BEPALING VAN DE TIJDSORDE DER TOONEELWERKEN.

De ware, belangrijke geschiedenis van Shakespeare is natuurlijk

de geschiedenis van zijn geest. Om deze te ontwerpen, moeten zijn

werken onze archieven zijn, maar om ze hiertoe met vrucht te kunnen

bezigen, moet de tijdsorde, waarin zij ontstaan zijn, opgespoord en

bepaald worden. De eerste uitgave zijner gezamenlijke tooneelwerken,

de folio-editie van 1632, leert ons door haar rangschikking niets;

de stukken worden tot drie groepen gebracht: _comedies_, _histories_

en _tragedies_; en in ieder dezer groepen is de volgorde geheel

toevallig of willekeurig, ja, het eerste stuk van alle is een der

laatste, zoo niet het allerlaatste van Shakespeare.

Bij de tot dusverre besproken werken was het niet moeilijk te zien,

welke werken tot dit tijdperk zijner oefening, tot zijn leerjaren

te brengen zijn, maar overigens is reeds hier de juiste volgorde

niet met zekerheid te bepalen; alleen staat volkomen vast, welk

stuk als zijn eersteling te beschouwen is, en zien wij terstond in,

dat "Koning Richard III" als het laatste stuk van dit tijdperk mag

beschouwd worden. Voor wij verder gaan, moet beknopt nagegaan worden,

op welke wijze men de historische volgorde van Shakespeare's werken

tracht vast te stellen.

Verschillende middelen zijn voor deze bepaling te bezigen. Gedeeltelijk

zijn zij in de werken zelf op te sporen, gedeeltelijk er buiten te

vinden. Van de laatste zij hier in de eerste plaats gesproken.

De twee groote gedichten, _Venus en Adonis_ en _Lucretia_, zijn door

den dichter zelf uitgegeven, in 1593 en 1594, ongetwijfeld korten

tijd nadat zij voltooid waren. Negentien tooneelstukken zagen eerst

in de folio-uitgave van 1623 het licht, maar van de overige achttien

verschenen bij des dichters leven, schoon geenszins door zijn zorg,

afzonderlijke uitgaven, naar het formaat gewoonlijk met den naam

_quarto's_ aangeduid. Sommige dezer zijn zeer slecht, en blijkbaar

steelsgewijs verkregen door snelschrijvers, die onder het spel zich

een onvolkomen tekst verschaften, welke dan zoo goed en kwaad het ging

aangevuld en bijgewerkt werd; andere zijn beter, 't zij door betere

snelschrijvers of door herhaald bijwonen der vertooningen verkregen,

't zij door de medewerking van het tooneelgezelschap, dat misschien

een afschrift verschafte of het ter inzage gaf, daar het toch de

uitgave niet kon verhinderen en de verminking van het stuk voorkomen

wilde. In enkele gevallen zijn quarto's ten grondslag gelegd bij het

drukken der folio en niet zelden bewijzen zij bij het verbeteren van

de onnauwkeurigheden der folio grooten dienst.

De quarto's kunnen natuurlijk over het algemeen niet dienen om met

juistheid te bepalen, wanneer een stuk geschreven is, maar zij geven,

daar zij van een jaartal voorzien zijn, een jaar aan, waarin het stuk

reeds bestond; enkele malen verschenen zij tamelijk kort nadat het voor

het eerst gespeeld was. Daar de boeken, voor zij gedrukt of uitgegeven

werden, volgens een besluit van koningin Maria in 1557, ingeschreven

moesten worden in een register voor den boekhandel, _entered at

Stationers' Hall_, en daar deze registers bewaard zijn gebleven,

zijn wij in verscheiden gevallen vrij nauwkeurig onderricht van het

tijdstip, waarop het plan tot uitgave van een stuk was opgevat. Zoo

zag Hamlet het eerst het licht in 1603, maar in de registers vindt

men voor den uitgever James Robertes op 26 Juli 1602 ingeschreven:

"Een boek, geheeten De Wraak van Hamlet, Prins van Denemarken, zooals

het onlangs gespeeld is door den Lord Kamerheer zijn dienaars",

voor welke inschrijving zes stuivers betaald werd. Zoo werden ook

het eerste stuk van Koning Hendrik IV (1597), Veel Leven om Niets

(1600), Koning Lear (1607) en Pericles (1609) tamelijk kort, nadat zij

geschreven waren, reeds ingeschreven en uitgegeven. Andere stukken,

die de uitgevers misschien niet vroeger konden machtig worden, waren

bij de eerste uitgave reeds enkele jaren oud; zoo kent men van Titus

Andronicus, schoon reeds in 1594 ingeschreven, geen ouderen druk dan

van 1600; eerst in hetzelfde jaar verscheen de Midzomernachtdroom;

van den Othello, die ongetwijfeld van omstreeks 1604 dagteekent,

zag eerst in 1622 een quarto het licht. Behalve de reeds genoemde

stukken verschenen in quarto de volgende: Romeo en Julia (1597),

Richard III (1597), Richard II (1597), Veel Gemin, geen Gewin (1598),

het tweede deel van Koning Hendrik IV (1600), Koning Hendrik V (1600),

de Koopman van Venetië (1600), de Vroolijke Vrouwtjes van Windsor

(1602), Troilus en Cressida (1609); al de overige stukken,--en welke

meesterstukken zijn er onder!--zijn alleen door de folio voor ons

bewaard gebleven.--Van Elk wat wils (_As you like it_) zij nog vermeld,

dat het wel niet in quarto uitgegeven, maar toch op 4 Augustus 1600

in de registers van den boekhandel vermeld is.

Een tweede middel, buiten de stukken zelf gelegen, om den tijd na te

gaan, wanneer zij geschreven zijn, bezitten wij in de getuigenissen

van tijdgenooten. Het belangrijkste onder deze is ongetwijfeld dat

van den letterkundige Francis Meres in zijn _Palladis Tamia_ (Londen

1598), die Shakespeare, na zijn "Venus en Adonis" en zijn "Lucretia"

wegens de honigzoete taal geroemd te hebben, den voortreffelijkste

van allen noemt voor blijspel en treurspel, en van zijn blijspelen

vermeldt: zijn Edellieden van Verona, zijn Klucht der Vergissingen,

zijn Liefdes Moeite te loor gegaan (Veel Gemin, geen Gewin), zijn

Liefdes Moeite gelukt,--waarmede "Eind goed, Al goed" bedoeld moet

zijn,--zijn Midzomernachtdroom, en zijn Koopman van Venetië; en van

zijn treurspelen: zijn Richard de Tweede, Richard de Derde, Hendrik

de Vierde, Koning Jan, Titus Andronicus, en Romeo en Julia. In de

aanteekeningen op den Titus Andronicus vindt men den oorspronkelijken

tekst aangehaald. Men begrijpe wel, dat Meres geen volledige lijst

geeft en alleen noemt, wat hem vooral getroffen heeft en hem daarom

duidelijk voorstaat.--Nog van enkele andere stukken blijkt het,

dat zij ouder zijn dan een bepaalde dagteekening: zoo vermeldt een

rechtsgeleerde, John Manningham, in zijn dagboek op 2 Februari 1602,

volgens den ouden stijl 1601, dat hij een stuk "Driekoningenavond of

Wat gij wilt" heeft zien spelen; hij zegt genoeg van den inhoud om er

Shakespeare's stuk uit te herkennen. Evenzoo getuigt Dr. Forman in zijn

dagboek, op 15 Mei 1611, dat hij "Een Winteravondsprookje" heeft zien

spelen. Dat de Globus-schouwburg op 29 Juni 1613 afbrandde, toen er

een nieuw stuk, "Koning Hendrik VIII", gegeven werd, is uit meer dan

één brief van dien tijd bekend. Men zie hieromtrent de aanteekeningen

op de genoemde stukken.

Ook toespelingen van gelijktijdige schrijvers kunnen, mits zij

duidelijk genoeg zijn, dienstig wezen om te bepalen, wanneer een

stuk reeds bekend was. Zoo is het tweede deel van "Koning Hendrik

IV" zeker niet later dan 1599 gespeeld, want van dit jaar is

Ben Jonson's blijspel _Every Man out of his Humour_, en dit maakt

gewag van den vrederechter Stil, die in genoemd stuk van Shakespeare

optreedt. "Julius Caesar" is op zijn laatst van 1601, want in dit jaar

verscheen Weevers' "Spiegel van Martelaren", _The Mirror of Martyrs_,

waarin duidelijk op de toespraken van Brutus en Antonius gedoeld

wordt, die wel in Shakespeare, maar niet in zijn bron, Plutarchus,

te vinden zijn.

Aan de werken zelf zijn kenmerken te ontleenen, waaruit blijken kan,

omstreeks welken tijd zij geschreven zijn. De geheele geest, die er in

heerscht, kan deze opleveren. Wanneer men b. v. "Elk wat wils", _As

you like it_, vergelijkt met "De Storm", dan vindt men in beide een

edel, verdreven vorst, die zich in zijn ballingschap zeer goed weet

te schikken en tegen de ondankbaarheid troost vindt, maar men erkent

terstond bij de lezing, dat het eerste stuk door een jongeren dichter,

met een vroolijken blik op het leven, geschreven is, het tweede door

een man van rijperen leeftijd, die, hoe welgemoed ook, het leven met

een kalmer oog beziet. Bij zulke gevolgtrekkingen moet men echter

zeer omzichtig zijn; wij willen de geschiedenis van Shakespeare's

geest uit zijn stukken, in tijdsorde geschikt, afleiden, en moeten

alzoo de tijdsorde niet uit de stemming, die wij hem toeschrijven,

maar uit andere kenmerken opmaken. Naar deze dus moeten wij uitzien.

Wij vinden somwijlen enkele bijzonderheden in zijn werken, die hierbij

van goeden dienst kunnen zijn. Zoo vermeldt in "Koning Hendrik V" de

proloog van het vijfde bedrijf het dempen van een opstand in Ierland

en wijst hiermede duidelijk op 1599, in welk jaar Essex tot dit

doel er van April tot September vertoefde; in dezen tijd moet dus de

proloog geschreven en het stuk gespeeld zijn. Zoo zal "Elk wat wils"

wel niet vóór 1598 geschreven zijn, daar het stuk een aanhaling bevat

uit Marlowe's in genoemd jaar uitgegeven gedicht _Hero en Leander_,

en men geen reden heeft om aan te nemen, dat deze aanhaling later is

ingelascht. De dagteekening van "Koning Lear" moet na 1603 gesteld

worden, want de namen van duivels, die er in voorkomen, zijn aan een

boek ontleend, dat in genoemd jaar werd uitgegeven. Wat "De Storm"

betreft, dit stuk bevat beschouwingen, ontleend aan een Essay van

Montaigne, waarvan de Engelsche vertaling door John Florio in 1603 het

licht zag, en verder kan een geweldige storm, die in 1609 een Engelsche

Vloot naar de Bermudas dreef en in 1610 door een der tochtgenooten

beschreven werd, tot de inkleeding van het onderwerp aanleiding gegeven

hebben. Natuurlijk moet van dergelijke gegevens met omzichtigheid en

oordeel gebruik worden gemaakt, om ze tot bepaling van de tijdsorde der

stukken te doen strekken. Hetzelfde geldt, als men op overeenstemming

van gedachten of van toestanden in verschillende stukken let, als het

ware schakels opmerkt, die ze verbinden, waardoor men er toe geleid

kan worden ze tot hetzelfde tijdperk te brengen; dit onderzoek kan

dienst doen, doch vereischt natuurlijk de uiterste omzichtigheid.

Kan alzoo de inhoud van verscheiden stukken belangrijke inlichtingen

over hun tijd van ontstaan en de volgorde geven, niet mindere diensten

kunnen bij dit onderzoek de vorm, waarin de gedachten geuit worden,

alsmede de bouw der verzen bewijzen; ja, deze kenmerken, door het

onderzoek opgespoord, zijn, niet zooals de vroeger genoemde, op

enkele, maar op alle stukken van toepassing, en hierom te hooger te

schatten. Met name geldt dit van den versbouw; is door dezen eenmaal

de volgorde van Shakespeare's werken eenigermate vastgesteld,

dan kan hieruit de verandering in de wijze van gedachtenuiting

worden onderzocht en deze op haar beurt de uitkomsten der overige

onderzoekingen bevestigen of verzwakken.

Aangaande den versbouw moet hier een historisch overzicht gegeven

worden. Nadat Lord Surrey, in Januari 1547 het laatste slachtoffer van

Hendrik VIII, in zijn vertaling van Virgilius' Æneïs het vijfvoetige

rijmlooze jambische vers, _the blank-verse_, gebezigd, en Sackville en

Norton het in 1563 voor hun treurspel "Gorboduc" ("Ferrex en Porrex")

gekozen hadden, werd het vooral door Marlowe's "Tamerlan de Groote" de

heerschende versmaat voor dramatische werken, en gerijmde vijfvoetige

verzen werden een uitzondering. Ook Shakespeare volgde deze gewoonte,

en in zijn "Titus Andronicus" is slechts een vijftiende der versregels

gerijmd. Alleen in enkele zijner vroegere stukken maakt hij een

zeer uitgebreid gebruik van het rijm. In "Veel Gemin, geen Gewin"

zijn zelfs twee derde deelen der vijfvoetige versregels gerijmd, in

"De Klucht der Vergissingen" is dit met één derde het geval, liederen

of sonnetten natuurlijk niet medegerekend. Daarentegen komen in "De

Storm" slechts twee gerijmde vijfvoetige versregels voor, in "Een

Winteravondsprookje" vindt men er zelfs geen enkelen; beide behooren

tot de allerlaatste stukken van Shakespeare. Men kan dus zeggen,

dat hij, verder in zijn kunst gevorderd, dit hulpmiddel versmaadde;

maar men moet tevens erkennen, dat hij alleen daar rijmde, waar

het met den aard en de stemming van het stuk of met de voorgestelde

toestanden strookte. Dat in een stuk, waarin de gekunsteldheid ten

toon gesteld werd, zooals in "Veel Gemin, geen Gewin", van het rijm

een zeer ruim gebruik gemaakt werd, kan niemand bevreemden; dat in

den Midzomernachtdroom bijna de helft der regels gerijmd was, evenmin;

niet minder natuurlijk is het bezigen van het rijm in het treurspel der

liefde, de "Romeo en Julia", met zijn vele echt lyrische gedeelten,

of in den "Richard II", in welke beide stukken het aantal gerijmde

versregels ongeveer een vierde is van het geheel; in "Eind goed,

al goed" is het ongeveer een vijfde, maar in de overige stukken een

tiende of een vijftiende of nog minder, in "Hamlet" b. v. slechts een

dertigste, in "Antonius en Cleopatra" en in "Coriolanus" ongeveer een

zeventigste, namelijk 42 op de 2761 en 2521 rijmlooze versregels. In

de latere stukken rijmde Shakespeare slechts dan, waar hij aan een

gezegde bijzonderen nadruk wilde verleenen, b. v. bij de slotregels

van een tooneel. Is alzoo het veelvuldiger voorkomen van gerijmde

regels aan vroegere stukken eigen, men leide hier niet uit af, dat

aan deze gedeelten daarom gezochtheid of gewrongenheid eigen zijn;

integendeel, Shakespeare is genoegzaam meester van vorm en taal om

alle onnatuurlijkheid te vermijden; dat hij later het rijm minder

bezigde, is eenvoudig, omdat hij toen van oordeel was het niet meer

te behoeven, en het is ook in overeenstemming met de opmerkelijke

wijzigingen, die de bouw zijner rijmlooze verzen onderging.

De boven (blz. 23 en vgg.) gegeven voorbeelden mogen een denkbeeld

geven van de wijze, waarop zijn voorganger Marlowe het _blank-verse_

hanteerde. Men leze in de vertaling uit den Tamerlan (blz. 25) de

zes-en-dertig regels, beginnende:

"Wat drieste god is 't, die mijn lichaam nijpt,

Den grooten Tamerlan bedwingen wil?"

Dit vers verschilt van het vroeger gebruikelijke alleen door het

niet aanwezig zijn van het rijm; iedere regel is een afgesloten

geheel en de zin of een belangrijk gedeelte van den zin eindigt met

den regel, zoodat de stem onwillekeurig op het slotwoord eenigszins

rust. Al de regels zijn volkomen regelmatig gebouwd en onder het

geheele getal zijn er slechts vier, die met een slepende lettergreep

eindigen. In het oorspronkelijke is deze regelmatigheid, of als men

wil eentonigheid, nog iets grooter, daar _al_ deze regels er met een

staande lettergreep eindigen; trouwens bij Marlowe vindt men nagenoeg

geen enkelen slepend of vrouwelijk eindigenden regel dan in geval

het slotwoord een eigennaam is, die den klemtoon op de voorlaatste

lettergreep heeft; bovendien is de rust in nagenoeg elken regel

onmiddellijk achter den tweeden voet.

Reeds in de oudste stukken van Shakespeare vindt men meerdere

verscheidenheid dan bij Marlowe, maar toch, het vers is op

overeenkomstige wijze gebouwd, regelmatig, zoodat de zin met den regel

ten einde is; het heeft slechts zelden een slependen uitgang. Men

neme, om dit na te gaan, b. v. het verhaal van den ouden Ægeon in

"De Klucht der Vergissingen", I. 1. 98 ter hand, beginnende:

"O hadden zóó de goden zich erbarmd,

Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen," enz.

Men vindt, onder de bedoelde 23 regels er slechts 3, waar de zin

uit den eenen in den volgenden overloopt, of zooals men 't noemt

_enjambeert_, en evenzoo is het in het oorspronkelijke, waarin mede,

zooals hier, door een langere pauze midden in den regel, eenige

afwisseling ontstaat. Slechts enkele regels, 5 in 't geheel, hebben

in de vertaling een vrouwelijken uitgang, in het origineel zijn zij

alle manlijk, een verschil, dat zich gereedelijk uit dat der beide

talen laat verklaren, daar in het Engelsch de meeste werkwoorden,

door het te loor gaan van den uitgang, met een lettergreep eindigen,

die den klemtoon heeft, en het meervoud slechts zelden, zooals vaak

in het Nederlandsch, door het bijvoegen van een toonloozen uitgang

gevormd wordt. Men vergelijke hiermede een 24-tal regels uit een der

allerlaatste werken van onzen dichter, uit "Koning Hendrik VIII",

en wel II. 4. 186-209, waar de koning van de gemoedsbezwaren, die

hem aan de wettigheid van zijn huwelijk doen twijfelen, spreekt:

"Eerst

Dacht ik niet meer in 's hemels gunst te staan,

Die had beschikt, dat mijner vrouwe schoot,

Als die een manlijk kind van mij ontving,

Dit niet meer diensten deed ten leven, dan

Het graf den doode doet; haar knaapjes stierven

Waar zij ontstonden, of zeer kort nadat

De wereld hen deed aad'men;" enz.

In dit gedeelte loopt, in het oorspronkelijke 16-maal de zin van den

eenen regel in den volgenden over; in 21 regels valt een grootere,

door den zin gevorderde rust in den regel zelf. De zin beheerscht

hier de versmaat in die mate, dat men, om goed te lezen en aan den

zin recht te doen wedervaren, genoopt is vlug over het einde van den

versregel heen te glippen; ja, men kan meermalen schier niet anders

lezen door den aard van het woord, dat op het eind staat. Het slotwoord

kan namelijk een der korte woorden zijn, welke op zichzelf den zin

niet volledig maken, maar een of meer woorden achter zich verlangen:

vormen b.v. van hulpwerkwoorden, zooals _ben_, _kan_, _zijn_, _zou_,

_wilde_, of van voornaamwoorden, zooals _ik_, _gij_, _zij_, _dat_; zulk

een einde der regels kan men _vluchtig_ noemen, in het Engelsch bezigt

men er den naam van _light endings_ voor. Niet zelden is het slotwoord

zelfs van nog minder gewicht in den zin en verbindt slechts den eenen

zin met den ander of duidt de betrekking aan tusschen twee woorden,

zooals: voegwoorden, _en_, _maar_, _zoo_, of voorzetsels, _met_,

_door_, _in_; zulk een einde der regels zou men _zwak_ kunnen noemen,

in het Engelsch spreekt men van _weak endings_. Op de eerste soort

van versuitgangen _moet_ men niet drukken, op de tweede _kan_ men het

zelfs niet doen. Geheel scherp zijn natuurlijk zulke onderscheidingen

niet; de zin kan zoodanig zijn, dat op een woord als _tenzij_, ja

zelfs op _maar_ of _en_, veel nadruk moet gelegd worden, zoodat zij

met volle recht aan het einde van een regel staan; omgekeerd kan een

zelfstandig naamwoord, dat gewoonlijk zeer wel den nadruk verdragen

kan, in het verband als voegwoord dienst doen, zoodat het, aan het

slot van een regel voorkomende, een "zwak" einde te noemen is, den

overloop inleidt en dus zonder stemverheffing, ongeveer als een deel

van den volgenden regel, gelezen moet worden. Een voorbeeld vindt

men, in het oorspronkelijke, in "Macbeth", II. 1. 57, waar Macbeth,

op weg om Duncan te vermoorden, tot de aarde zegt:

"Hoor gij mijn schreden niet, waarheen zij gaan,

_Opdat_ de steenen van mijn doel niet klappen

En aan de nacht de doodsche stilte rooven,

Die passend is."

Hier heeft het Engelsch:

Hear not my steps, which way they walk, for fear

Thy very stones prate of my whereabout [24], etc.

Het _for fear_, "uit vreeze dat", dient hier alleen als voegwoord en

is daarom met "Opdat" vertaald.

Wil men een tweede voorbeeld van Shakespeare's stijl in zijn lateren

tijd, dan vergelijke men "Coriolanus", II. 2. 105-126, waar de consul

Cominius de daden van Caius Marcius den senaat schildert:

"Doch dit laatste,

Dit voor en in Corioli verrichte,

't Is niet naar eisch te schild'ren;" enz. [25]

Het is niet overbodig nog een proeve uit Shakespeare's vroegeren tijd,

schoon niet uit zijn eersten, met gedeelten uit zijn latere werken te

vergelijken. Zij moge ontleend zijn aan den "Richard III", toen de

dichter reeds verre in zijn kunst gevorderd was, doch zijn versbouw

nog geen groote wijzigingen ondergaan had. Koning Edward verneemt

met schrik en berouw, dat zijn bevel om zijn broeder Clarence ter

dood te brengen, reeds is uitgevoerd en geeft een edelman, die hem

genade vraagt voor een moordenaar, ten antwoord, II. 1. 102-132:

"Heb ik een tong, die mijnen broeder doodt,

En moet die tong een knecht het leven schenken?" enz.

In het oorspronkelijke zijn in deze 31 regels 5 overloopen

(_enjambementen_), waarvan er slechts één zeer merkbaar is, die van

regel 115; en er zijn 4 regels bij, die vrouwelijk of slepend eindigen.

Men vergelijke hiermede, wat Macbeth zegt, III. 1. 48:

"Koning zijn is niets,

Tenzij men 't veilig is.--Mijn vrees voor Banquo

Heeft diepen wortel; in zijn koningsaard

Heerscht iets, wat vrees moet wekken; hij waagt veel,

En bij zijn onverschrokken geest bezit hij

Een wijsheid, die zijn kloekheid veilig leidt

Bij 't hand'len".

Onder deze regels zijn er in het Engelsch vier, die slepend eindigen,

en bij drie loopt de zin in den volgenden regel onmiddellijk door.

Eveneens vergelijke men de ontboezeming van Imogeen tegen haar

getrouwen dienaar Pisanio, als zij door hem verneemt, dat haar man

in Milfordshaven is en haar wacht (Cymbeline, III. 2. 50-70):

"O! een gevleugeld paard!--Pisanio, hoor!

Hij is in Milfordshaven; lees, en zeg me

Hoe ver dat is. Als iemand zonder haast

Het afreist in een week, zou ik dan niet

In éénen dag er komen!" enz.

In deze 21 regels zijn er, in het oorspronkelijke, 7 met vrouwelijk

einde en 9 enjambementen op te merken [26].

Men erkent gereedelijk, dat het vers in de latere stukken losser,

minder straf van bouw is geworden; hier en daar is de vorm zoo los,

zoo tot de taal van het dagelijksch leven naderend, dat men zelfs,

zoo niet de rijke poëzie, die in de gedachten zich openbaart, er zich

tegen verzette, geneigd zou zijn, van metrisch proza te spreken. Waar

de gedachten minder dichterlijk zijn, waar het stuk eischt, dat er

een betoog geleverd wordt, zooals in de aangehaalde plaats uit Koning

Hendrik VIII, mag deze uitdrukking zelfs juist genoemd worden. Doch men

merke op, hoe deze vorm aldaar terecht gebezigd wordt, er volkomen op

zijn plaats is. Shakespeare werd door een zuiver kunstgevoel geleid,

en aan de verandering in versbouw ligt een zeer juist beginsel ten

grondslag. Men moet erkennen, dat de verzen zijner vroegere stukken,

zooveel strenger van bouw dan die der latere, voortreffelijk gezegd

kunnen worden; zij bieden, bij al hun regelmatigheid, tevens

genoegzame verscheidenheid aan; zij zijn natuurlijk, en zoowel

voor kalme beschouwingen als voor het uiten van heftige hartstochten

geschikt. Waar het noodig is, maakt de dichter van de vrijheid gebruik,

om de gedachte niet in één regel te besluiten; zij gaat ook hier reeds

meermalen van den eenen regel in den anderen door. Een zeer duidelijk

voorbeeld levert de "Romeo en Julia", zeker een der oudere stukken,

in de volgende regels, II. 6. 24. Romeo begroet Julia bij haar komst

in de cel van broeder Lorenzo met de volgende woorden:

"O Julia, is de mate van uw heil

Vol als de mijne, en hebt gij meer dan ik

De macht van 't woord, doorgeur dan met uw adem

De lucht om ons; uw zilv'ren stem verkonde

In rijke melodie de zaligheid,

Die bij dit samenzijn ons hart doortintelt!" [27]

Men merke hier op, hoe niet alleen het samensmelten van iederen

volgenden regel met den vorigen, den heftigen, onweerstaanbaren stroom

van hartstocht uitdrukt, maar hoe ook de snelle opeenvolging van

eenlettergrepige woorden hiertoe strekt en den zin een rijke beteekenis

verleent. Men vertale het woord _skill_ uit den tweeden regel door

"vaardigheid" of "bekwaamheid" en men zie, hoeveel het zeggen in

dichterlijkheid en kracht verliest. Wij hebben hier een duidelijk

voorbeeld, welk innig verband er bij groote dichters tusschen den

inhoud en den vorm hunner scheppingen bestaat.

Doch zulk een doorloopen van den zin in meer dan een of in verscheiden

versregels is in de vroegere stukken betrekkelijk zeldzaam; meestal

is het vers regelmatiger en aan het einde van den regel kan de stem

vaak een oogenblik rusten. Men zou dit vers _declamatorisch_ kunnen

noemen. Als men uit de lessen, door Hamlet aan de tooneelspelers

gegeven, ziet, hoeveel gewicht Shakespeare aan een eenvoudige en

natuurlijke voordracht hechtte, dan kan het ons niet vreemd voorkomen,

dat zijn versbouw langzamerhand verandering onderging. Doch inderdaad

langzamerhand. Eerst nam het aantal regels met slepend of vrouwelijk

einde toe, zoodat de stem telkens minder aanleiding vond om op

het einde der regels bijzonder te drukken; vervolgens werd de zin

meermalen dan vroeger in den volgenden regel voortgezet, eerst nog

met belangrijke eindwoorden; ten laatste werden er meermalen ook

woorden voor gebezigd, die geen nadruk dulden en vluchtig of zelfs

zeer zwak moesten uitgesproken worden (de op blz. 49 besproken _light_

en _weak endings_). Ongeveer het eerst treft men zulke regels in den

"Macbeth" aan, doch in de latere stukken neemt hun aantal toe. Hoeveel

versregels in een stuk op het geheel aantal slepend, zwak of vluchtig

zijn, is te tellen, en dit is dan ook trouw in praktijk gebracht: de

hiervan opgemaakte lijsten kunnen, als zij met oordeel gebruikt worden,

belangrijke diensten bewijzen bij de pogingen om de opeenvolging in

tijdsorde van Shakespeare's stukken te bepalen. Zoo was langzamerhand

uit het vers van Shakespeare's voorgangers een versvorm ontstaan,

die zich niet meer voor declamatie leende, maar een eenvoudige en

natuurlijke voordracht in de hand werkte en deze zelfs eischte. Men

zou dit vers het _dramatische_ vers kunnen noemen.

Met het gezegde is de beschrijving van het dramatische vers nog

niet voltooid. Het gewone, regelmatige vers bezit vijf heffingen,

telkens door een daling voorafgegaan en bestaat dus uit tien, of,

als het slepend eindigt, uit elf lettergrepen. Eischt nu bij de

voordracht van een vers de zin na een heffing een rust, dan kan deze

laatste ook voor een daling gelden; meermalen begint Shakespeare daarom

weder met een heffing, zoodat er, als men doorlas, twee beklemtoonde

lettergrepen op elkander zouden volgen. Doch het komt bij hem ook voor,

dat de rust volgt na een daling, en dat bij het weder opvatten van

het vers op nieuw met een daling begonnen wordt, zoodat men tusschen

twee heffingen niet één, maar twee niet-beklemtoonde lettergrepen

aantreft. Het karakter van het vers wordt hierdoor niet veranderd,

daar de vijf gewone heffingen aanwezig zijn; en de voordracht kan

zelfs van de onregelmatigheid partij trekken.--Deze onregelmatigheden

in den versbouw behoefden echter in de vertaling over het algemeen

niet nagebootst te worden en men zal ze dan ook slechts zelden,

en alleen bij hartstochtelijke uitingen, aantreffen.

Evenzeer als de versbouw heeft ook de levensbeschouwing, de denkwijze

des dichters met de jaren verandering ondergaan. Dit kan blijken uit

de onderwerpen, die hij kiest, uit de karakters, die hij ontwerpt, uit

de scherpte en grondigheid, waarmede hij deze teekent. Doch hierover

moet later gesproken worden, thans zij alleen in het kort gehandeld

over de wijzigingen, die in zijn stijl op te merken zijn. De boven

aangehaalde gedeelten uit zijn vroege tooneelwerken kunnen voldoende

geacht worden om een denkbeeld te geven van zijn stijl in zijn eersten

tijd; men ziet, dat de gedachten, hoe stout zij ook zijn mogen, helder

en eenvoudig zijn teruggegeven, de beelden met zorg uitgewerkt. Wil men

zich er nader van overtuigen, dan sla men b.v. "Romeo en Julia" op,

en leze er, III. 2. 1-30, de alleenspraak van Julia, waarin zij haar

verlangen naar Romeo uit; zelfs in de spanning, waarin zij verkeert,

bij den hartstocht, die haar beheerscht, is haar taal, de geheele

gang harer gedachten duidelijk; de beelden zijn alle scherp en zuiver

geteekend. Neemt men een stuk uit een iets lateren tijd, b.v. "Koning

Hendrik V", en leest men daar een proloog, of wel IV. 1. 247-301, de

alleenspraak des konings, dan ziet men, dat dezelfde eigenschappen,

bij allen rijkdom van gedachten, behouden zijn gebleven. Hetzelfde

vindt men, als men in "Driekoningenavond of Wat gij wilt" het

overheerlijke vierde tooneel van het tweede bedrijf nagaat, waarbij

men tevens op de uitstekende karakterteekening lette, die door haar

fijnheid den gerijpten dichter verraadt. Nemen wij nu een werk van

eenige jaren later ter hand, den reeds meermalen genoemden "Macbeth",

dan kunnen wij natuurlijk, bij een zoo somber stuk, waarover zware

onweerswolken hangen, die telkens bliksemschichten uitschieten en de

aarde doen trillen van haar donderslagen, een anderen stijl verwachten

dan in het laatstvermelde, waarin de hemel geen wolkje vertoont en de

heldere zon alles verlicht en doortintelt; maar ook al brengt men dit

in rekening, zoo moet men toch erkennen, dat de stijl, de geheele wijze

van uitdrukking, gewijzigd is. Men leze b.v. I. 7. de alleenspraak van

Macbeth, waarin hij de gevolgen van den moord, op Duncan te plegen,

overweegt. Nog sterker valt de verandering in het oog, wanneer wij

een der allerlaatste stukken, den "Cymbeline" b.v., openslaan en er de

beschrijving lezen van den veldslag tusschen de Britten en Romeinen,

die in het derde tooneel van het vijfde bedrijf door Posthumus aan een

Britsch edelman gegeven wordt. Hier, niet minder dan in Macbeth, kan

men opmerken, hoe de gedachten van den dichter in kracht en diepte

gewonnen hebben, hoe zij, evenals de beelden, hem steeds in vollen

rijkdom toestroomen, maar hoe zijn machtige geest dien schat ten volle

beheerscht. De taal moge schier onvermogend zijn om zulk een overvloed

van gedachten en beelden in een kort bestek samen te vatten, de meester

dwingt haar, hoe zij ook wederstreve, hem ten dienste te staan; en

hoe de denkbeelden ook in weinige regels zijn samengedrongen, welke

inspanning het ook vordere hun gang te volgen en den vollen rijkdom

te bevatten, toch weet hij hun steeds den schoonen vorm te geven,

die de waarde van zijn werk verhoogt en de duurzaamheid verzekert;

zijn onbeperkte heerschappij over de taal maakt hem voor altijd

meester van het gemoed. Doch, welk een krachtig heerscher hij zich

ook getoond hebbe,--waar geen ontwikkeling van macht noodig is, laat

hij haar niet bespeuren, en in het liefelijk stuk, "De Storm", dat de

dichter zelf tot eindpaal zijner loopbaan schijnt bestemd te hebben,

en waarin hij zijn tooverstaf schijnt neder te leggen, stroomt de taal

weder, als in de blijspelen zijner jeugd, gelijk een kalme stroom,

die geen weêrstand ondervindt, geen hindernissen ontmoet om er tegen

op te bruisen, maar die, door het zachte gekabbel der golfjes aan den

oever en door de betooverende weerkaatsing van de schoone boorden en

den lichtrijken hemel, met onweerstaanbare bekoring het oog en gemoed

van den toeschouwer boeit.

De Werken van William Shakespeare Overzicht van Shakespeare's leven en werken · 第 14 / 26 题