Wij hebben Shakespeare in den loop van 1585 of 1586 uit Stratford
naar Londen zien vertrekken, maar weten niets van de beweegredenen,
die hem er toe dreven. Dezelfde onzekerheid heerscht er aangaande de
wijze, waarop hij daar ontvangen werd of zich zijn weg baande. Dat
hij tooneelspeler werd, is zeker, maar of het hem dadelijk gelukte
een plaatsing bij het tooneel te vinden, en wel bij de "Dienaars van
den lord Kamerheer", met andere woorden, bij den troep van Richard
Burbage, is bij het ontbreken van alle berichten, niet met zekerheid te
zeggen. Waarschijnlijk werd hij er zeer spoedig in opgenomen, daar hij
zich reeds in 1592 als tooneelnaam gemaakt had; er kan niet veel tijd
verloren gegaan zijn. Wel is er een verhaal in omloop geweest, dat hij
eerst met het toezicht op de paarden der voorname schouwburgbezoekers
belast was en zich zoo wel van die taak kweet, dat hij er weldra
handlangers op na moest houden, die zeer gewild waren en onder den
naam van _Shakspere's boys_ bekend stonden, doch of dit verhaal eenige
waarheid bevat, is niet te zeggen [23]. Even goed kan men vermoeden,
dat zoowel zijn bekendheid met tooneelspelers uit Warwich als zijn
begaafdheid hem terstond bij genoemd gezelschap deden aannemen; hij
zal als speler zijn opgetreden en waarschijnlijk zich zeer spoedig niet
alleen hierin, maar ook door zijn inzicht in de waarde van stukken en
door het aan de hand doen of aanbrengen van verbeteringen of door het
op nieuw bewerken van oudere stukken onderscheiden hebben, zoodat hij
weldra zelf zijn krachten aan het schrijven van een tooneelwerk durfde
beproeven. Met het oog op zijn werken mogen, ja, moeten wij dit gissen,
en wij behoeven geen oogenblik aangaande het stuk in onzekerheid te
zijn: zijn eersteling is ongetwijfeld Titus Andronicus geweest.
Verscheiden Shakespeare-beoefenaars, en hieronder mannen van grooten
naam, achten dit stuk, dat van bloed druipt, er naar riekt, Shakespeare
geheel onwaardig en te zeer van zijn andere werken verschillend;
zij willen niet toegeven, dat hij de schrijver er van kan zijn,
schoon zij erkennen, dat hier en daar zijn hand niet te loochenen is;
hij zou volgens hen in het werk van een ander hier en daar enkele
toetsen hebben aangebracht. Doch deze meening is niet vol te houden;
zoowel uitwendige als inwendige bewijzen spreken al te sterk voor
het gevoelen van hen, die het geheel voor een werk van Shakespeare
houden. Ondubbelzinnig is het getuigenis van den letterkundige
Francis Meres, die het in 1598 aan hem toeschreef, en bovendien
kennen de uitgevers zijner gezamenlijke tooneelwerken, Heminge en
Condell, zijn vrienden en vakgenooten, leden van den troep, waarvan
hijzelf een deel uitmaakte, het hem toe, door het in de folio-uitgave
van 1623 op te nemen. Dat hij een meer dan schrikwekkend, ja, een
gruwelijk onderwerp koos, dat de wijze van uitwerking aanmerkelijk
verschilt van die zijner latere stukken, laat zich gereedelijk
verontschuldigen en verklaren, als wij bedenken, dat wij in dit stuk
de eerste proeve zijner dramatische kunst hebben te zien en dat het
kort na zijn aankomst in Londen door hem geschreven werd. Toen Meres
het in 1598 vermeldde, was het zeker een tiental jaren oud en ik ben
geneigd aan te nemen, dat het van 1587 dagteekent, het jaar, waarin
Marlowe's Tamerlan ten tooneele gevoerd werd. Het moet aan eenige
andere zijner stukken, die vóór 1592 gespeeld werden, voorafgegaan
zijn. Dit wordt bevestigd door een uiting van Ben Jonson in 1614,
die er zich over ergert, dat gruwelstukken als Titus Andronicus en
de Spaansche tragedie, (van Thomas Kyd) na vijf-en-twintig of dertig
jaren nog steeds toeschouwers trokken.
Is de Titus Andronicus alzoo de eerste door Shakespeare geleverde
dramatische proeve, dan vervallen eigenlijk alle bezwaren, die tegen
zijn auteurschap geopperd worden. Men bedenke, dat de beginnende
dramaschrijver, die zijn werk opgevoerd wil zien, zich niet, zooals
de lierdichter, vrij kan achten in de keuze van zijn onderwerp; hij
moet er een kiezen, waarmede hij weet den bijval der toeschouwers
te kunnen inoogsten; het kan zelfs wezen, dat hem er een aan de hand
wordt gedaan en hiermede het uitzicht geopend op het spelen van het
stuk. Wanneer hijzelf kiest, ligt het voor de hand, dat de stoffe
zoo rijk mogelijk is aan gebeurtenissen, die den toeschouwer boeien
en treffen, want hij kent en vertrouwt zijn eigen krachten nog niet,
hij durft niet hopen door een goed ontworpen en weluitgewerkt plan,
door juiste karakterteekening, diepe gedachten, rijke beeldspraak, zijn
gehoor toereikend te kunnen boeien, maar hij zoekt hun toejuichingen
te verwerven, door veel voor hun oogen te laten gebeuren. Zoo
zal ten minste iemand doen, die niet aan dwaze zelfoverschatting
lijdt. Naar ons gevoel wordt er in den Titus Andronicus veel te veel
bloed gestort, doch men vergete niet, dat Shakespeare's tijdgenooten
in dit opzicht minder weekhartig waren dan wij en hun zenuwen vrij
wat konden verdragen. Over de keuze van het onderwerp behoeven wij
ons alzoo niet te verwonderen; andere groote dichters kozen voor hun
eerste tooneelstukken iets dergelijks.
De wijze van uitwerking doet zien, hoe den jeugdigen dichter de
herinneringen uit de Latijnsche school nog voor den geest zweven; Titus
speelt, als hij zijn wraaklust achter het mom van waanzin verbergt,
tegenover Tamora de rol van Brutus; als hij zijn dochter doorsteekt,
die van Virginius; de mishandeling van Lavinia is als die van Philomela
(of Procne) door Tereus; het onthaal van Tamora door Titus is als het
gastmaal van Thyestes in de gruwelgeschiedenis der Atriden. Hierbij
komt nog het bezigen van Latijnsche versregels en andere Latijnsche
gezegden, evenals dit bij Marlowe en andere tooneelschrijvers van
dien tijd veelvuldig geschiedt.
De gissing van sommigen, dat Shakespeare slechts hier en daar eenige
wijzigingen zou gebracht hebben in eens anders stuk, behoeft hier niet
nader besproken te worden; wie onbevooroordeeld den Titus Andronicus
doorleest, moet erkennen, dat er van ongelijkheid van stijl geen
sprake kan zijn; er zijn geen twee handen in te onderkennen, wij
hebben het werk van éen dichter voor ons.
En vergelijken wij zijn werk met dat zijner tijdgenooten, zelfs met
Marlowe's Tamerlan, dan blijkt hij hen allen te overtreffen, reeds
in dezen eersteling verre hun meerdere te zijn. Hoeveel aanmerkingen
op het eerste bedrijf ook te maken zijn, men moet erkennen, dat de
uiteenzetting van den toestand niets in duidelijkheid en volledigheid
te wenschen overlaat, en tevens dat Titus een tragische schuld op zich
laadt, die zijn ondergang ten gevolge hebben moet. In de volgende
bedrijven gaat de handeling steeds voort, de tooneelen staan met
elkander behoorlijk in verband en alleen het tweede tooneel van het
derde bedrijf zou men als niet noodzakelijk er uit kunnen lichten;
dat Titus waanzin veinst, is geen toevallige bijzonderheid, maar
moest uit zijn gedrag in het eerste bedrijf met noodzakelijkheid
volgen; het einde moest komen, zooals het vijfde bedrijf het brengt,
en het is in zooverre bevredigend, dat met het optreden van Lucius als
heerscher een betere toekomst belooft aan te breken. Voorwaar, geen
gelijktijdig tooneelschrijver heeft den dichter van Titus Andronicus
in het ontwerpen en volgen van een geregeld plan overtroffen of
zelfs geëvenaard.
Een andere bijzonderheid is, dat Shakespeare reeds in zijn eersteling
er in geslaagd is, werkelijke personen, geen tooneelpoppen, te
doen optreden en zelfs aan Aaron nog liefde voor zijn kind heeft
toegekend, zoodat ook dit monster voor menschelijke gevoelens niet
geheel ontoegankelijk is en zijn straf hierdoor gerechtvaardigd
wordt. Verder is nog de matiging op te merken, die Shakespeare zelfs
in dit gruwelijke stuk in acht weet te nemen: als de mishandelde
en vreeselijk verminkte Lavinia voor Titus geleid wordt, als hem
de hoofden zijner zoons gebracht worden, als Tamora verneemt,
welk een maal zij genoten heeft, spaart de dichter ons uitbundige
jammerklachten en vervloekingen,--een matiging, waartoe nòch Marlowe
nòch eenig tooneelschrijver dier dagen in staat zou geweest zijn. Hier
en daar, waar het onderwerp er aanleiding toe geeft, ademt de poëzie
een liefelijkheid en zachtheid, die weldadig aandoet. De dichter blijkt
reeds als een meester de taal te behandelen en zijn versbouw staat niet
bij dien van Marlowe achter, ja overtreft dien in verscheidenheid. Het
een en ander is breeder uitgewerkt in de aanteekeningen op den Titus
Andronicus, waarheen ik den belangstellenden lezer meen te mogen
verwijzen, zooals ook bij de bespreking der volgende stukken de te
geven aanteekeningen mij tot het in acht nemen van beknoptheid in
staat zullen stellen.
Toen Shakespeare met dezen eersteling zijn krachten beproefd had,
legde hij zich terstond een andere taak op; hij ondernam een grootsch
geheel van vier stukken, een tetralogie, die een belangrijk gedeelte
van 's lands historie, de worsteling namelijk der huizen van Lancaster
en van York, den strijd van de roode en de witte roos, ten tooneele
zou brengen. Hoogstwaarschijnlijk was hij reeds in Stratford met de
lezing zijner hoofdbron, de kroniek van Holinshed, begonnen, en had de
nabijheid van het grootsche kasteel, eens de zetel van den machtigen
koningmaker, den graaf van Warwick, aanleiding gegeven, dat vooral
dit gedeelte der geschiedenis zijn opmerkzaamheid boeide. Thans,
nu hij zich door den Titus Andronicus zijner kracht bewust was
geworden, ondernam hij met moed zijn taak en ontwierp, ten minste in
hoofdtrekken, waarschijnlijk terstond het grootsche geheel. In drie
stukken werd de geheele levensloop van den zwakken en rampspoedigen
koning Hendrik VI ten tooneele gebracht. Men moge het waarschijnlijk,
ja bijna zeker achten, dat hij hierbij aanvankelijk nog niet als
zelfstandig tooneeldichter, maar als bewerker van voorhanden stukken
optrad, ongetwijfeld heeft hij volgens een welberaamd plan gewerkt
en belangrijke gedeelten geschreven, ja, misschien ook in de eerste
bewerking de hand gehad. Hierover wordt in de aanteekeningen bij de
stukken nader gehandeld. Doch moge zijn aandeel in deze tooneelwerken
grooter of kleiner zijn, moge de invloed van Shakespeare's voorgangers
of tijdgenooten, vooral van Marlowe, zeer merkbaar zijn, mogen deze
stukken in menig opzicht den beginnaar verraden, langzamerhand wiesen
den adelaar de vleugels, en toen de dichter, schoon Marlowe's invloed
nog niet ontworsteld, met het vierde stuk, den K. Richard III, dezen
arbeid besloot, schiep hij een indrukwekkend treurspel, dat alles,
wat de dramatische kunst tot dusverre in Engeland had voortgebracht,
verre achter zich liet en alleen door zijn eigen latere scheppingen
overtroffen zou worden; de leerjaren waren voorbij, de dichter had
het meesterschap verworven.
Het is voorwaar niet te verwonderen, dat de jeugdige Shakespeare
dit onderwerp ter behandeling koos: historische onderwerpen, aan de
Engelsche geschiedenis ontleend, vielen zeer in den smaak van het
publiek; de dichter, die een goede keus deed, kon op belangstelling
rekenen in een tijd, als Engeland toen doorleefde, een tijd, waarin het
volk zijn kracht begon te gevoelen en groote overzeesche tochten werden
ondernomen, waarin Engeland, reeds betrokken in den worstelstrijd
van Nederland met Spanje en in den Franschen burgeroorlog, verwachten
kon, dat de gespannen verhouding en voortdurende schermutselingen met
Spanje tot een openbaren krijg zouden overslaan en de groote Armada
naar de Britsche wateren zou stevenen; in zulk een tijd zag het volk
gaarne het forsche voorgeslacht ten tooneele gevoerd. Een ingewikkeld
plan behoefde de dichter niet uit te denken, de kronieken leverden
hem een reeks van belangwekkende gebeurtenissen; met de eischen
van eenheid van plaats, tijd of handeling behoefde hij zijn hoofd
niet te breken; hij kon de gebeurtenissen van jaren in één tooneel
samenvatten, of de volgorde er van wijzigen, mits hij een helder
beeld van den tijd en van het voorgeslacht aan de toeschouwers voor
oogen stelde. En dit heeft Shakespeare, hoeveel leemten er in het
werk des jeugdigen dichters ook op te merken zijn, inderdaad gedaan;
hij heeft de personen, wier handelingen door de kronieken verhaald
worden, met leven bezield, hunne drijfveeren blootgelegd; hij heeft
de mannen van het voorgeslacht doen optreden met al de kracht, de
heftige ijverzucht, den gloeienden haat, den dorst naar roem, den
onbezweken moed, de liefde voor het vaderland, de trouwe vriendschap of
onbetrouwbare wuftheid en wankelmoedigheid, de lage begeerlijkheid of
grootmoedige zelfopoffering, de vuige zelfzucht of de onbaatzuchtige
genegenheid, die hun eigen waren. Ongetwijfeld is het eerste stuk
het zwakste van alle en verraadt het meest den beginnaar, maar toch,
met welk een stoutheid is reeds het eerste tooneel ontworpen! Het vat
de gebeurtenissen van verscheiden jaren samen en geeft tegelijkertijd
een beeld zoowel van de droevige gewaarwordingen, die ieders borst
vervulden bij het vroegtijdig sterven van den voortreffelijken Hendrik
V, als van den verwarden, ellendigen toestand, die het gevolg was
van de oneenigheid en den onderlingen naijver der grooten. Wel zijn er
tooneelen, die men mislukt mag rekenen, zooals dat, waarin Talbot op
uitnoodiging der gravin van Auvergne op haar kasteel komt, doch hier
staat tegenover, dat andere uitstekend geslaagd zijn; Marlowe heeft er
geen enkel geschreven, dat in schoonheid en eenvoudige verhevenheid met
de tooneelen van Talbot en zijn heldhaftigen zoon te vergelijken is
(IV. 5, 6 en 7), waarin het diep gevoel, dat vader en zoon bezielt,
er als het ware een elegie van maakt op den dood van het heldenpaar,
en de weemoedige stemming in gerijmde verzen is uitgedrukt.
Opmerking verdient, dat de dichter, die in het eerste stuk alles heeft
samengebracht, wat in Frankrijk gebeurde, en die hiertoe Talbots dood
veel vervroegd heeft, tevens zorg gedragen heeft, er de draden in te
spannen, waarmede hij in het tweede stuk kon voortweven, zoodat zich
dit inderdaad onmiddellijk aan het eerste aansluit, evenals het tweede
met het derde ten nauwste samenhangt en het derde reeds het vierde,
Koning Richard III, voorbereidt. De schrijver van de drie deelen van
Koning Hendrik VI is dus ongetwijfeld dezelfde Shakespeare, die den
Richard III gedicht heeft. Al zijn die drie gedeelten van "Koning
Hendrik VI" misschien slechts gedeeltelijk door hem geschreven,
zijn aandeel was ongetwijfeld belangrijk genoeg, dat de uitgevers
der folio-editie, die het ware van de zaak ongetwijfeld wisten,
zich gerechtigd achtten alle aan Shakespeare toe te kennen.
Het is volkomen zeker, dat in 1592 de drie deelen van "Koning
Hendrik VI" reeds verscheiden malen ten tooneele gevoerd waren. Van
het eerste weten wij dit uit een geschrift van Thomas Nash, dat in
1592 het licht zag; hij vermeldt er in, dat Talbot, na tweehonderd
jaar in het graf te hebben gelegen, weder op het tooneel vele malen
triumfeert en dat zijn gebeente besproeid is met de tranen van wel
tien duizend toeschouwers. Dat ook het derde deel van Koning Hendrik
VI in genoemd jaar reeds met grooten bijval gespeeld was, blijkt
uit een geschrift van den in 1592 gestorven dichter Robert Greene,
die, door den nieuw opgetreden mededinger van de baan geschoven,
zich over diens welslagen geweldig ergerde. Hierover moet later nog
gesproken worden; men zie blz. 45.
Tot dit zelfde tijdperk van des dichters leven zijn ten minste nog een
drietal stukken van geheel anderen en onderling zeer verschillenden
aard te brengen.
Een van deze is de _Klucht der Vergissingen_, waarin
Shakespeare ruimschoots gebruik heeft gemaakt van het recht des
kluchtspelschrijvers om toestanden, die vrij onwaarschijnlijk,
doch inderdaad niet geheel onmogelijk zijn, te scheppen, mits hij
den toeschouwer boeie en vermake. Aan den laatstgenoemden eisch is
ruimschoots door hem voldaan. Doch rekent men het een kenmerk van de
klucht, dat het toeval alleen heerschappij voere, en de toestanden,
waarin de personen geraken, den lachlust moeten opwekken, terwijl hun
karakter en gezindheid ons tamelijk onverschillig laten en zij ons geen
ware belangstelling en deelneming inboezemen, dan staat Shakespeare's
stuk veel hooger. Let men op den ernstigen achtergrond er van, op het
gevaar, waarin de oude vader verkeert, op het verschil in karakter
zijner twee zoons, een verschil dat ook, hoewel in geringere mate,
bij hun slaven valt op te merken, op het karakter van de vrouw des
eenen broeders en dat van haar zuster, op de eenvoudige, natuurlijke
wijze, waarop de verwikkelingen ontstaan, op de poëtische schoonheden
van verscheiden gedeelten, b.v. van het episch breede verhaal van den
vader, waarmede het stuk begint, van de gesprekken tusschen de beide
zusters en tusschen Luciana en haar vermeenden zwager, dan moet men
erkennen, dat de jeugdige dichter een belangwekkend en boeiend, een
voortreffelijk tooneelwerk heeft geleverd. Dit valt nog meer in het
oog, wanneer men het vergelijkt met de stukken van Plautus, die hem de
stof voor zijn arbeid hebben geleverd; diens klucht, de Tweelingen of
_Menoechmi_, ligt namelijk aan Shakespeare's werk ten grondslag, zooals
in bijzonderheden is aangewezen in de aanteekeningen op dit stuk, welke
men gelieve na te slaan. Een andere klucht van Plautus, de _Amphitruo_,
bracht Shakespeare waarschijnlijk op het denkbeeld, het tweelingpaar te
verdubbelen, en deed hem wellicht ook het tooneel aan de hand, waarin
de vrouw aan haar echtgenoot, met wiens evenbeeld zij aan tafel zit,
den toegang tot zijn eigen woning ontzegt. Bestond er toen nog geen
vertaling van Plautus, niets belet ons aan te nemen, dat Shakespeare
Latijn genoeg verstond, om het oorspronkelijke te raadplegen. Hier zij
verder nog gewezen op twee bijzonderheden in den vorm, namelijk op het
uitgestrekt gebruik van zoogenoemde knuppelverzen, _doggerel rhymes_,
die in oudere Engelsche tooneelwerken zoo vaak gebezigd worden, en
op het veelvuldig voorkomen van afwisselend rijmende verzen. Alleen
in zijn oudere stukken maakt Shakespeare van deze twee versvormen
gebruik, in de latere niet meer. Waarschijnlijk is dit stuk tusschen
1588 en 1592 geschreven, misschien wel in 1591; hoe dit zij, het
legt getuigenis af van de groote heerschappij over taal en vorm,
door Shakespeare reeds vroeg verkregen.
Uit denzelfden tijd is ongetwijfeld ook het blijspel "Twee Edellieden
van Verona" afkomstig; wellicht is het zelfs ouder dan het vorige. Dat
het inderdaad onder de oudere stukken van den dichter behoort,
blijkt zoowel uit den geheelen bouw van het stuk en uit het herhaald
gebruik van het rijm en van knuppelverzen, als uit het optreden der
twee dienaren als Clowns, die, waar zij samenkomen, de handeling
van het stuk wel is waar niet verder brengen, en wier scherts ook
niet van de fijnste soort is, maar die toch ontegenzeglijk boeien en
vermaken. Dat niet slechts zij, maar ook andere personen aan de zucht
naar woordspelingen toegeven, kan mede toonen, dat wij in dit stuk een
werk van den jeugdigen dichter hebben te zien. Ook de onvolkomenheden,
die er aan eigen zijn, zouden ons zijn onbedrevenheid aantoonen,
indien zij niet zoodanig en zoovele waren, dat wij zeker kunnen zijn,
slechts een verminkt en door een onbevoegde hand gewijzigd stuk des
dichters voor ons te hebben, waarover men de aanteekeningen nazie. Met
dit al is het stuk een nauwgezette lezing overwaardig, niet alleen om
de dichterlijke schoonheden, die genoeg zouden zijn om aan verscheiden
blijspelen van gewoon allooi een hooge waarde en bekoorlijkheid te
verleenen, maar ook om de overeenstemming van verscheiden gedachten en
beelden met die, welke men in enkele Sonnetten en in "Venus en Adonis"
aantreft, waaruit men vermoeden mag, dat ook deze dichtwerken den
geest des dichters reeds bezighielden. Bovendien is de vergelijking
van dit werk des jeugdigen dichters met een meesterstuk van zijn
rijperen leeftijd, namelijk met "Driekoningenavond of wat gij wilt",
zeer aan te bevelen. Evenals hier Julia, verkleedt zich daar Viola
tot een page, en zij wordt evenzoo door haar heer, dien zij bemint,
als bode naar zijn aangebedene gezonden; ja, wanneer Julia bij Silvia
van zichzelf als derde persoon spreekt en haar eigen leed schildert,
kan men denzelfden gedachtengang opmerken als in het overheerlijk
tooneel, waarin Viola tot hertog Orsino van haar zusters hartzeer
spreekt. Maar welk een verschil tusschen beide tooneelen; hoe wordt
de eerste welgelukte proeve door meesterwerk overtroffen! en welk
een inzicht geeft de vergelijking in de ontwikkeling des dichters!
Het recht vermakelijk stuk "Veel Gemin, geen Gewin", _Love's Labour's
Lost_, ongetwijfeld tot dit zelfde tijdperk van Shakespeare's leven
te rekenen, is blijkbaar eerst geschreven, toen hij vrij wat kennis
van de wereld opgedaan en door veelzijdige oefening een zeer groote
heerschappij over de taal verkregen had. Het drijft op geestige,
humoristische wijze den spot met alles, wat affectatie genoemd
kan worden, met een gezochte wijze van spreken, met het najagen van
allitteraties, met het vertoon van geleerdheid door het telkens bezigen
van Latijnsche gezegden of van mythologische toespelingen, met dwaze,
nietsbeteekenende vertooningen, toen bij voorname kringen zeer in
zwang, zooals van helden der oudheid, die weinig of niets bijzonders
vertellen. In zijn oudere stukken is Shakespeare zelf niet vrij van
verscheiden gebreken, die hij met zijn lachwekkenden spot ten toon
stelt; hij had reeds opgemerkt, welke klippen te vermijden waren,
en hij had erkend, dat eenvoud en natuurlijkheid zijn richtsnoer
moesten zijn. Daarom is het niet waarschijnlijk te achten, dat dit
stuk tot zijn allereerste tooneelwerken behoort; men heeft het onder
andere willen afleiden uit de vele gerijmde versregels, die er in
voorkomen, ongeveer twee derden van het geheele aantal; doch het
bezigen er van vloeide ongezocht uit den aard van het stuk voort,
die ook aanleiding geeft tot het gebruik van allerlei versmaten. Zoo
vindt men er voorbeelden in van de lange zevenvoetige regels, die men
ieder in twee regels van vier en drie voet, om en om, of van acht en
zes lettergrepen, zooals zij in den Midzomernachtdroom III. 1. 125
genoemd worden, kan verdeden; in "Veel Gemin, geen Gewin" bedient
Hector er zich van, als hij zegt:
"Nu kom ik hier op deze kust en land toevall'gerwijs,
En leg mijn spiets hier aan den voet der maagden van Parijs."
In deze maat werden zelfs groote gedichten, ja tooneelstukken
geschreven, zooals "Sir Clyomon en Sir Clamydes" van George Peele. Ook
het oude, vroeger veel gebezigde vers met vier heffingen, waartusschen
een of meer lettergrepen zonder klemtoon zich kunnen bevinden, wordt
aangetroffen; van zulke verzen, _doggerel rhymes_, bedient zich
b.v. op uitstekende wijze Boyet op het eind van het tweede bedrijf,
als hij den verliefden koning beschrijft:
"Zijn doen en gebaren, 't was al naar zijn oogen,
Als burg, waar 't verlangend door uitkeek, getogen,
Zijn hart, als een agaatsteen, besneên met uw beeld,
Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld"; enz.
Sonnetten en andere verzen ontbreken niet, en het gedicht van den
schoolpedant Holofernes op den dood van een hert (IV. 2. 58) is een
vermakelijk staaltje van allittereerende verzen. Reeds de meesterlijke
wijze, waarop Shakespeare al deze versmaten bezigt, verbiedt aan dit
blijspel een zeer vroegen oorsprong toe te kennen. Veeleer moet men er
uit vermoeden, dat het afkomstig is uit den tijd, dat hij gewoon was
zijn gedachten in rijm uit te drukken, zijn "Venus en Adonis" en ook
Sonnetten schreef. Zoo komt het mij waarschijnlijk voor,--laatstgenoemd
gedicht verscheen in 1593 en op dat tijdstip waren ongetwijfeld
ook reeds enkele sonnetten uit zijn pen gevloeid,--dat "Veel Gemin,
geen Gewin" tusschen 1591 en 1593 geschreven is. Doch ongetwijfeld is
dit stuk later herzien en hier en daar niet onbelangrijk gewijzigd;
de sporen eener omwerking zijn duidelijk. Evenzeer is duidelijk,
dat Shakespeare hetzij tijdens de eerste, hetzij tijdens de tweede
bewerking, zich vaak met het dichten van sonnetten bezighield. Uit vele
zijner sonnetten mag men afleiden, dat Shakespeare eenigen, wellicht
geruimen tijd verward is geweest in de strikken eener zwartlokkige
vrouw met fraaie donkere oogen, die meer door vernuft en geest dan
door schoonheid uitblonk, waaromtrent men de aanteekeningen op de
Sonnetten vergelijke. Hoe men ook over deze betrekking moge denken,
zij is waarschijnlijk van grooten invloed geweest op zijn dichterlijke
ontwikkeling. Dat Shakespeare in Londen omgang heeft gehad met
beschaafde en geestige vrouwen is zoowel uit dit stuk, als uit vele
volgende allerduidelijkst, en het heeft ongetwijfeld niet weinig tot de
bevalligheid en volkomenheid zijner werken bijgedragen. Wat dit stuk
in het bijzonder betreft, mag men vermoeden, dat hem bij het teekenen
van Rosaline het beeld zijner zwartoogige schoone voor den geest stond.
De geestigheid van het stuk moet ons den ernst niet doen voorbijzien,
die er in verscholen ligt. Het stelt onbedachtzame, in jeugdigen
overmoed ontworpen plannen, om het leven naar droombeelden, niet naar
de werkelijkheid en overeenkomstig 's menschen natuur, in te richten,
in al hun ijdelheid ten toon. Men kan zeggen, dat Biron hier de altijd
practische denkwijze van Shakespeare zelf uitdrukt. Al de personen,
die in dit blijspel een belangrijke rol vervullen, ontvangen een les
ter verbetering hunner inzichten. De koning en twee zijner eedgenooten
moeten een jaar in ontbering en ernstige bespiegeling doorbrengen
en aldus standvastigheid en ware wijsheid leeren; de spotzieke Biron
moet een jaar onder ongelukkigen verkeeren en zoo het leed der wereld
leeren kennen. Doch de prinses en haar gezellinnen, die, wars van
bespiegelingen, door het leven dartelden, krijgen een harde les: een
rouwhuis zal haar leeren, dat men op 's levens pad niet alleen langs
bloemen treedt, maar ook aan storm en onweer blootgesteld kan zijn;
"gene zijde is _Ver_ de Lente, deze _Hiems_, de Winter", zooals het
aan het einde van het stuk heet.
Het kan zijn, dat nog enkele andere tooneelwerken des dichters in dit
eerste tijdperk zijner werkzaamheid voltooid zijn, doch zekerheid is
hieromtrent niet te verkrijgen; wat men er van vermoedt, zal later
worden aangestipt. Ongetwijfeld echter kan men als waardig slot van dit
tijdperk het historie- of treurspel "Koning Richard III" aanwijzen. Dit
draagt, hoe grootsch het zij, den stempel van de jeugd des dichters,
die zijn krachten nog niet vertrouwt en naar hulpmiddelen zoekt om
indruk te maken. Zoo klagen in het tweede tooneel van het tweede
bedrijf de schoondochter, de kleinkinderen en de grootmoeder met
dezelfde woorden:
"Nooit leed een weduw zulk een zwaar verlies!"
"Nooit leden weezen zulk een zwaar verlies!"
"Nooit leed een moeder zulk een zwaar verlies!"
Zoo worden de drie vrouwen, die reden hebben om over Richard wraak
te roepen, in het derde tooneel van het vierde bedrijf tot een groep
bijeengeschikt, en uiten achtereenvolgens en op bijna gelijke wijze
haar grieven, doch beide keeren zijn de klachten en vervloekingen
zoo treffend, dat zij den toeschouwer ademloos doen luisteren,
hem zoo roeren en medesleepen, als weinige meesterscheppingen
vermogen. Al heeft Shakespeare in zijn latere werken, ook zonder zulke
kunstmiddelen, met de eenvoudige natuurlijkheid van woord en daad, de
snaren der menschlijkheid nog dieper en weemoediger doen trillen, reeds
hier toonde hij, dat hij het gemoed beheerschte, dat hij verdiende,
als een grootmeester der dramatische dichtkunst erkend te worden.
Wie de reeks van werken, die hier beknopt vermeld zijn, nagaat en
overziet, moet verbaasd staan over de werkzaamheid des dichters. Toch
is dit alles slechts een gedeelte van wat hij voortbracht. Dat eenige
of vele zijner sonnetten uit dezen tijd dagteekenen, is boven reeds
opgemerkt; maar ook de "Venus en Adonis", in 1593 door hem uitgegeven,
was een vrucht dezer jaren en werd een jaar later door de "Lucretia"
gevolgd. Beide gedichten zijn aan den graaf van Southampton opgedragen;
de eerste opdracht is zeer bedeesd, de tweede, hoe nederig ook gesteld,
ademt reeds meer vertrouwen, zoodat wel niet te betwijfelen valt,
dat hij zich in de gunst van den graaf verheugen mocht. Of diens
welwillendheid zich ook in rijke geschenken uitte, is niet met
zekerheid te zeggen; wel is er een overlevering, dat de graaf hem eens
duizend pond sterling zou geschonken hebben, doch op welke gronden zij
steunt, is onbekend,--en reeds de aanzienlijke grootte der som, vijf-
of zesmaal grooter naar de tegenwoordige waarde van het geld berekend,
moet aan de juistheid doen twijfelen. Onbetwijfelbaar echter is het,
dat de uitgave dezer twee gedichten,--zijn sonnetten waren niet
uitgegeven en alleen door afschriften aan zijn bijzondere vrienden
bekend,--Shakespeare's roem als dichter vestigde. Tooneelwerken
achtte men toen ter tijd te uitsluitend voor de vertooning bestemd
en zij waren te weinig als letterkundige voortbrengselen in tel,
dan dat zij hem dien grooten naam verschaft hebben. Voor de juiste
waardeering dezer gedichten en ook voor de beantwoording der vraag,
wat de sonnetten ons van Shakespeare's leven en neigingen kunnen
leeren, deelen de aanteekeningen op deze dichtwerken het noodige mede,
zoodat de belangstellende lezer daarheen mag worden verwezen.
Dat Shakespeare ook als tooneelschrijver reeds in 1592 grooten naam
verworven had en bij zijn tooneelgezelschap een man van beteekenis
geworden was, blijkt ten duidelijkste uit de woorden, waarmede de in
ellende stervende dichter Robert Greene lucht geeft aan zijn wrok over
den opkomeling, die hem en zijn vrienden verdrong en zich verbeeldde de
eenige tooneelschokker, _Shake-scene_, in den lande te zijn. Bedoeld
geschrift, waarover in de aanteekeningen op I Kon. Hendrik VI meer
is medegedeeld, werd na Greene's dood door Henry Chettle, mede als
tooneelschrijver bekend (zie blz. 29), uitgegeven. De uitval was
zoo bitter en onverdiend, dat Chettle zich gedrongen zag, nog in
hetzelfde jaar een klein geschrift, _Kindhart's dream_, uit te geven,
waarin hij betreurde dit gezegde niet onderdrukt te hebben, "omdat
ik", zegt hij, "sedert dien tijd zijn gedrag als evenzoo beschaafd
en wellevend heb leeren kennen, als hij in zijn beroep voortreffelijk
is. Bovendien hebben verscheiden eerzame mannen mij bericht gegeven van
de oprechtheid van zijn handel, die van zijn rechtschapenheid getuigt,
en van zijn bevalligheid in het schrijven, die zijn kunstvaardigheid
bewijst". De getuigenissen omtrent Shakespeare's handel en wandel zijn
schraal genoeg, om deze uiting op prijs te stellen. Wanneer Chettle met
Sh.'s beroep zijn tooneelspelen bedoelt, wat niet onwaarschijnlijk is,
daar hij van het schrijven nog afzonderlijk gewaagt, dan hebben wij
hier tevens een gunstig getuigenis omtrent hem in dit opzicht. Hoe diep
hij doordrongen was in de ware beginselen der tooneelspeelkunst, weten
wij uit de lessen, die hij hierover in zijn Hamlet gaf, doch hoe hij
deze beginselen in praktijk bracht, is onbekend. Men mag vermoeden,
dat hij de daad bij de leer voegde, doch meer dan een vermoeden is
dit niet; zijn eerste levensbeschrijver, Rowe (1709), kon, met de
vlijtigste nasporingen, niets anders te weten komen, dan dat hij
voor den geest van Hamlet's vader gespeeld zou hebben, een kleine,
maar belangrijke en moeilijke rol. Een andere overlevering zegt,
dat hij in "Elk wat wils", _As you like it_, de eveneens kleine,
maar indrukwekkende rol van den ouden knecht, van Adam, vervuld
zou hebben. Te verwonderen zou het niet zijn, als hij, die zooveel
tooneelwerken schreef, en misschien ook wel de repetities te leiden
had, bij voorkeur kleine, maar veelbeteekenende rollen speelde. Toch
is hij waarschijnlijk in de historiestukken als koning opgetreden; in
een boek van Davies, "Geesel der Dwaasheid", dat in 1611 verscheen,
leest men namelijk in een vers, "Aan onzen Engelschen Terentius,
Mr. William Shakespeare" getiteld, dat, ware het zijn beroep niet
geweest bij wijze van spel koningen voor te stellen, hij een waardig
metgezel voor een koning zou geweest zijn. Als men nu hierbij voegt,
dat hij in 1603 in een stuk van Ben Jonson, namelijk in "Sejanus", is
opgetreden, dan is hier alles samengevat, wat wij van zijn loopbaan
als tooneelspeler weten. Maar moge zijn spel, als van alle, ook van
de grootste tooneelspelers, voor het nakroost verloren gegaan zijn,
zijn ervaring en zijn diep inzicht in de eischen der kunst hebben een
grooten en beslissenden invloed gehad op zijn scheppingen en er zoozeer
den stempel der volkomenheid op gedrukt, dat zij, hoe ook de inrichting
van het tooneel zij veranderd, slechts eenige wijzigingen behoeven, om
ook thans nog voor opvoering geschikt te zijn, en dat haar vertolking
zelfs de schoonste en dankbaarste taak is voor de tooneelkunstenaars
en tevens de beste toetssteen voor hun voortreffelijkheid.