij reeds de opwekking van haar man om opgeruimd te zijn;
eerst als deze bij het zien van Banquo's geest geheel ontdaan is,
hervindt zij de kracht, die de omstandigheden van haar eischen. Doch
het bewustzijn, dat zij niet alleen den moord heeft doen plegen, maar
dat ook de heldennatuur van haar man door haar ten val gebracht is,
werkt in haar voort en doet in den slaap, als zij geen weerstand
vermag te bieden, haar kracht ten gronde gaan. Macbeth zelf, hoe
zeer het gevoel zijner misdaad zijn gemoed geschokt hebbe en zijn
kracht gebroken, tracht door manhaftigheid zich tegen de gevolgen te
verzetten; hij ontziet, om zich staande te houden de ergste middelen
niet; hij waadt door bloed, en roept zelfs den bijstand der heksen in,
dien hij het volgend oogenblik als nietig erkent; doch hij verwijt
zijn vrouw geen oogenblik, dat zij hem tot de onheilvolle daad heeft
aangezet, en neemt manmoedig de gevolgen er van op zich; hij valt,
schoon tot vertwijfeling gebracht, als held in den strijd. Gelukkig,
dat, nu zijn verduisterde zon ondergaat, zich een nieuwe veelbelovende
dageraad aan de kim vertoont.
Evenzeer als "Othello", als "Macbeth", ja, in nog hoogere mate is
"Koning Lear" een onvergelijkelijk meesterstuk te noemen. Het
overtreft in sombere verhevenheid alles wat ooit de dramatische
dichtkunst voortgebracht heeft. Doch schrikkelijk is het; men
rilt, als de rampzalige, door zijn ontaarde, beweldadigde dochters
uitgestooten grijsaard op de heide in storm en onweer rondwaart,
als zijn gehuil met dat van de winden wedijvert, als de reeds lang
sluimerende waanzin eindelijk uitbreekt, als hij, voor een oogenblik
in een armelijke stulp tegen het weder beschermd, daar samen is met den
geveinsd waanzinnigen Tom en den trouwen nar, die hem bittere waarheden
verkondigd heeft; als hij, door de trouwe zorgen van zijn liefhebbende
Cordelia van zijn waanzin hersteld en met haar gevangengenomen, zijn
eenig getrouw kind dood in de armen houdt, zijn aandoenlijke klacht
uitstort en bezwijkt!--En met die treffende geschiedenis is een tweede
samengeweven, niet minder schokkend en roerend, een overeenkomstige
geschiedenis van een vader, die zijn besten zoon miskend heeft en
door den anderen, den begunstigden, met den zwartsten ondank beloond
wordt, en die in zijn diep rampzaligen toestand door den verstooten
zoon, zelf een toonbeeld van ellende, verpleegd wordt! En deze twee
geschiedenissen zijn zoo innig verwant, dat de eene volstrekt geen
herhaling schijnt van de andere, maar beide elkanders werking verhoogen
en tot een innige eenheid zijn saamgevloeid!
Van "Pericles, vorst van Tyrus" behoeft hier slechts kort gesproken
te worden. Omtrent dit stuk, dat door de uitgevers der folio-editie
niet als echt erkend, ten minste niet in hun uitgave opgenomen werd,
is in de aanteekeningen met mededeeling der gronden gezegd, dat het
niet van Shakespeare is, maar dat hij er, in de tweede helft, eenige
tooneelen van gewijzigd of ook geheel nieuw geschreven heeft. Het
belang van het tooneelgezelschap, waar hij aan verbonden was, bracht
dit zeker mede, en wellicht heeft hij meermalen zulk een arbeid
verricht. Ditmaal trok ongetwijfeld de figuur van Marina hem aan,
en heeft hem het stuk doen verrijken met eenige heerlijke tooneelen,
die uit den tijd der volle rijpheid van zijn talent dagteekenen. Hij
schreef deze kort vóór of in 1608. Zijn medewerking aan dit stuk,
de aard der tooneelen, die van zijn hand zijn, en vooral het scheppen
van zulk een liefelijk wezen als Marina, mogen ons ook om een andere
reden belang inboezemen. Zij geven ons reden om te vermoeden, dat de
ernstige, ja sombere stemming, die, na den "Hamlet", zijn drie groote
treurspelen: "Othello", "Macbeth", "Koning Lear" in het leven riep,
voor een kalmere, meer opgeruimde geweken was, dat hij het leven met
een meer toegevenden, met een zachteren blik gadesloeg.
Dit kan ons ook duidelijk worden, als wij op zijn "Antonius en
Cleopatra" de aandacht vestigen, welk stuk in 1607 of 1608, misschien
vóór Pericles, moet geschreven zijn. Het is hier de plaats niet om aan
te wijzen, hoe nauwkeurig Shakespeare zijn bron, Plutarchus, gevolgd
heeft; hoe hij de overrijke stof, waarover in de Aanteekeningen
uitvoerig gehandeld is, in een beperkt bestek heeft weten saam
te dringen; hoe hij, zelfs te midden van vele gebeurtenissen, zoo
groot en zoo verscheiden, dat zij het overzicht bemoeilijken en men
wenschen zou er minder van overstelpt te worden, zorg gedragen heeft de
verschillende karakters juist en scherp te teekenen en de handelingen
der personen uit hun karakter te doen voortspruiten. Evenmin kan
hier gewezen worden op de groote dichterlijke schoonheden van
het wondervolle stuk. Wat hier wel opgemerkt moge worden, is, dat
het fel bewogen gemoed des dichters, dat zich uit in "Othello", in
"Koning Lear", in "Macbeth", dat kreten van wanhoop slaakt in "Timon
van Athene", bij het schrijven van zijn "Antonius en Cleopatra" tot
kalmte gekomen is. Wij zien deze beiden aan den hevigsten hartstocht
ten prooi, wij zien hen bezwijken voor de slagen van het lot, die
het onafwendbaar gevolg zijn hunner handelingen; de dichter heeft
ons hun feilen niet verzwegen, doch geen woord van verwijt komt over
zijn lippen; het is, als stond hij naast ons, wanneer de heldhaftige
Antonius, die tot het uiterste gestreden heeft en het sterven zijner
geliefde vernemen moest, zich den dood geeft, wanneer Cleopatra, in
vorstelijk praalgewaad; de grimmige adders aan de borst legt om haar
koninklijke eer te redden, schande te ontgaan en naar haar Antonius te
ijlen; het is ons, als drukte zijn blik, bij het aanschouwen zijner
eigen schepping, diepen weemoed uit, dat deze heerlijke wezens zich
aan den ondergang hebben gewijd.
Tot dit tijdperk van des dichters leven moet ook nog zijn "Coriolanus"
gebracht worden, een wonderschoone schepping, ongetwijfeld omstreeks
1609 tot stand gebracht. Evenals bij de twee andere Romeinsche
stukken, was ook hier Plutarchus zijn trouwe gids. Hier verbijstert
ons geen veelheid van gebeurtenissen, maar de eenheid van handeling
is voortreffelijk bewaard; hier vinden wij als achtergrond den strijd
tusschen de Patriciërs en Plebejers, waartegen de heldenfiguur van
Coriolanus schitterend uitkomt, een karakter, dat door zijn waarheid
en waarachtigheid boeit maar door zijn mateloozen trots ten slotte tot
verloochening van zijn vaderland gebracht en in het verderf gestort
wordt. De geheele opvatting en fijne uitwerking maken den "Coriolanus"
tot een van de grootste meesterstukken der dramatische literatuur.
Dat in "Coriolanus" zijn fiere moeder Volumnia en zijn zachte
echtgenoote Virgilia bijzondere aandacht verdienen, zij hier
slechts even aangestipt, doch moge ons aanleiding geven om het tal
van vrouwenfiguren, die Shakespeare in de tot dusverre besproken
stukken ten tooneele bracht, nogmaals te overzien; want ook dit
kan ons een blik doen slaan op zijn levensbeschouwing en op de
verandering, die deze in den loop der jaren ondergaan heeft. In
de eerste historiestukken zijner jeugd treden vrouwen op, in wie
de eerzucht alle zachtere gemoedsaandoeningen gedood heeft, zooals
de hertogin van Gloster en koningin Margaretha, en later in "Koning
Jan" de koningin Eleanor, of anderen, bij wie angst en hartgrievende
kommer hartstocht en behoefte aan wraak hebben gewekt, zooals bij
Constance in laatstgenoemd stuk. In de vroegere blijspelen ontbreekt
bij de vrouwen het diep gevoel en de hartstochtelijke liefde niet,
waarvan Julia in de "Twee Edellieden van Verona", als voorbeeld
moge strekken; en hoe Shakespeare de innigste liefde weet terug te
geven, moge Romeo's Julia getuigen. Maar kenmerkend zijn voor de
meeste vrouwen uit de blijspelen van het eerste en tweede tijdperk de
frissche levenslust, de geestigheid en gevatheid, de stoutmoedigheid,
waarmede zij aan haar hartstocht of aan haar eens opgevat plan gehoor
geven en recht op het doel afgaan. Hierbij valt op te merken, dat de
karakters langzamerhand fijner en voortreffelijker geteekend worden:
men vergelijke Rosaline uit "Veel Gemin, geen Gewin", met Beatrice uit
"Veel leven om niets", met Rosalinde uit "Elk wat wils", en met Viola
uit "Driekoningenavond". Merkwaardig is ook, dat Shakespeare de meisjes
met echt vrouwelijk en liefhebbend karakter gaarne in mansgewaad dost,
zooals Julia uit de "Twee Edellieden van Verona", de bekoorlijke
Jessica en de rechtsprekende Portia, de schalksche Rosalinde en de
zachte, in al haar doen vrouwelijke Viola; de tegenstrijdigheid van
gewaad en karakter verhoogt het genot, dat de verkleeding aanbiedt,
terwijl Helena, die met waarlijk manlijken geest en moed haar doel
nastreeft, terecht haar vrouwelijk gewaad behoudt.
Kunnen wij uit deze breede schaar van vrouwen opmaken, welke
karaktertrekken en eigenschappen door Shakespeare in den ochtend
en voormiddag van zijn leven geacht werden aan de vrouw de hoogste
bekoorlijkheid en lieflijkheid te verleenen, dan slaan wij ook gaarne
de vrouwen gade, in lateren tijd, toen hij den middag des levens
bereikt had, door hem met meesterhand geteekend. Op de vrouwen, wier
karakter geheel door den aard van het stuk gevorderd en bepaald wordt,
zooals Cleopatra en de behaagzieke wufte Cressida, Lady Macbeth en
de monsters Goneril en Regan, hebben wij hier natuurlijk niet te
letten. Wij vestigen veeleer het oog op Portia, de kloeke en toch
met echt vrouwelijke teederheid liefhebbende echtgenoote van Brutus,
op de engelreine Isabella, op de ongelukkige, liefelijke Ophelia,
op Desdemona, Cordelia, Marina, Virgilia, en wij erkennen, dat aan
Shakespeare in dezen tijd een ander ideaal van vrouwelijke volkomenheid
moet voorgezweefd hebben dan vroeger. "Haar stem was altijd zacht,
lieflijk zacht,--een heerlijk ding bij vrouwen," getuigt Lear van
zijn Cordelia.
Het einde van dit levenstijdperk, waarin Shakespeare zijn groote
treurspelen schiep, mogen wij, zooals boven reeds aangeduid is,
met groote waarschijnlijkheid in 1609 stellen. Hij maakte toen
ongetwijfeld nog steeds deel uit van het tooneelgezelschap, waartoe
hij sinds jaren behoorde. Wel kunnen wij uit enkele sonnetten opmaken,
dat het tooneelspelersleven hem sedert lang tegen de borst stiet; maar
wij moeten toch onderstellen, dat hij nog geruimen tijd aan het tooneel
verbonden bleef, al trad hij, wegens zijn bezigheden als schrijver,
misschien niet vaak of niet in groote rollen op. De talrijke, door
hem tot 1609 geleverde werken, die alle een grondige kennis van het
tooneel tot grondslag hebben, verbieden aan te nemen, dat hij ze ergens
anders dan in Londen en aan het tooneel verbonden, geschreven heeft;
en hij heeft ongetwijfeld ook door zijn tegenwoordigheid gezorgd,
dat zij op waardige wijze werden opgevoerd. Wel was hij blijkbaar
van plan zich later te Stratford te vestigen en de aankoop aldaar
van het huis, _New Place_ geheeten, in 1597 bewijst dit ten volle,
maar ter verwerving van de noodige middelen, om als gezeten burger
onbezorgd te kunnen leven, zal hij nog wel verscheiden jaren na
dien tijd noodig hebben gehad. Dat hij steeds in geldelijk opzicht
vooruitging, blijkt: in 1602 kocht hij landerijen nabij Oud-Stratford,
in hetzelfde jaar een boerderij, niet verre van zijn huis gelegen, en
nog een ander huis en erve, in 1605 een aandeel in het tiendrecht, dat
hem vrij wat opbracht. Doch het is noodeloos al zijn aankoopen, voor
zooverre ze bekend zijn, te volgen; genoeg zij het, hier te zeggen,
dat hij, toen hij zich te Stratford vestigde, tot de zeer gegoede
burgers mocht gerekend worden. Vooralsnog was hij te Londen en een
neef van hem, Thomas Greene, _the Town-clerk_, woonde in 1609 in New
Place. Hoogstwaarschijnlijk verhuisde hij niet vóór 1613, toen hij zijn
laatste stuk, "de Storm", geschreven had, naar zijn geboorteplaats.
Merkwaardig is het, dat Shakespeare, te midden van al zijn bezigheden,
terwijl hij dichterlijke meesterwerken schreef, die nog na eeuwen
de wereld in verrukking brengen, steeds behoorlijk zijn zaken in het
oog gehouden en zelfs goed op de kleintjes gepast had. Zoo vindt men
opgegeven, dat hij in 1604 iemand gerechtelijk vervolgde wegens een
schuld van even f 21.-- (naar tegenwoordige geldswaarde zeker wel
f 100.--), in 1608 een anderen schuldenaar, wegens 6 pond sterling,
en, toen zijn vordering hem na eenige maanden werd toegewezen, doch
de schuldenaar niet te vinden was, den borg er voor aansprak.
Shakespeare's ouders waren nog getuigen geweest van den steeds
wassenden roem huns zoons. Zijn vader stierf in September 1601
en werd in Stratford begraven. Op 7 Juni 1607 huwde zijn oudste
dochter, Susanna, toen 24 jaar oud, met Dr. John Hall, een zeer
geacht geneesheer in Stratford, die een uitgebreide praktijk had;
in hetzelfde jaar, in December, stierf zijn jongste broeder Edmond,
tooneelspeler, in Londen, en werd er op een kerkhof in de nabijheid
van het Globus-theater begraven. In Februari 1608 werd Shakespeare's
eerste kleinkind, Elizabeth, geboren, dat 21 Febr. gedoopt werd;
het bleef het eenigst kind der ouders, en het eenig kleinkind, dat
de dichter gezien heeft. In September van hetzelfde jaar stierf zijn
moeder en werd te Stratford begraven. Had zijn vader er zich reeds
in kunnen verheugen, dat de voorspoed van zijn oudsten zoon den naam
van Shakespeare in Stratford weder in eere bracht, veel meer genot
heeft zijn moeder kunnen smaken door zijn steeds toenemende welvaart
en immer wassenden roem.