Hebben wij vroeger gezien, tot welk een hoogte van volkomenheid
Shakespeare met zijn "Richard III" gestegen was, hij trad in 1593
of 1594 met een ander meesterstuk op, met de tragedie der liefde
"Romeo en Julia" [28]. In zijn "Venus en Adonis" schilderde hij de
hartstochtelijke uiting der liefde bij de vrouw; in zijn "Lucretia"
drijft de hartstocht den man zelfs tot euveldaad; omstreeks denzelfden
tijd schreef hij dit wondervolle stuk. Het onderwerp werd hem geleverd
door een uitvoerig gedicht van Arthur Brooke, _The Tragicall Historye
of Romeus and Juliet_, waarbij hij nog enkele trekken voegde uit
Painter's novelle van "_Rhomeo and Julietta_", te vinden in de
verzameling van verhalen, _Palace of Pleasure_ getiteld [29]; doch,
mocht het aan zijn voorgangers ook gelukken een boeiend, ja treffend
verhaal te leveren, Shakespeare doet de gelieven voor ons leven,
hij doet hun de echte taal der vurigste liefde spreken; wij gevoelen
en denken met hen mede. Heeft een boos gesternte hun den ondergang
bereid, nog in hun dood zegepraalt de liefde, die beider laatste
gedachte was. En hoe hun sterven ons ook roere, wij weten, dat zij
de zaligheid der liefde hebben genoten; zij hebben den bedwelmenden
beker snel geledigd; waarom zouden wij wenschen, dat zij dien vaak
en lang elkander toebrachten? Het einde komt ras, maar hun liefde
bewerkt nog na hun dood vrede en verzoening, waar de haat lange jaren
geheerscht had; verzoend met hun lot, zien wij het scherm vallen.
Wondervol noemde ik Shakespeare's schepping; inderdaad, wien is het
ooit gegeven geweest, een tooneelwerk zoo te doordringen van een
zuidelijken gloed? Welk een betoovering oefent Julia uit, dat ook
de onschuldige aanleiding van den noodlottigen afloop, de haar als
echtgenoot opgedrongen Paris, in het grafgesticht der Capulets moet
vallen! En hoe blijkt hierbij de vroegere droomer Romeo in korten
tijd tot ras-besloten man gerijpt te zijn! Hoe heerlijk komt Julia's
karakter uit bij de verschillende gesprekken met haar voedster! Welk
een geest en leven wordt aan het eerste gedeelte van het stuk verleend
door Mercutio, die, zichzelf steeds gelijk blijvend, op treffende
wijze en juist dan van het tooneel verdwijnt, wanneer de noodlottige
afloop nader komt en zijn rol afgespeeld is! En hoe zijn ook de andere
karakters: de ouders, de vorst, broeder Lorenzo, de dienaars der beide
twistende huizen, geteekend! Van dit alles vindt men geen spoor in de
verhalen, die aan Shakespeare's werk ten grondslag liggen. Al drage
het stuk ook alle kenmerken van de jeugd des dichters, al moge men de
zucht naar woordspelingen en gekunstelde uitdrukkingen er in gispen,
al zou Shakespeare later die feilen waarschijnlijk vermeden hebben, men
mag betwijfelen, of hij op rijperen leeftijd een zoo voortreffelijke
tragedie der liefde geleverd zou hebben.
Uit denzelfden tijd, misschien van iets vroeger, dagteekent de
Midzomernachtdroom; hoe het zij, ongetwijfeld liggen beide stukken,
wat den tijd betreft, niet verre uit elkander; de beschrijving van
koningin Mab door Mercutio, in het vierde tooneel van het eerste
bedrijf van "Romeo en Julia" toont aan, hoe toen de elfenwereld
den dichter voor den geest zweefde. De vertooning van het sterven
van Pyramus en Thisbe, kinderen van overhoop liggende buren, in
den Midzomernachtdroom, moet wel aan den dood van Romeo en Julia
in het grafgesticht der Capulets doen denken. Doch kon de dichter
zoowel het roerend slottooneel van de tragedie der liefde schrijven,
als een parodie er van in een ander stuk, dat even eenig is in zijn
soort, even voortreffelijk en ongeëvenaard? Het moge vreemd zijn,
maar waarom zou hij dit niet gedaan hebben? Is er één tooneelwerk
ter wereld, dat zich met den Midzomernachtdroom laat vergelijken? En
is het onmogelijkste er niet mogelijk in gemaakt? [30] Het stuk
heeft drie zeer ongelijksoortige bestanddeelen: de bruiloft van
Theseus en Hippolyta, benevens de lotgevallen der vier verliefden;
de pogingen der handwerkslieden om comedie te spelen; de twist van
den koning en de koningin der elfen en hierbij de guitenstreken van
Puck; dit alles komt in het stuk niet eenvoudig naast elkander voor,
maar het is samengeschakeld, samengeweven, door een innig verband
vereenigd! Wie het wonder doorgronden wil, leze en herleze het
onvergelijkelijk meesterstuk!
Dezelfde begaafdheid, van zeer ongelijksoortige bestanddeelen dooreen
te weven en tot een wonderschoon geheel te verwerken, merken wij ook in
den "Koopman van Venetië" op. De zoo verschillende geschiedenissen van
Antonio en Shylock, van Portia en Bassanio, van Jessica en Lorenzo zijn
met elkander in het nauwste verband gebracht. Gegevens voor het beloop
der geschiedenis leverde hem een oud verhaal van Giovanni Fiorentino,
waaruit in de aanteekeningen bij het stuk het noodige medegedeeld is
[31]; hij wijzigde dit, daar het niet geheel te gebruiken was, door
er de keuze tusschen de drie kastjes in te vlechten, waarvan hij het
denkbeeld aan een oude novellenverzameling, die ook Fiorentino's
bron geweest was, de _Gesta Romanorum_, ontleende. Meer dan den
gang der geschiedenis leverden hem zijn bronnen niet op; hij vond
er Antonio en Shylock, Portia en Bassanio in, maar de prachtige
karakterteekening is zijn eigen werk; hij dacht Jessica en Lorenzo,
ook Gratiano en de andere vrienden van Antonio uit, evenzoo de twee
Gobbo's, en natuurlijk ook de schaking van Jessica door Lorenzo, die
van zooveel belang is om het karakter van Shylock te doen uitkomen
en zijn handelingen te verklaren; hij wist Shylock een jood te doen
zijn, jegens de christenen in het algemeen vervuld van den haat, dien
deze zelf gedurende de middeleeuwen door vervolging en verschopping
bij de joden hadden aangekweekt, en bovendien uit geldgierigheid in
het bijzonder op den koopman Antonio gebeten, die door welwillendheid
jegens anderen hem benadeelde. Uit dezen haat wordt het begrijpelijk,
dat het hem een wellust is, een gezegeld stuk in handen te hebben,
waardoor hem de kans, hoe gering aanvankelijk ook, aangeboden
wordt, van eens over het lot van den gehaten christen te kunnen
beschikken. Had in den beginne alleen de gedachte aan mogelijke
wraak hem gestreeld, nu ongeluk op ongeluk zijn schuldenaar treft,
en zijn dochter, door een christen geschaakt, zijn dierbare dukaten
en edelgesteenten met christenen verkwist, is zijn wrok zoo fel,
dat hij dien, alle vermaningen tot menschelijkheid terugwijzend,
en trots zijn geldgierigheid zelfs de voordeeligste aanbiedingen
versmadend, met het leven van den christen wil verzadigen. De gloed,
waarmede dit alles geschilderd is, de onpartijdigheid des dichters, die
niet verheelt, wat de joden, als paria's der maatschappij, te lijden
hadden, moeten ons niet op het dwaalspoor brengen, de teleurstelling
van Shylock niet als een tragisch voorval doen beschouwen, en in
hemzelf geen martelaar doen zien, die door spitsvondige redeneeringen
zijn recht moet derven; wij moeten niet door diepzinnige wijsgeerige
redeneeringen gaan opsporen, welke verborgen waarheden de dichter in
dit stuk op bedekte wijze heeft willen verkondigen; want de blijkbare
moraal van het tooneel in de gerechtszaal is, dat, wie een kuil voor
anderen graaft, er ten slotte zelf in valt; een moraal, die in een
blijspel volkomen op haar plaats is, zoodat zeer terecht onmiddellijk
daarna het stuk op schertsenden toon voortgaat en ten einde wordt
gebracht. Wie goed in den geest van het stuk wil doordringen, moge
het lezen en herlezen, daarbij zich goed voor den geest stellend, hoe
in Shakespeare's tijd de toestand der joden in de maatschappij was;
hij zal bij het opmerken der tallooze schoonheden veel genieten, en
tevens waarnemen, dat de dichter in meer dan één opzicht zijn tijd
vooruit was; doch hij geve niet te veel toe aan de bespiegelingen
van velen, over de wijsgeerige grondbeginselen, welke Shakespeare
op geheimzinnige wijze er in predikt. Trouwens in vele gevallen doet
men beter, zich aan Shakespeare zelf te houden en zich niet door zijn
verklaarders te laten leiden.
"De Koopman van Venetië" is omstreeks 1595, misschien een jaar
vroeger of later, geschreven; uit dit zelfde tijdperk dagteekenen
hoogstwaarschijnlijk de historiestukken, "Koning Jan" en "Koning
Richard de Tweede." Het eerste staat geheel op zichzelf, maar "Koning
Richard II" maakt met de beide deelen van Koning Hendrik IV en met
"Koning Hendrik V" een geheel uit; deze vier zijn natuurlijk achter
elkander bewerkt, en "Koning Jan" moet er aan zijn voorafgegaan. De
meermalen (b. v. blz. 47) vermelde lijst van Meres, van 1598, bevat
"Koning Jan", "Richard II" en "Hendrik IV", waarvan hij alleen het
eerste deel, maar misschien tevens het tweede bedoeld kan hebben;
men weet, dat "Hendrik V" in 1599 voltooid was (zie blz. 47).
"Koning Jan" zal dus omstreeks 1595,--blijve in het midden, vóór of na
"De Koopman van Venetië"--geschreven zijn. Terwijl Shakespeare aan al
de overige koningsstukken de mededeelingen van Holinshed's kroniek
ten grondslag legt, heeft hij hier een ouder, zeer uitvoerig, uit
twee deelen bestaand, historisch drama, dat in 1591 zonder den naam
van den schrijver het licht zag, gebezigd. Hij volgt dit door alle
bedrijven en tooneelen heen, en waar hij er van afwijkt, is dit niet
om van Holinshed gebruik te maken en zich nader aan de geschiedenis
te houden, doch alleen om een beter, den toeschouwer meer boeiend
geheel te leveren, dus om dramatische redenen. De vergelijking van
het oudere stuk en Shakespeare's bewerking is wel geschikt om het
onderscheid tusschen gewoon werk en meesterwerk te doen inzien. Dat de
oudere "Koning Jan" mede van Shakespeare afkomstig en later door hem
omgewerkt zou zijn, is niet aan te nemen; zijn oudere historiestukken,
die op zichzelf een goed beeld zijner ontwikkeling als schrijver
van historiestukken geven, dragen een anderen stempel, dien van zijn
machtigen geest. Bovendien, Shakespeare werkte een vroegeren arbeid
van hemzelf slechts zelden om; wat hij voortbracht, had waarschijnlijk
bijna altijd dadelijk den vorm, dien het behield; de uitgevers der
folio-editie deelen zelfs mede, dat zij schier nooit een doorhaling
in zijn handschriften hebben gevonden. Zijn overvloed van denkbeelden
en zijn scheppingsvermogen waren te groot, dan dat het veranderen en
beschaven van zijn vroegeren arbeid hem kon aantrekken. Iets anders
was het herscheppen van het werk eens anderen, waarvan de kern goed,
doch de vorm gebrekkig was. Dat hij dit hier ondernam, behoeft niet te
verwonderen; de historiestukken vielen zeer in den smaak [32], zoodat
het belang van den schouwburg het wenschelijk kan gemaakt hebben,
het tweeledige stuk, dat veel goeds bevatte, in meer beknopten vorm
te vertoonen. Zoo kan het zijn, dat Shakespeare op aandringen van
anderen, van zijn vakgenooten, zich met de omwerking belastte. Doch
evenzeer is het mogelijk, dat hijzelf er zich met liefde aan wijdde;
moge ook Koning Jan op verre na niet zooveel belangstelling wekken
als de door eigen schuld ongelukkige, maar dichterlijke Richard de
Tweede, de figuur van den zich tot een held ontwikkelenden bastaard
Faulconbridge, de tooneelen, waarin Constance of haar zoon optreden,
waren wel waardig, dat Shakespeare ze bewerkte. Dat het stuk de
toeschouwers boeide, zouden wij, zelfs al hadden wij het getuigenis
niet van Meres, die het als voortreffelijk opnoemt, niet kunnen
betwijfelen; want waar de liefde tot het vaderland en de liefde eener
moeder zóó ten tooneele worden gevoerd, blijft het handgeklap niet uit,
en is de indruk diep en duurzaam.
Ongetwijfeld is "Koning Richard II" korten tijd na "Koning Jan"
geschreven; de overeenkomst in bewerking van beide stukken kan dit
doen zien. Met zeer groote waarschijnlijkheid kan men 1596 voor het
jaar van ontstaan aannemen, want een quarto-uitgave van dit stuk zag
in 1597 het licht. Vergelijkt men het met de oudere historiespelen,
dan ziet men, hoe verre Shakespeare in de dramatische opvatting en
bewerking van historische onderwerpen gevorderd was. Dit stuk omvat de
matige tijdsruimte van slechts twee jaren, en met de drie, die er bij
behooren, een geringere, dan het eerste deel van "Koning Hendrik VI"
alleen. Het begint met de aanklacht van den hertog van Norfolk door
Hendrik van Hereford in 1398 en eindigt met Richards dood in 1400,
zoodat de loop der gebeurtenissen gemakkelijk te overzien is. De
reeks van tyrannieke daden, door Richard begaan, waaromtrent in de
aanteekeningen op het stuk het noodige vermeld is, krijgen wij dus
niet te zien en vernemen wij slechts van zijn aanklagers. Het ergste,
wat wij van hem zien, is zijn gedrag aan het sterfbed van zijn oom
Jan van Gent, en het schreeuwend onrecht, dat hij pleegt, door zich
diens erfenis toe te eigenen, en deze, tegen alle gegeven beloften
in, aan den zoon en rechtmatigen erfgenaam, Hendrik van Hereford, te
onthouden,--een daad, waardoor hij zich in het verderf stort. De schuld
van Richard II komt dus in het stuk minder uit dan in de geschiedenis,
en terecht, want hierdoor kan bij den toeschouwer deernis met zijn
lot opgewekt worden, en in dezelfde mate schijnt ook de schuld van
Hendrik van Hereford, of Bolingbroke, die tegen hem in opstand is,
die rijst naarmate Richard daalt, en die niet vrij te pleiten is van de
medeplichtigheid aan zijn dood, grooter, zoodat de moeiten en zorgen,
die in de twee volgende stukken den overwinnaar steeds bezighouden en
drukken, voldoende gerechtvaardigd en in den "Richard II" behoorlijk
voorbereid worden.
Letten wij nu verder op de dichterlijke natuur, die aan Richard
wordt toegekend en die zich op de schoonste wijze uit, op de
uitmuntende karakterteekening van Jan van Gent, van Bolingbroke,
van den ouden York, dan moet erkend worden, dat Shakespeare met de
grootste zorg dit stuk geschreven heeft en er zijn kunstvaardigheid
schitterend in heeft doen blijken. Dat het stuk desniettemin niet
den diepen, tragischen indruk maakt, dien men verwachten zou, is
aan den aard en de handelingen van den hoofdpersoon te wijten. Wij
kunnen medelijden met hem hebben, omdat hij ongelukkig is, maar
zijn zwakheid en wankelmoedigheid, de miskenning zijner plichten
en het dwaas vertrouwen op zijn rechten, het misbruik, dat hij van
zijn macht maakt, dit alles toont hem als onbekwaam tot heerschen,
waar zijn tegenstander uitnemend geschikt toe blijkt, en ontrooft
hem de sympathie, die zijn val zou betreuren.
Hoewel de volgende historiestukken reeds ontworpen waren, zal de
dichter waarschijnlijk in dezen zelfden tijd, als ter afwisseling,
nog een of twee blijspelen geschreven hebben. Misschien behoort de
"Temming van de Snibbe" hier gerangschikt te worden, maar het kan
ook zijn, dat dit stuk van vroeger dagteekent; men vergelijke,
wat hierover in de aanteekeningen, bij het stuk gevoegd, gezegd
is. Shakespeare leverde ons een verfijnde, veredelde bewerking van
een ouder, grof en plomp stuk, dat in 1594 het licht zag. Dat hij er
veel bijval mee behaald heeft, dat de vertooning veel toeschouwers
getrokken en deze bijzonder vermaakt heeft, is, al ontbreken ons
berichten hieromtrent, met zeer groote waarschijnlijkheid te gissen,
daar het stuk reeds spoedig in andere landen met name in Nederland en
Duitschland, nagevolgd en vertoond werd en nog heden ten dage, als het
gespeeld wordt, met groot genoegen gezien en luide toegejuicht wordt.
Eveneens moet "Eind goed, al goed" tot de stukken behooren, waarmede
Shakespeare het schrijven van de historiespelen afwisselde. Het kan
in 1594 of 1595 geschreven zijn, doch is waarschijnlijk van vroeger
dagteekening en door Shakespeare later omgewerkt, waarbij het karakter
van Helena misschien aanmerkelijk gewijzigd is, ernstiger en edeler
geworden, maar zeker is het geschreven vóór het eerste deel van
"Koning Hendrik IV", dat in 1598 door Meres genoemd wordt; dat deze
waarschijnlijk "Eind goed, al goed" bedoelt, als hij een stuk _Love's
Labour's won_ vermeldt, is reeds, blz. 47, medegedeeld. Men raadplege
hierover, alsmede over de bronnen, welke Shakespeare ten dienste
stonden, en over den stijl, of liever de verschillende stijlsoorten,
die in dit stuk aangetroffen worden, de Aanteekeningen. Dat het
vóór "Koning Hendrik IV" geschreven is, mag onbetwijfelbaar genoemd
worden: de zwetser Parolles, die er in voorkomt, is genoeg, om dit
te staven. Men herkent in hem een eerste, zeer goed gelukte schets,
die uitgewerkt is tot den dikken ridder Falstaff en ook tot den
vaandrig Pistool. Nadat Shakespeare deze karakters geschapen had,
heeft hij er zeker geen schetsachtige herhaling van gegeven, zooals
Parolles dan wezen zou.--Hoeveel schoons het stuk ook moge bevatten,
en met hoeveel zorg Helena's karakter ook geteekend zij, geheel
en al kan het niet bevredigen: dat Helena zich door den koning aan
den beminden Bertram als vrouw laat opdringen en dan door list de
voorwaarden weet vervuld te krijgen, van welke hij geschreven heeft,
dat zij door haar vervuld moesten zijn, eer hij haar als zijn vrouw
wil aannemen en erkennen, verder, dat Bertram, in plaats van straf,
een vrouw als Helena krijgt, is meer, dan men met genoegen leest,
en zou ongetwijfeld tegenwoordig bij de vertooning slechts bij zeer
enkelen bijval vinden. In Shakespeare's tijd dacht men hieromtrent
blijkbaar anders.
Hoogstwaarschijnlijk zette Shakespeare na deze afwisseling zijn reeks
van historiestukken voort en schreef de beide deelen van "Koning
Hendrik IV". Van het eerste deel verscheen in 1598 de eerste quarto,
die in 1599, 1604, 1608, 1613 en 1622 door andere drukken gevolgd
werd, welke wel de bijvoeging "Op nieuw verbeterd door William
Shakespeare" op den titel dragen, doch alleen meer drukfouten
bevatten. In de folio van 1623 is het naar de quarto van 1613, hier
en daar verbeterd, afgedrukt; voor de verkrijging van een zuiverder
tekst moet men meermalen tot de vroegere quarto's teruggaan. Van
het tweede deel verscheen slechts een enkele quarto, in 1600, die
in menig opzicht gebrekkig is, zoodat zij slechts hier en daar ter
verbetering of aanvulling van den tekst der folio, welke naar een veel
beter handschrift gedrukt is, strekken kan. Op de beide deelen van
"Koning Hendrik IV" volgde ongetwijfeld spoedig "Koning Hendrik V", die
blijkens den proloog voor het vijfde bedrijf, in 1599 ten tooneele werd
gebracht, zoodat toen de geheele reeks van acht historiestukken, welke,
met de laatste regeeringsjaren en den val van Richard II beginnende,
de opkomst en den ondergang der vorstenhuizen van Lancaster en York en
de troonsbestijging van den eersten Tudor voor oogen stellen, volledig
was. Van "Koning Hendrik V" verscheen in 1600 een quarto-uitgave,
maar zeer slecht en onvolledig (zie de aanteekeningen op het stuk),
zoodat de tekst blijkbaar op onrechtmatige wijze, door opschrijving
onder de voorstelling, verkregen was en eerst de folio de echte lezing
deed kennen; toch werd de quarto tweemaal, in 1602 en 1608, herdrukt.
De beide deelen van "Koning Hendrik IV" worden, zooals reeds gezegd is,
in "Koning Richard II" uitstekend voorbereid en voor het goed begrijpen
van het karakter, de moeilijkheden, handelingen en bepeinzingen
des konings, is het volstrekt noodig laatstgenoemd stuk vooraf met
aandacht te lezen. Niet minder schoon dan het karakter des konings, is
dat van zijn zoon, den prins van Wales, den lateren koning Hendrik V,
ontwikkeld. Wars van allen schijn en onwaarheid, had hij het leven aan
het hof ontweken en zich aan een loszinnig leven, dat hem aantrok,
overgegeven, den omgang zoekende met ruwe klanten, onder welke de
onverbeterlijke egoïst, Sir John Falstaff, de eerste is. Wanneer de
prins optreedt, in het tweede tooneel van het eerste bedrijf, heeft hij
ondertusschen de voosheid en nietswaardigheid van dit loszinnig leven
reeds doorgrond, zooals uit zijn eerste alleenspraak blijkt. Moge hij
tijdelijk nog met den dikken deugniet en diens gezellen als kameraad
omgaan, nog vóór het eerste deel ten einde loopt, in den strijd met
Percy en in de woorden, die hij aan den gevallen tegenstander wijdt,
komt zijn edele aard ten volle uit. In het tweede deel is hij nog wel
niet van Falstaff en diens aanhang geheel vervreemd, maar de omgang
is op verre na zoo levendig niet meer als vroeger; en wie op den
deemoed en de bescheidenheid let, waarmede hij zich als zoon en als
held gedraagt, behoeft niet verbaasd te staan over de waardige wijze,
waarop hij onmiddellijk na den dood zijns vaders als koning optreedt,
en evenmin over de vastberadenheid en kloekheid, welke hij in het
stuk, dat zijn naam draagt, zoowel tegenover de samenzweerders,
die hem belagen, als tegenover de vijanden van zijn land aan den
dag legt. Onder de andere personen verdient vooral Hendrik Percy de
aandacht; vergelijkt men verder de tooneelen, waarin de samenzwering
tegen Hendrik tot stand komt, met tooneelen van het tweede en derde
deel van "Koning Hendrik VI", dan ziet men, welke vorderingen de
dichter gemaakt heeft, hoe vast en scherp de toestanden geteekend zijn,
hoe ieder geheel naar zijn aard spreekt en handelt, en hoe zorgvuldig
alle bijzonderheden zijn uitgewerkt.
Welk waarachtig leven Shakespeare zijn scheppingen inblaast, blijkt
ten duidelijkste uit den machtigen indruk, dien Sir John Falstaff met
de zijnen op den toeschouwer en lezer maakt. Zij brengen de handeling
wel is waar niet of weinig vooruit, doch men zou ze niet willen missen,
vooral den onsterfelijken Falstaff niet, al nemen de tooneelen, waarin
hij optreedt, een overgroote ruimte, wel vijf twaalfden van het stuk,
in. De buitengewone bijval, dien het eerste deel van Koning Hendrik
IV gevonden heeft, onder andere uit het groot aantal herdrukken
van de quarto blijkbaar, is ongetwijfeld voor een goed deel aan
den dikken ridder te danken. Van het tweede deel zag, zooals boven
gezegd is, slechts een enkele afzonderlijke uitgave het licht; het
schijnt nooit zooveel indruk gemaakt te hebben als het eerste. Wel
treedt Falstaff er in op, meermalen zelfs en in groote tooneelen,
doch de omgang met zijn vorstelijken kameraad is bijna opgehouden,
en hiermede blijft een groote prikkel uit, die zijn geest voortdurend
opwekt; hij moet zich in lagere kringen bewegen; en hoe kostelijk
ook de personen, waar hij mede verkeert, zooals Zielig en Pistool,
geteekend zijn, hoewel Falstaff's geest nog even slagvaardig zij
als vroeger, dit alles is geen vergoeding voor het gemis van zijn
gesprekken met Prins Hendrik. Toch moesten deze wegblijven, om er op
voor te bereiden, dat de prins, die het leven ernstiger gaat opnemen
en weldra een voortreffelijk vorst zal blijken, hem terug zal wijzen,
wanneer de onverbeterlijke zondaar zich tot hem wendt. En zoo gebeurt
het hem, terecht; hij vertrouwt, nu zijn Hendrik koning geworden is,
nog meer dan ooit te kunnen toegeven aan zijn eigenbatige lusten,
maar moet ondervinden, dat hij verbannen wordt en op geen mijlen
afstands het hof mag naderen; ja, hij moet het nog genadig achten,
dat hij geen gebrek te lijden zal hebben, daar hem levensonderhoud
wordt toegezegd! Moge de dichter zelf, volgens zijn eigen mededeeling,
eens van plan geweest zijn, Falstaff nogmaals in "Koning Hendrik V",
te doen optreden, het bleek hem zeker bij het uitwerken van dit stuk,
dat het niet gebeuren mocht, en hieraan hebben wij, uit den mond van
vrouw Haastig, het fraaie verhaal van Falstaff's dood te danken.--Kon
alzoo de dikke zondaar in het tweede deel van "Koning Hendrik IV"
niet zooveel bewonderaars en toejuiching oogsten als in het eerste,
evenzeer was het ten nadeele van dit tweede deel, dat zoowel de
hernieuwde opstand van Engelsche grooten, als de spanning, die op
nieuw tusschen den koning en zijn zoon ontstond, herhalingen waren van
handelingen en toestanden, die in het eerste deel voorkwamen. Hoe rijk
het tweede deel ook zijn moge aan schoonheden van den eersten rang,
te verwonderen is het niet, dat het in mindere mate dan het eerste
de gunst van het publiek verwierf.
Een andere snaar werd aangeslagen in "Koning Hendrik V". De
hoogvereerde vorst, wiens dood op jeugdigen leeftijd, na een
roemvolle regeering, voor Engeland een zware slag was, die gevolgd
werd door tal van rampen,--reeds jaren vroeger door Shakespeare in
zijn "Koning Hendrik VI" ten tooneele gebracht,--treedt hier op in al
zijn grootheid. Kalm en vastberaden weet hij, kort na zijn optreden,
een geduchte samenzwering in de geboorte te smoren, en grijpt daarna,
uitgetart, naar het zwaard, om den krijg in 's vijands land over te
brengen. In dit stuk, dat eigenlijk geheel aan den roemvollen krijg
met Frankrijk gewijd is, dat de ongehoorde zege bij Agincourt in
herinnering brengt, en met het huwelijk van den koning en de Fransche
prinses, waardoor de heerschappij van Engelands koning over Frankrijk
bezegeld wordt, eindigt, komen al de deugden van den geliefden vorst,
zijn bezonnenheid, zijn heldenmoed, zijn bescheidenheid en zijn innige
vroomheid op het heerlijkst uit. Van dramatische verwikkeling, van
een knoop, die gelegd wordt en ontward moet worden, is er eigenlijk
in dit stuk geen sprake; misschien heeft Shakespeare om deze reden,
ten einde zijn dichtwerk te nadrukkelijker ter verheerlijking van
Engelands heldenmoed te doen strekken, elk bedrijf door een met
gloed geschreven koor doen voorafgaan. En wel mocht hij dezen krijg
zijn toeschouwers voor oogen brengen, en hun gemoed tot liefde voor
hun land ontvlammen, want--in de aanteekeningen op dit stuk wordt dit
nader aangewezen--in dezen krijg werd de eenheid van het Engelsche volk
voor goed gevestigd en was dit volk zich zijner kracht bewust geworden.
Hiermede was de reeks der Engelsche historiestukken voltooid; nog
slechts eenmaal, veel later, behandelde Shakespeare een gedeelte
der Engelsche geschiedenis, in den "Koning Hendrik VIII", welk stuk,
evenmin als "Koning Jan", tot deze groote reeks behoort. Geen wonder,
dat hij, na het afweven dezer belangrijke taak, afwisseling zocht en
enkele blijspelen schreef, waaronder er zijn, die tot zijn schoonste
scheppingen gerekend moeten worden.
Deze laatste woorden zijn ongetwijfeld niet van toepassing op het
eerste hier te vermelden stuk: "De vroolijke Vrouwtjes van Windsor"
Er bestaat een overlevering, dat koningin Elizabeth den wensch geuit
had, Falstaff verliefd te zien, en dat binnen veertien dagen alles
hiervoor gereed moest zijn. Dit bericht is eerst van 1702, toen
J. Dennis een omwerking van Shakespeare's stuk ten tooneele bracht;
doch onwaarschijnlijk is de mededeeling niet te noemen. Er moet een
krachtige drang uitgeoefend zijn om van den dichter te verkrijgen, dat
hij de schim van den dooden Falstaff deed rondwaren. Want inderdaad,
alleen een schim van hem,--zij het ook een dikke,--treedt in dit stuk
op; de oude rot is versuft en loopt op allerlei manieren in de val;
zijn geest is vet geworden, zijn guitig oog is dof, een uitgezetten
strik merkt hij niet meer op. Met dit al is het opmerkelijk, hoe
Shakespeare zich van de waarschijnlijk, 't zij door de koningin,
't zij door het publiek, hem opgedrongen taak kwijt; een novelle van
Giovanni Fiorentino kon hem op den weg helpen en het gebruik van de
waschmand aan de hand doen, maar Anna Page, Fenton, dokter Cajus,
Slapperman, zijn alle scheppingen des dichters. Hoeveel geestigs
er in dit blijspel ook op te merken zij, het is voor het nagaan der
ontwikkeling voor Shakespeare's geest van geen belang; Falstaff was
dood, en geen bevel der koningin in staat hem op te wekken. Toch moet
zijn levensbeschrijver op dit stuk letten, daar men er met groote
waarschijnlijkheid uit kan afleiden, dat Shakespeare met Sir Thomas
Lucy iets uitstaande had, waarover men de Aanteekeningen op dit stuk
en boven blz. 11 nazie.
Hooger lof is aan "Veel Leven om Niets", ongetwijfeld mede uit dezen
tijd herkomstig, te geven al zijn er op dit stuk aanmerkingen te
maken, zoodat het wat al te veel aan zijn titel beantwoordt en den
lezer of toeschouwer niet geheel bevredigt. Evenals in verscheiden
andere stukken, zijn hier ernst en boert op verrassende wijze
dooreengeweven. Shakespeare nam een oud verhaal, waarvan de kern reeds
in Ariosto's "Razende Roeland" te vinden is, maar dat meer uitgewerkt
in Bandello's novellenverzameling voorkomt, ter hand, en ontleende
er de door Claudio lichtvaardig geloofde belastering van Hero door
Don Juan aan; doch de door hemzelf in het leven geroepen personen,
de elkander met kwinkslagen steeds bevechtende Benedict en Beatrice,
spelen een zoo belangrijke rol, dat de vroolijke bijhandeling
de ernstige hoofdhandeling, die trouwens een blij einde neemt,
overheerscht, en het geheel een recht blijspel is. Hoe kunstvol
Shakespeare te werk gaat, moge in dit stuk opgemerkt worden. Mocht het
verwondering wekken, dat Claudio, wiens daden in den krijg zoo hoog
geroemd worden en den nijd van Don Juan in zoo hooge mate opwekken,
zóó lichtgeloovig en zwak is, dat hij zonder nader onderzoek de arme
Hero van zich stoot,--de dichter heeft er voor gezorgd hem reeds
vroeger als lichtgeloovig, zwak en heftig te doen kennen, daar hij op
het bal even gretig aan de inblazingen van Don Juan, die den prins
belastert, het oor leent. Evenzeer heeft hij zorg gedragen, dat wij
door de verstooting van Hero niet al te diep getroffen worden en uit de
blijspelstemming geraken, want wij weten, dat de uitvoerders van het
schelmstuk reeds achter slot en grendel zitten, en zijn terstond ook
met het geheim bekend, dat de doodgewaande Hero niet wezenlijk dood
is. En kostelijk is het, dat het plompe bedrog van Don Juan niet door
het verstand der verstandigen, maar door het onverstand der onnoozelen,
de zoo meesterlijk geteekende dwaze nachtwachts, ontdekt wordt! In
zulk een stuk mocht een bijhandeling, als de schermutselingen en het
vrede-sluiten van Beatrice en Benedict, een breede ruimte innemen. Dat
deze twee fijne vernuften, die onophoudelijk kibbelen, zoo ras en
op zoo eenvoudige wijze tot elkander gebracht worden, behoeft mede
niet te verwonderen, want reeds in het begin van het stuk zien wij,
hoe Beatrice verlangt, Benedict weder te ontmoeten, zij het dan ook
om met hem slaags te geraken; en Benedict geeft, hoe hij ook smale,
duidelijk genoeg te kennen, dat zij hem bevalt, hem aantrekt. De
door den prins uitgedachte list brengt niet samen wat van elkander
afkeerig is, maar verhaast alleen de vereeniging, die toch niet zou
uitblijven. En dat deze vereeniging op innige overeenstemming berust,
dat beiden, hoe zij ook kibbelen en elkaâr plagen, een edelen aard
bezitten, blijkt ten duidelijkste uit beider vaste overtuiging, dat de
zachte Hero belasterd is, en uit beider innige deelneming in haar lot,
een overeenstemming, die hun liefde bevestigt. Men vergelijke met dit
paar Biron en Rosaline uit "Veel Gemin, geen Gewin", en overwege, of
de dichter op een hooger standpunt staat dan vroeger!--Waar alles zoo
gelukkig afloopt, letten wij niet verder op den lasteraar; wij weten,
dat hij in hechtenis is, doch wij bekommeren ons niet verder om hem;
de straffen, die hem wachten, zullen later worden uitgedacht!--In een
later tijdperk van zijn leven, toen de tijd van lustige en luimige
blijspelen voor hem voorbij was, zou Shakespeare nog eens hetzelfde
onderwerp behandelen, nog eens den beminnenden, maar lichtgeloovigen
man, de onschuldige en vertrouwende liefde en den lasterenden duivel
ten tooneele brengen, maar dan zou hij tot in de diepste verborgenheden
van het menschelijk hart doordringen, dan zouden de hartstochten het
geheele wezen van den mensch innemen, en Othello, Desdemona en Jago
zouden de hoofdpersonen zijn van een onvergelijkelijk treurspel.
Dat het volgende stuk "Elk wat wils", _As you like it_, van 1599
of slechts enkele maanden vroeger of later dagteekent, is buiten
allen twijfel, daar het in 1598 door Meres niet genoemd wordt en op 4
Augustus 1600 in het boekhandelaarsregister werd ingeschreven. De bron,
waar Shakespeare uit putte, was de roman van Thomas Lodge, "Rosalinde,
Euphues' gouden nalatenschap", _Rosalynde: Eupheus Golden Legacie_
(reeds blz. 31 vermeld), waarvan hij een uitgestrekt gebruik maakte,
zoodat hij de meeste personen en den gang der handeling, ja zeer
vele bijzonderheden er uit overnam. Jacques, Toetssteen, Dorothea,
Willem en Draaitekst echter komen alleen bij Shakespeare voor. In
het tweede gedeelte moest hij, om de eischen, die de vertooning
stelt, hier en daar van zijn bron afwijken. Bij Lodge wordt Celia
door Orlando's broeder Olivier uit de handen eener rooverbende
gered, zoodat haar genegenheid voor haar redder beter dan in het
stuk verklaarbaar wordt; bij Lodge komen de grooten van het land,
de pairs, tegen den overweldiger in opstand en leveren hem aan den
zoom van het woud een gevecht, waarbij hun de verdreven hertog met de
zijnen te hulp komt en na de overwinning in zijn heerschappij hersteld
wordt; den overweldiger heeft hij niet meer te duchten, want deze is
in den strijd gevallen. Shakespeare kon in de eenzaamheid van het
woud geen rooverbende brengen, geen leger doen optreden, hij moest
zich op een andere wijze redden; doch dat de handeling hierdoor in
waarschijnlijkheid gewonnen heeft, zal wel niemand beweren. Evenwel,
dit is hier van minder beteekenis, want op waarschijnlijkheid, ja
op mogelijkheid kan de handeling toch geen aanspraak maken; en als
men alles, wat voor de handeling niet noodig is, uit het stuk wilde
verwijderen, zou zeker meer dan de helft moeten gekapt worden; doch
Shakespeare weet alles met zooveel bekoorlijkheid te bedeelen, met
zulk een dichterlijken glans te doen stralen, dat men bij het lezen
van het begin tot het einde geboeid wordt en geen enkel gedeelte zou
willen missen; hoe ongewoon ook in vorm, hoe ook met alle regelen
in strijd, is dit stuk toch een voortreffelijk blijspel, dat eenig
in de geschiedenis der letterkunde en tegelijk onnavolgbaar is. Voor
de vertooning stelt het natuurlijk aan de spelers zeer hooge eischen:
zij moeten zorgen, dat het dichterlijk waas, dat over het geheele stuk
is uitgebreid, door de plompe werkelijkheid niet wordt weggevaagd,
de verbeelding des toeschouwers voortdurend wordt beziggehouden en
aan zijn verstand de tijd niet gelaten om over de mogelijkheid of
waarschijnlijkheid der gebeurtenissen en handelingen te gaan nadenken.
Nog kostelijker parel ondertusschen onder Shakespeare's echte
blijspelen is ongetwijfeld "Driekoningenavond of Wat gij wilt",
dat van 1600 of 1601 dagteekent. Van den eersten regel af, waarin
de hertog de muziek het voedsel der liefde noemt, tot den laatsten,
waarin hij aan Viola de hand reikt, worden wij geboeid, en nu eens
gestreeld en geroerd, zonder daarom tot weemoed gestemd te worden, dan
weder tot gullen aanhoudenden lach geprikkeld. De verwikkelingen zijn
vele en houden de aandacht en nieuwsgierigheid voortdurend levendig,
de personen zeer verschillend van karakter en allen behoorlijk in
verband gebracht; het meer ernstige deel der handeling is van een zoo
opgewekte levensbeschouwing doordrongen, de meer boertige gedeelten
zijn zoo dol en vroolijk, dat wij steeds in de aangenaamste stemming
verkeeren; de ontknooping maakt allen gelukkig, en zij vloeit op de
natuurlijkste wijze uit al het voorafgaande voort. Geen enkel blijspel
van Shakespeare is zoo zonnig als dit. En letten wij nader op de
hooge kunst, waarmede de zeer verschillende bestanddeelen tot een
harmonisch geheel vereenigd zijn, op de wijze, waarop de gedachten
zijn uitgedrukt, dan erkennen wij, dat de dichter een volkomen
meesterschap verworven heeft, zoowel in den bouw van het drama,
als in stijl en taal. Aan een Italiaansche novelle van Bandello,
die hij in een Engelsche bewerking door Barnaby Rich, welke in 1851
verscheen, gelezen kan hebben, is een gedeelte der handeling ontleend,
maar hij heeft dit zoo gewijzigd en door de bijgevoegde, meer comische
handeling zoo verrijkt, dat het geheele blijspel zijn eigen schepping
kan genoemd worden.
Rekenen wij, dat het eerste tijdperk, de morgenstond van Shakespeare's
werkzaamheid, met den Titus Andronicus begonnen, zich uitstrekt tot
de voltooiing van "Koning Richard III", een echt treurspel, dat hem
reeds als meester kenschetst, dan moeten wij de stukken, die daarna
geschreven werden en hier door ons beschouwd zijn, tot zijn tweede
tijdperk rekenen. Op den morgenstond, waarin alleen zeer in de vroegte
zijn zon door eenige nevelen verduisterd werd, was een prachtige
voormiddag gevolgd, en nu stond zijn zon, aan een onbevlekten hemel,
op haar middaghoogte. Aleer wij haar nu in haar verderen loop nagaan,
moeten wij de tot dusver genoemde stukken nogmaals overzien.
Merkwaardig is het op te merken, hoe Shakespeare, die in
oorspronkelijkheid ongeëvenaard is, bij het ontwerpen van het plan
zijner stukken geenszins naar oorspronkelijkheid streeft, maar het
plan meestal vrij getrouw aan de geschiedenis of aan de eene of andere
novelle ontleent. Bij de historiestukken ligt dit wel in den aard der
zaak, doch ook in deze houdt hij zich bijzonder getrouw aan de kroniek,
welke hij eenmaal tot leiddraad heeft gekozen; hij is natuurlijk
gedwongen hier en daar de gebeurtenissen van jaren in een kort bestek,
soms in een enkel tooneel, samen te trekken; soms is hij verplicht
de volgorde der gebeurtenissen te wijzigen, zooals hij dit op groote
schaal in het eerste deel van Koning Hendrik IV gedaan heeft; soms
smelt hij twee gebeurtenissen, die voor het vervolg ongeveer dezelfde
beteekenis hebben, zooals den slag van Sint Albaans in 1455 en dien van
Nottingham in 1460, tot één samen; maar over het algemeen volgt hij
de overlevering, voor zoover de ontwikkeling der karakters hem niet
tot verandering dwingt. Want de menschen in hun waren aard te doen
kennen, hun karakter in een helder licht te stellen, de drijfveeren
hunner handelingen aan te toonen en deze laatste uit het karakter te
doen voortvloeien, kortom, zijn personen echte menschen te doen zijn,
die geheel naar hun aard spreken en handelen, is het doel, dat hij
zich voorstelt. Waar hij, om een karakter duidelijk te doen uitkomen,
de geschiedenis moet wijzigen, schroomt hij geenszins, hoe getrouw
anders aan zijn kroniek, dit te doen. Om dat van Richard van Gloster,
den lateren koning Richard III, goed te doen kennen, laat hij hem
reeds tijdens den dood zijns vaders, in 1460, te velde staan en een
dapper krijgsman blijken, schoon hij toen inderdaad nog een knaap was
van acht jaren; doch Shakespeare bereikt er dan ook dit mede, dat het
geheele karakter ons onuitwischbaar voor oogen staat. Met gelijk doel
weet hij ook treffende episodes uit te denken; de overpeinzing van
Koning Richard II in den kerker, zijn gesprek met den stalknecht en
zijn strijd met de binnendringende moordenaars mogen er voorbeelden
van zijn. Waar de overlevering meldt, dat Prins Hendrik, later de
voortreffelijke koning Hendrik V, in zijn jeugd met losbandig volk van
minderen rang omging, was hem dit genoeg om aan Sir John Falstaff en
de zijnen het leven te schenken. Hij schroomt dus niet te verdichten,
maar draagt hierbij steeds zorg een scherp en zoo veel mogelijk juist
beeld zijner personen te teekenen; zelfs komt het meermalen voor, dat
zijn scherpzinnigheid onjuist oordeel, met wonderbaar vermogen uit 's
menschen daden de roerselen van het gemoed doorgrondend, aan de figuren
der kronieken een leven schonk en gedachten leende, in overeenstemming
met de uitkomsten, door de latere zorgvuldige onderzoekingen der
wetenschap verkregen. Wat een beroemd geschiedkundige aangaande de
historische waarde van Shakespeare's stukken gezegd heeft, is in de
aanteekeningen op Koning Jan medegedeeld.
Was Shakespeare bij het schrijven zijner historiestukken uit den
aard der zaak verplicht, de stof aan de kronieken te ontleenen, ook
bij het treurspel, dat in dit tijdperk van zijn leven geschreven
werd, heeft hij zich voor den gang van het stuk aan een verhalend
gedicht gehouden; doch ook hier heeft hijzelf karakters geschapen;
ja, verscheiden belangwekkende personen van zijn stuk worden in dit
gedicht niet of te nauwernood genoemd.
Dat Shakespeare ook aan zijn blijspelen over het algemeen, met slechts
weinige uitzonderingen, de een of andere novelle ten grondslag legde,
heeft op deze werken een eigenaardigen stempel gedrukt, daar hij zich
ook hier ten doel stelde de karakters te doen uitkomen; de wijzigingen,
die hij meermalen aan het verhaal toebracht, waren steeds hierop
berekend, en geenszins altijd bestemd om den loop der geschiedenis
natuurlijker te maken. De verwikkelingen zijn bij zijn stukken
geenszins hoofdzaak; ja, de wijze, waarop de ontknooping plaats heeft,
is vaak onwaarschijnlijk genoeg. Shakespeare hechtte in zijn blijspelen
hier blijkbaar minder gewicht aan. Zoo wordt het booze plan, dat in
"Veel leven om niets" door Don Juan gesmeed en heimelijk ten uitvoer
gelegd is, daardoor ontdekt, dat zijn medehelper het, dom genoeg, aan
een ander vertelt, en wel juist op een plaats, waar toevallig eenige
nachtwachts zich ophouden, die, hoe onnoozel ook, dadelijk begrijpen,
dat er een schelmstuk gepleegd is, en terstond een vreemden prins,
gast van hun vorst, durven beschuldigen! Dat in "Veel Gemin, geen
Gewin", de koning en drie zijner edellieden, tegen hun pas bezegelde
gelofte in, allen op hetzelfde oogenblik verliefd raken op een der
vier dames, die zij ontmoet hebben, en gelukkig geen twee op dezelfde,
dat zij allen achtereenvolgens, zonder iets van elkaar te weten, op
dezelfde plaats van een bosch komen, en dat drie hunner daar hardop de
dichtregelen lezen, die zij aan hun aangebedenen gericht hebben, dit
alles zondigt zeker niet door te groote waarschijnlijkheid. Meermalen
laat Shakespeare een meisje in mannengewaad optreden,--en daar in zijn
tijd de meisjesrollen door jongens of aankomende jongelieden vervuld
werden, werd het natuurlijk spel hierdoor bevorderd,--maar dat het
verkleede meisje zich niet het minste geweld behoeft aan te doen, en,
zooals Portia in den "Koopman van Venetië", een pleidooi kan houden
en op het oefenen van genade aandringen, waarbij zij haar stem vol
en indrukwekkend moet laten klinken, en dat zij toch niet door haar
man herkend wordt,--dat Rosalinde in "Elk wat wils" zelfs schertsen
kan met haar vader en zijn nieuwsgierigheid kan prikkelen, zonder dat
hij vermoedt, wie voor hem staat,--dat Viola in "Driekoningenavond"
noch door hertog Orsino, die zooveel en zoolang met haar spreekt,
noch door de gravin Olivia, wier liefde zij afwijzen moet, als
meisje herkend wordt,--is zeker meer, dan waarschijnlijk geacht
kan worden. Met zulke berekeningen laat Shakespeare zich echter
niet in; hij rekent veeleer op zijn kunst, van den toeschouwer te
betooveren, zoodat deze niets anders meer ziet, dan hij verlangt,
en het onmoog'lijkste moog'lijk acht. En dat hij inderdaad hierin
slaagt, wie zal het loochenen? Schier al de genoemde stukken zijn,
tot den laatsten tijd toe, ten tooneele gebracht met een praal,
die in zijn tijd onmogelijk gerekend zou zijn, een praal waarbij
niet de verbeeldingskracht, door hem steeds bij zijn toeschouwers
ondersteld, te hulp werd geroepen, maar waarbij men de werkelijkheid
nabij trachtte te komen, een praal, die voor een poëzie van minder
echt gehalte verderfelijk zou geweest zijn,--en zij hebben de zware
proef zegevierend doorstaan. Dat wij dus vrede hebben met de eischen,
die hij aan de verbeelding stelt, en thans vragen, welke karakters
door hem in zijn blijspelen onder de oogen zijner toeschouwers worden
gebracht, en tevens welke niet; want ook dit laatste kan tot kennis
en waardeering van zijn geest en zijn dichtkunst leiden.
In het tafereel van zeden en karakters, dat groote
blijspeldichters ontrollen, vallen steeds tweeërlei bestanddeelen
te onderscheiden. Brengen zij de wereld, waarin zijzelf en hun
toeschouwers leven, ten tooneele, dan boeien en treffen zij door de
zeden van hun tijd, vaak van de belachelijke zijde, voor te stellen,
en door de personen, zooals zij deze met hun scherpen blik hebben
gadegeslagen, in al hun eigenaardigheid te doen optreden. Hebben
zij hierbij alleen de uiterlijke eigenaardigheden, in kleeding
en manieren, nagebootst, dan moge het afbeeldsel de tijdgenooten
boeien en vermaken, voor de lateren, die het oorspronkelijke niet
voor zich zien, is het aantrekkelijke van de nabootsing grootendeels
verdwenen. Maar mogen zeden en gewoonten veranderen, de mensch zelf,
met zijn gewaarwordingen, met zijn begeerten en hartstochten, met
de drijfveeren zijner handelingen, blijft steeds dezelfde. Hebben
zij dit alles bespied en als in een spiegel den toeschouwers voor
de oogen getooverd, dan zal het beeld, hoe ook de zeden veranderen,
door alle tijden heen, door zijn waarheid treffen en behagen. In dit
opzicht was Shakespeare een meester. Zelfs daar, waar hij personen
teekent, wiens origineelen niet meer voorkomen, zooals den Spaanschen
bluffer Don Armado, den dwazen geestelijke Nathaniel, den onwetenden
schoolmeester Holofernes uit "Veel Gemin, geen Gewin", weet hij ze zoo
vol leven te doen zijn, dat wij de waarheid der schildering, al zij
deze naar den aard van het blijspel ook overdreven, terstond gevoelen,
en er, als waren wij tijdgenooten, behagen in kunnen scheppen.
Dat Shakespeare in al zijn werken steeds de natuur zelf tot gids
nam en 's menschen aard scherp gadesloeg, drukt een eigenaardigen
stempel op zijn scheppingen. De Italiaansche tooneelschrijvers
waren bij de Latijnsche, Plautus en Terentius, ter schole gegaan,
zooals deze bij de Grieken, zonder onophoudelijk uit het volle
menschenleven, dat belangwekkend is, waar men het weet te vatten,
hun onderwerpen te putten. Vandaar dan ook, dat telkens dezelfde
personen in hun werken terugkeeren; men vindt gierige vaders, die
door verkwistende zoons bedrogen worden, oude verliefde gekken, die
bitter teleurgesteld worden, jongelingen, die verliefd zijn en de
tegenwerking der ouders door schalksche middelen weten vruchteloos
te maken, pochers, die van hun moed en krijgsbedrijven zwetsen, doch
ten laatste in hun nietigheid ontmaskerd worden, slaven, die met den
zoon des huizes samenspannen om hun heer en meester te bedriegen,
onwetende schoolpedanten, die door schijngeleerdheid anderen zand in
de oogen trachten te strooien. Dit werden als het ware vaststaande
tooneelfiguren, naar een bepaald model ontworpen, doch niet door
studie der natuur met eigen leven begiftigd. Shakespeare kende ze,
zooals blijkt, wanneer men zijn "Temming der Snibbe" ter hand neemt;
daarin leveren de oude minnaar Gremio en zijn jonge mededinger Lucentio
er voorbeelden van; doch men bedenke, dat dit stuk een omwerking is
van een ander en de karakterteekening niet belangrijk gewijzigd is; als
hij meer zelfstandig te werk gaat, zooals in een zijner oudste werken,
de "Klucht der vergissingen", waaraan toch een Latijnsche klucht van
Plautus ten grondslag ligt, weet hij dadelijk den tooneelpoppen leven
in te blazen en karakters te schilderen.
Aan Shakespeare's scherp en fijn waarnemingsvermogen en diepe studie
is de groote natuurlijkheid en verscheidenheid in zijn karakters
te danken. De waard, een recht vermakelijk persoon in de "Vroolijke
Vrouwtjes van Windsor", is naar het leven geteekend; al moge Parolles
in "Eind goed, al goed" veel verwantschap hebben met de tooneelfiguur
van een bluffenden lafaard, ook van hem moet hetzelfde getuigd
worden. En welk een verscheidenheid bij de minnenden! Een Portia,
een Julia uit de "Twee Edellieden van Verona", een andere Julia,
een Helena uit "Eind goed, al goed", een Rosalinde, en een Viola,
zij beminnen allen even diep en vurig, maar ieder van haar is een
nieuwe schepping, zeer verschillend van de overigen. Welk een rijkdom,
in vergelijking van andere, zelfs groote tooneelschrijvers, bij wier
beminnende vrouwen maar al te vaak een sterke familietrek op te merken
valt! En bij de minnaars heerscht niet minder verscheidenheid.
Op nog een ander belangrijk verschil tusschen Shakespeare en vele
andere tooneeldichters mag gewezen worden. Bij Shakespeare komt in
al de blijspelen geen enkele valsche of meineedige vrouw voor, geen
enkele, die haar man tracht te bedriegen; integendeel, waar, zooals in
de "Vroolijke Vrouwtjes van Windsor", een man het hof aan een getrouwde
vrouw maakt,--in dit geval aan twee vrouwen tegelijk,--moet hij er
danig voor boeten, en de echtgenoot, die ten onrechte jaloersch is
geweest, krijgt een nadrukkelijke les, dat hij het niet had moeten
zijn. De schennis der huwelijkstrouw is door Shakespeare nooit
tot stof gekozen om de toeschouwers te doen lachen.--De vaders
worden bij Shakespeare niet als belachelijk, en evenmin als gierig
voorgesteld,--Shylock natuurlijk uitgezonderd. Zij worden niet door
hun zoons bedrogen: als Valentijn, in "Twee Edellieden van Verona",
de dochter des hertogs, Sylvia, wil schaken, komt zijn toeleg uit en
wordt hij met verbanning gestraft; als de hertog later zijn toestemming
tot het huwelijk geeft, doet hij dit gewillig, omdat hij overtuigd is
van Valentijns waarde en van de onderlinge liefde der jongelieden,
niet met tegenzin, omdat hij bezwijken moet voor een slim overlegde
zamenzwering. Hermia (Midzomernachtdroom) en Anna Page (Vroolijke
Vrouwtjes van Windsor) zetten haar wil door tegen den zin van haar
vader, doch ook deze schikken zich in het geval.--De dienaars gaan
soms op vertrouwelijken voet met hun heer om, maar zij spelen niet
de eerste rol; al dienen zij hun jongen meester van goeden raad, zij
bestelen niet, te zijnen behoeve en tegen een goede belooning, zijn
vader, om straks, zoodra zij de kans schoon zien, ook hun meester
de beurs te lichten; Adam in "Elk wat wils" en Pisanio zijn zelfs
voorbeelden, dat de edelste gezindheden in de borst van een trouwen
dienaar kunnen wonen.--Men vergelijke in deze opzichten Latijnsche,
Italiaansche of Fransche blijspelen van Shakespeare's tijd en later,
Molière niet uitgesloten, met de zijne, en oordeele, aan welke,
uit het oogpunt van zedelijkheid, de palm toekomt.
Maakt Shakespeare zich dus niet vroolijk met wat voor anderen een
onuitputtelijke bron van vroolijkheid is, toch zal niemand beweren,
dat hij minder hartelijk doet lachen. Integendeel, waar hij vroolijk
is, is hij het door en door, en sleept onwillekeurig mede. En hij
is het telkens, in al de stukken van dit tijdperk. In zijn "Romeo
en Julia" beeldt hij het leven af zooals het is, en telkens komen
er lachwekkende tooneelen, tot het naderen der droevige ontknooping
ze van zelf verbiedt. Welk een schat van geestige en vermakelijke
tooneelen er in de historiestukken voorkomen, behoeft wel niet in
herinnering gebracht te worden. En in de blijspelen moge er, evenals in
het leven, ernst met de scherts gemengd zijn, de geest der stukken is
zoo vroolijk, scherts en boert maken er zoo de schering en den inslag
van uit, doen den fijneren lach om geestigheden zoo vaak afwisselen
met den schaterlach om koddige invallen, dat men overal den frisschen
levenslust des dichters kan opmerken. Het vuur der jeugd doortintelt
hem; hij geniet het leven met volle teugen; zijn wereldbeschouwing
doet hem overal het goede, alles wat het leven veraangenaamt, opmerken;
het landschap, waar zijn blik op rust, wordt door de zon beschenen. Het
vaderland en de liefde zijn de machtige drijfveeren tot handelen. Hij
kent ook de schaduwzijden der wereld en wijst die aan; hij kent het
kwade en de ondeugd; hij kent de verderfelijke gevolgen van overmatige
eerzucht en van geldgierigheid; maar het gevoel van het booze in de
wereld grijpt zijn innigst wezen niet aan, het vervult zijn gemoed
niet; het moge hem hier en daar juiste opmerkingen en redeneeringen
ontlokken, hij zet er zich over heen en bekijkt de wereld weer van den
goeden kant; hij is optimist. De peinzer Jacques moge mijmeren over
het verkeerde in de wereld, en deze voos, bedorven en onrein noemen,
hem wordt toegevoegd [33], dat zijn beschouwingen voortvloeien uit
levensmoeheid, daar hij te veel heeft willen genieten; Amiëns moge
een roerend lied aanheffen over de ondankbaarheid [34], de verbannen
hertog geeft terstond daarna aan den jongen Orlando te kennen, dat hij
door weldaden aan den zoon de diensten wil erkennen, door den vader
hem bewezen, en de droefgeestige bespiegelingen van Jacques zijn niet
bij machte een schaduw te werpen op het zonnig leven in het woud,
ver van het gewoel der wereld.
Wèl had Shakespeare reden om met opgeruimden blik in de wereld rond
te zien. Op ongeveer twee-en-twintigjarigen leeftijd zijn landelijke
geboorteplaats ontweken, en vreemd in de woelige wereldstad Londen
aangekomen om er een geheel nieuwe loopbaan in te treden, had hij
ongetwijfeld in den beginne met groote moeilijkheden, misschien
met gebrek en tegenspoed, te kampen gehad, en had met onverdroten
inspanning hard moeten werken: maar lang had toch zeker de tegenspoed
niet geduurd en de belooning van zijn arbeid was niet uitgebleven,
want reeds na vijf of zes jaren behoefde hij niet meer beklaagd te
worden, maar had integendeel den nijd van oudere kunstbroeders in
hooge mate opgewekt. Een hunner, Robert Greene, die stervend aan
zijn wrok lucht gaf, erkende hierdoor tevens, dat de nieuw opgekomen
tooneelschrijver, die aan zijn voorgangers de kunst afgezien had,
hen verre overvleugelde, en bij het gezelschap, waar hij toe behoorde,
een overwegenden invloed bezat. Ongetwijfeld droeg tot dezen wrok bij,
dat Shakespeare van den beginne af zich niet bij hen aangesloten, niet
in hun loszinnig leven gedeeld, maar door noeste werkzaamheid zich in
korten tijd tot groot kunstenaar ontwikkeld had. De hatelijke uitval
van Greene heeft ten gevolge gehad, dat wij een eervol getuigenis
van Henry Chettle aangaande Shakespeare's karakter en handelingen
bezitten [35]. Weldra behaalde Shakespeare nu met zijn gedichten
"Venus en Adonis" en "Lucretia" grooten roem, en mocht zich in de
gunst van den graaf van Southampton verheugen. Wel bleef hem het leed
des levens niet gespaard en verloor hij in Augustus 1596 zijn eenigen
zoon Hamnet, een der in het begin van 1585 geboren tweelingen, maar
in geldelijk opzicht ging het hem zeer goed; de schouwburg leverde
hem, hetzij hij mede-eigenaar er van geworden was of niet, vrij wat
op. In 1597 kocht hij een groot huis in Stratford aan, _New Place_
geheeten [36] met bijbehoorende gronden; in 't volgend jaar trachtte
hij nabij Stratford landerijen te koopen en werd hem door een vriend,
Richard Quiney, een som van dertig pond te leen gevraagd. Later heeft
hij nog vrij wat geld in landerijen belegd. Kortom, uit alles blijkt,
dat het hem goed ging; hij begon grondeigenaar te worden; de man,
die voor weinige jaren zijn geboortestad Stratford was ontvlucht om
als tooneelspeler zijn brood te verdienen, was goed op weg om in zijn
eigen stad en graafschap als gezeten burger op den naam van _gentleman_
aanspraak te kunnen maken. Hiermede stond ongetwijfeld in verband,
dat zijn vader, John Shakespeare, in 1599 vergunning verwierf een
wapen te voeren [37], een voorrecht, waarschijnlijk op aandrang,
op kosten en door tusschenkomst van zijn zoon verkregen.