Voor het juist begrijpen van den bouw van Shakespeare's tooneelwerken
is het noodig, bekend te zijn met de inrichting van het tooneel
zijner dagen, waarbij dan tevens, voor zoover wij ons hiervan een
denkbeeld kunnen vormen, met een woord gesproken moet worden van de
tooneelspeelkunst van zijn tijd.
Bij Shakespeare's optreden bestonden de schouwburgen nog slechts
zeer kort. Vóór dien tijd werd er gespeeld in ruime zalen, van het
koninklijk paleis, van de kasteelen der edellieden, van de raad-
of gildehuizen der steden, van de gerechtsscholen, van herbergen,
of wel op open plaatsen, door gedeelten dezer gebouwen omgeven. De
eerste eigenlijke schouwburg werd, zooals reeds vroeger gezegd is,
in 1575 geopend. Toen namelijk in het jaar 1574 de tooneelspelers,
die zich "Dienaars van den Lord Kamerheer", dus van den Graaf van
Leicester, mochten noemen en onder het bestuur stonden van den
bekwamen James Burbage, een patent erlangden, dat hen machtigde om
in stad en koninkrijk tot vermaak der koningin en ter verlustiging
harer beminnende onderdanen te spelen, poogde wel het bestuur der City
van Londen, dat tegen de tooneelvoorstellingen, die als bronnen van
onrust, geldverspilling en onzedelijkheid beschouwd werden, gekant
was, de voorstellingen nagenoeg onmogelijk te maken door de bepaling,
dat de helft der ruwe ontvangst ten bate der armen moest opgebracht
worden, doch bescherming van hooger hand stond den tooneelspelers
toe van het ontruimde klooster der Dominicanen of Zwarte Broeders,
_blackfriars_, even buiten de muren en dus buiten het gebied der city
gelegen, gebruik te maken en dit tot een schouwburg in te richten. De
ligging was zoo goed als men wenschen kon, niet verre van de als
waterstraat veelvuldig gebruikte Theems, nabij de Londener brug en aan
den veelbezochten weg naar Westminster. In hetzelfde jaar ontstonden
nog een paar andere schouwburgen; omstreeks 1600 waren er reeds elf, en
onder koning Jacobus I steeg het aantal tot zeventien, tot zeer groote
ergernis der puriteinen. Onder dit aantal was een tweede schouwburg
van Burbage's gezelschap, de Globus, grooter dan Blackfriars, doch
van boven open, zoodat de Globus alleen des zomers, Blackfriars
waarschijnlijk alleen 's winters gebezigd werd. In deze twee, nabij
elkander gelegen schouwburgen werden Shakespeare's meesterstukken ten
tooneele gebracht, want de groote dichter behoorde evenals de zoon
van den eersten bestuurder, Richard Burbage, de grootste en beroemdste
tooneelspeler van zijn tijd, tot het gezelschap van den Lord Kamerheer.
De inrichting der schouwburgen was zeer eenvoudig en zoo geheel gelijk
aan de wijze, waarop de pleinen van herbergen voor tooneelvertooningen
dienstbaar werden gemaakt, dat men deze laatste inderdaad de eerste
schouwburgen kan noemen. Men denke zich zulk een plein of plaats,
van langwerpig vierhoekige gedaante, rondom of aan drie zijden door
gebouwen omgeven, langs welker muren, galerijen waren, waarop de
kamers uitkwamen; men denke verder deze galerijen van een dak voorzien,
maar naar de plaats toe open en dus op deze uitziende. Werd nu aan het
eene einde van den rechthoek, langs de smalle zijde, wat hooger dan de
begane grond, een vierhoekige vloer van planken gelegd, door een lage
leuning omgeven, en hierop samengebracht wat ter vertooning van een
stuk noodig was, dan bood het overige gedeelte van het binnenplein
geschikte gelegenheid aan, om staande of zittende het schouwspel
gade te slaan, en konden meer aanzienlijke bezoekers op de overdekte
galerijen plaats nemen. Geheel op dezelfde wijze waren de openbare
schouwburgen ingericht [18]. De Globus b.v. was een houten gebouw,
van buiten zes- of achthoekig, inwendig rond of langwerpig rond
van gedaante, zoodat Shakespeare in den Proloog voor het eerste
bedrijf van zijn Koning Hendrik V de ruimte van den schouwburg
met een O vergelijkt. Binnen dezen kring, aan het smaller gedeelte
van het langrond, was een huisje gebouwd, dat aan de buitenzijde
een afzonderlijken ingang had en met twee deuren, rechts en links,
op het tooneel uitkwam. Dit laatste was een eenvoudig planketsel,
dat een eind weg in de zaal uitstak, een weinig, zeker niet meer dan
twee of drie voet, boven den beganen grond verheven, misschien door
een lage ijzeren leuning van de toeschouwers op den platten grond,
die niet zelden door het woord _groundlings_ worden aangewezen,
afgescheiden. Langs den wand waren galerijen aangebracht, zelfs twee
of drie boven elkander, waar de meer betalende toeschouwers gezeten
waren, doch in de binnenruimte beneden, die niet zelden, evenals
de binnenplaats eener herberg, met den naam _yard_ werd aangeduid,
moesten de kijklustige bezoekers staan; alleen waren er misschien
vlak bij het tooneel een paar rijen banken.
Het zooeven vermelde huisje diende als kleed- en wachtkamer voor de
spelers en ter berging van de benoodigdheden, die bij de vertooningen
dienst moesten doen. Het had een bovenverdieping, welke boven den
zijwand van den schouwburg uitkwam, zoodat een daarop geplante vlag,
die het teeken gaf, dat er een vertooning aanstaande was, wijd en
zijd gezien kon worden. Evenals dit huisje was ook het tooneel of
ten minste de achterhelft er van, van een dak voorzien; hetzelfde
was met de galerijen het geval; het overige van de binnenruimte des
schouwburgs had alleen den open hemel tot bedekking.
Het tooneel eischt een afzonderlijke beschrijving, doch het is niet
gemakkelijk deze te geven, daar uitvoerige afbeeldingen van het
inwendige eens schouwburgs uit dezen tijd ontbreken. Tot voor korten
tijd kende men er slechts een ruwe schets van, die wel is waar uit
het jaar 1662 dagteekent en den schouwburg _Rad Bull_ voorstelt,
doch blijkbaar zeer wel een denkbeeld kan geven van de eenvoudige
inrichting in Shakespeare's tijd. Naar aanleiding van deze teekening en
enkele andere gegevens kan hier het volgende worden medegedeeld. Van
de galerij, die langs den binnenwand van het geheele gebouw en ook
langs de achterzijde van het tooneel op eenige hoogte was aangebracht,
sprong aldaar in het midden een ruim balkon vooruit, als het ware
een loge, die als een bovenverdieping van het tooneel mocht gelden
en als zoodanig gebezigd werd. Van den rand van dit balkon hingen,
zoo vaak dit noodig gerekend werd, aan de drie zijden gordijnen af,
van welke die aan de voorzijde in het midden te openen en weg te
schuiven waren. Zoo vormde dan de ruimte onder het balkon een kleiner
tooneel op den achtergrond; van de loge op het balkon, die mede door
gordijnen bedekt kon worden, voerde aan weerszijden een trap, eveneens
door gordijnen aan het oog te onttrekken, naar het groote tooneel. Het
tooneel bestond dus eigenlijk uit drie, nauw met elkander verbonden
deelen, het voor-, het achter- en het boventooneel. De galerij aan
weerszijden van het balkon was meestal, ten minste gedeeltelijk,
voor het orkest bestemd, doch kon ook voor het spel der vertooners
gebezigd worden; in andere gevallen namen er toeschouwers plaats. Van
deze inrichting kon in de verschillende stukken uitmuntend partij
getrokken worden, zoodat de handeling voor het publiek, niet door
decoraties verwend en dus gewoon door zijn verbeelding het ontbrekende
aan te vullen, volkomen duidelijk werd. Zoo kon het kleine tooneel op
den achtergrond de kamer zijn, waar Desdemona vermoord wordt, waar
Hendrik IV sterft, waar Imogeen slaapt, waar Julia den slaapdrank
neemt, en ook het grafgewelf der Capulets, waarin zij ter ruste
wordt gelegd. Het kon ook dienen voor de zitting van den senaat,
waar Cæsar vermoord wordt, terwijl het eigenlijke tooneel voor den
volksoploop beschikbaar bleef. De beknopte speelaanwijzingen, die
men hier en daar in de folio-uitgave van Shakespeare's werken vindt,
zijn volkomen duidelijk, als men met deze inrichting van het tooneel
bekend is, zooals in 2 Koning Hendrik VI (III. 2. 62), waarin Warwick
den koning uitnoodigt in het vertrek van Hertog Gloster te treden;
"Warwick trekt het voorhangsel weg en men ziet Hertog Humphrey in
zijn bed;" of in Koning Hendrik VIII, waar men leest (II. 2. 62):
"De koning trekt het voorhangsel weg en zit nadenkend te lezen."
Eveneens kan het balkon boven het achtertooneel op allerlei wijze
gebezigd worden. In den Othello kon het eerst het balkon zijn van
Brabantio's huis en later de citadel van Cyprus; in Koning Jan kon het,
te zamen met de aangrenzende deelen der galerij, de muren voorstellen
van Angers, van waar de burgers der stad met de aanrukkende koningen
spreken, en later den toren, waar de jonge Arthur zich van nederstort;
evenzoo in andere historiestukken de wallen en muren eener vesting;
in Romeo en Julia het balkon van Julia's kamer; in Antonius en
Cleopatra den toren, waarin Cleopatra zich heeft opgesloten en waar
zij den stervenden Antonius ophijscht; in Koning Richard III het
balkon, waar de koning, tusschen twee bisschoppen gezeten, vroomheid
huichelt. In laatstgenoemd stuk kon het ook uitstekend gebezigd
worden in het tooneel, waar de geesten van Richards slachtoffers
verschijnen. Het vooruitspringend achtertooneel liet aan weerskanten
een ruimte vrij: aan de eene zijde lag Richard, aan de andere Richmond
in zijn legertent te slapen, beiden zichtbaar voor het publiek,
voor elkander onzichtbaar; de geesten der vermoorden verschenen op
het balkon en konden zich dus achtereenvolgens tot beiden wenden,
tot het dichtschuiven der gordijn hen aan aller oogen onttrok.
Dat alle schouwburgen geheel op dezelfde wijze waren ingericht, is
natuurlijk niet te verwachten, en het kan dus niet verwonderen, dat
een in den laatsten tijd gevonden ruwe penteekening, die omstreeks 1596
moet vervaardigd zijn en het inwendige van een Londenschen schouwburg
voorstelt, eenigszins afwijkt van de bovengegeven schets. Het tooneel
is ook daar een vierkant plaketsel, op zware boomstronken rustend;
op den achtergrond ziet men het huis der tooneelspelers met zijn twee
uitgangen naar het tooneel; daarboven ziet men een met toeschouwers
gevulde galerij, die over den geheelen omtrek van het huis doorloopt;
hierover strekt zich een afdak uit, dat ook het achterste deel,
ongeveer een derde, van het tooneel overdekt en van voren op een paar
pilaren rust, die aan weerszijden op het tooneel niet verre van den
rand geplaatst zijn. Het balkon ontbreekt hier dus; maar het tooneel
was toch in een voor- en een achtertooneel verdeeld, die misschien, als
het vereischt werd, door gordijnen van elkander werden afgescheiden; de
galerij op den achtergrond kon voor boventooneel dienen, of misschien
werd er, zoo noodig, op den achtergrond een houten toren getimmerd
of iets dergelijks. De schouwburg, "de Zwaan", of _The Theatre of
the Cyn_ (d. i. _Cygnet_, "Zwaan") wordt als de grootste van Londen,
met omtrent 3000 zitplaatsen beschreven [19].
Van eigenlijke decoraties was in die dagen nog geen sprake. Uit de
woorden van het stuk kon den aandachtigen toeschouwer vaak blijken,
hoe en waar men zich het tooneel te denken had, maar er werden toch
meestal ook andere middelen gebezigd om der verbeeldingskracht te hulp
te komen. Wie een paar standaards ten tooneele zag brengen, begreep
terstond, dat hij zich een legerkamp of een slagveld moest voorstellen;
werd er een tafel met een paar kroezen nedergezet, dan verbeeldde het
tooneel natuurlijk een taveerne; een paar groene struiken verplaatste
in een bosch of tuin; en bij het zien van een troon behoefde men
niet te twijfelen, of men een zaal van een koninklijk paleis voor
zich zag. Als er een proloog werd uitgesproken, zooals in Pericles,
hoorde men vaak mededeelen, waar het stuk speelde, maar men werd
hiervan ook dikwijls onderricht door een plank of bordje, dat met
groote letters den naam van de stad of het land, waarheen men zich
verplaatsen moest, te lezen gaf; zulk een bordje werd dan b. v. aan
het balkon, goed voor allen zichtbaar, opgehangen. Zoo zegt in Kyd's
_Spaansche Tragedie_ Hieronymo: "Hang op het bordje: Ons tooneel is
Rhodus." Men was volkomen tevreden met zulke aanwijzingen; als men
vernam, dat het stormde, hagelde of sneeuwde, verlangde men niet,
dat liet stormgeloei of het gekletter der hagelsteenen zich bij de
woorden des spelers telkens deed hooren, of dat witte vlokken over het
tooneel stoven; werd er een veldslag geleverd, dan behoefde er geen
slagveld gebouwd te worden met hoogten en laagten, waarop eenige meer
of minder geoefende, of geheel ongeoefende, krijgers heen en weder
sprongen, die elkander af en toe klinkende zwaardslagen toebrachten,
maar, zooals Shakespeare in zijn "Koning Hendrik V" (Proloog voor het
vierde Bedrijf) zegt, vier of vijf gewapenden traden op,--om aan te
duiden, dat er een gevecht geleverd werd, geenszins om een meer of
min gelukte, of belachelijk mislukte, nabootsing van een ernstigen
strijd te beproeven. Wel waren er enkelen, die den draak staken met
de zware eischen, welke aan de verbeeldingskracht der toeschouwers
gesteld werden, zooals b. v. Philip Sidney, die misschien in het
buitenland luisterrijker tooneelvoorstellingen had leeren kennen en
in zijn _Apology of Poetry_ vraagt: "Welk kind, dat een schouwspel
bijwoont en op een oude deur met groote letters _Thebe_ geschreven
ziet, zal daarom gelooven, dat dit Thebe is?" Wel vindt men, dat
reeds in 1605 bij een tooneelvoorstelling aan het Engelsche hof van
enkele decoraties gebruik werd gemaakt, maar over het algemeen was
men met de eenvoudige aanduidingen tevreden, en het was eerst in de
tweede helft der zeventiende eeuw, dat de decoraties in zwang kwamen,
en wel door den tooneelspeler Davenant, die ze dadelijk overdreven
aanwendde en er dus misbruik van maakte. Van één soort van decoraties,
ten tijde van Shakespeare in gebruik, moet nog gewag worden gemaakt,
het tooneel werd namelijk met wandtapijten gedrapeerd, en hiervan wordt
in de stukken soms gebruik gemaakt: Hamlet doorsteekt Polonius, die er
zich achter verborgen heeft (Hamlet, III. 4. 24), en Falstaff schuilt
er achter weg ("1 K. Hendrik IV", II. 4. 549), om aan de nasporingen
van het gerecht te ontgaan. Naar den aard der stukken was de kleur der
wandtapijten verschillend; in den proloog eener tragedie van het jaar
1599, waarin drie personen, de Tragedie, de Komedie en de Historie
(het historiespel) optreden, zegt de laatste tot de Komedie:
"Maar zie,--ik merk het nu pas,--het tooneel
Is zwart behangen, en 't publiek verwacht
Daarom, naar ik vermoed, gewis een treurspel."
Ook andere getuigenissen zijn er, dat het tooneel bij het geven van
een treurspel met zwart bekleed was; voor een historie- of blijspel
zullen ongetwijfeld lichtere kleuren gekozen zijn.
Vóór het begin van het spel was het tooneel door gordijnen, die
weggeschoven werden, aan het oog der toeschouwers onttrokken; was het
spel begonnen, dan werd er in eens doorgespeeld, zonder noemenswaardige
tusschenpoozen aan het eind van een bedrijf; de tooneelen volgden
onmiddellijk op elkander, daar de veranderingen slechts aangeduid,
niet uitgevoerd werden. Zoo was het dan mogelijk, dat een stuk
van gemiddelde lengte in omtrent twee uren ten einde liep, zooals
b. v. uit enkele gezegden van Shakespeare blijkt (in den Proloog van
"Romeo en Julia", en van "Koning Hendrik de Achtste"); eenige stukken
duurden echter ongetwijfeld veel langer, zooals Hamlet, Richard III,
Koning Lear, en werden daarom, zooals in de aanteekeningen op genoemde
stukken uiteengezet is, door de tooneelspelers bekort; niet altijd
werden deze kappingen,--dit is mede gebleken,--met oordeel aangebracht.
Uit de eenvoudige inrichting van het tooneel moet men niet afleiden,
dat de vertooningen van alle pracht en praal verstoken waren. Allerlei
hulpmiddelen werden bij de vertooning gebezigd; zoo waren er torens,
boomen, wolken, tafels en andere voorwerpen; zoo had men inrichtingen
om goden, engelen of helden uit den hemel te doen nederdalen, om
geesten of duivels in de diepte te doen verzinken; veel gewicht
ondertusschen werd aan zulke bijzonderheden niet gehecht, want
men vindt bij een gedrukt stuk aangeteekend, dat, als er te veel
toeschouwers op het tooneel hadden plaats genomen en de vertooning
belemmerden, de eene of andere machinerie niet gebruikt, het een of
ander voorwerp niet op het tooneel gebracht behoefde te worden. Want
te dien tijde waren de duurste en meest gezochte plaatsen op het
tooneel zelf; daar namen b.v. jonge edellieden, die den schouwburg
geregeld bezochten, hun zetels in of vlijden zich neder, hielden in hun
kleine zakboekjes aanteekening van opmerkelijke of puntige gezegden,
die zij zelf misschien ook te pas konden brengen, en onderhielden
zich ook wel met de spelers of met den schrijver van het stuk. Ook
dit kan ten bewijze strekken, dat het voortbrengen van een illusie
der werkelijkheid noch door de spelers beoogd, noch door het publiek
verlangd werd.
Uit overgebleven inventarissen van schouwburgen en uit aanteekeningen
van leveranciers blijkt, dat er groote zorg voor costumes werd gedragen
en dat deze vaak zeer kostbaar waren. Men moet echter hierom niet
meenen, dat er naar historische getrouwheid gestreefd werd; veeleer
moest ongetwijfeld dezelfde vorstenmantel voor koningen van zeer
verschillenden tijd dienst doen; het werd voldoende geacht, als het
gewaad den rang van den speler duidelijk deed uitkomen en koningen
en andere vorstelijke personen door hun prachtige kleederdracht het
oog verlustigden.
Nog moet hier vermeld worden, dat de vrouwenrollen steeds door knapen
en aankomende jongelingen vervuld werden, die van oudere ervaren
tooneelspelers onderwijs ontvingen en aldus voor hun taak opgeleid
werden. Ongetwijfeld had dit den gunstigsten invloed op hun latere
ontwikkeling. Niet alleen leerden zij, door het ontvangen onderwijs,
hoe zij als tooneelspelers een deel uitmaakten van een geheel en
tot het slagen van de voorstelling moesten medewerken en niet zelf
op den voorgrond treden, maar bovendien moest hun door den aard
hunner meeste rollen een matiging, ingetogenheid, zachtheid eigen
worden, die ook aan hun latere mannenrollen ten beste kwam. Want
wat werd van deze jongelingen gevorderd! Een Portia, als die in den
Koopman van Venetië een hoofdrol speelt, een andere Portia, Brutus'
echtgenoote, een Cordelia, een Desdemona, een Isabella, een Julia
als Romeo's geliefde, een Rosalinde, een Imogeen voor te stellen,
of als koningin Margaretha het huis van York te vervloeken, als Lady
Macbeth de bondgenoote en aanvuurster te zijn van haar euveldadigen
man en later, van wroeging verteerd, rond te waren! Welke knapen en
jongelingen moeten het geweest zijn, die dit naar eisch volbrachten,
en hoe moeten deze studiën op hun volgende ontwikkeling een heilzamen
en machtigen invloed gehad hebben! En naar allen schijn voldeden zij
aan de eischen, die hun taak hun stelde; niet alleen zou Shakespeare,
zelf tooneelspeler, en wel wetend voor welk een tooneelgezelschap
hij schreef, zich anders wel gewacht hebben hun zulk een taak op de
schouders te leggen en zoo moeilijke vrouwenrollen te schrijven,
maar wij hebben ook uitdrukkelijke getuigenissen in hun voordeel,
b. v. dat van een Engelschen reiziger uit dien tijd, die in Venetië,
waar, zooals bekend is, voortreffelijk gespeeld werd, vrouwen in
vrouwenrollen zag optreden, en verwonderd was, dat zij inderdaad even
goed speelden als haar vertegenwoordigers in zijn vaderland. Voor de
ontwikkeling dezer tooneelspelers was het vervullen dezer vrouwenrollen
ook in dit opzicht van belang, dat zij wisten alleen door hun goed spel
en niet door hun bekoorlijkheden de toeschouwers te kunnen boeien;
zoo thans een bevallige Ophelia als waanzinnige luide toegejuicht
wordt, kan de wijze, waarop zij zich in haar verleidelijk loshangend
gewaad, dat haar schoonheid nauwelijks omhult en geenszins verbergt,
aan de verrukte toeschouwers voordoet, hiertoe niet weinig bijdragen,
maar werd de knaap als Ophelia toegejuicht, dan gold het handgeklap
zeker zijn uitmuntend spel, en zoo kon hij leeren, ook later veeleer
door degelijke kunst dan door kleine kunstgrepen naar de gunst van
het publiek te streven.
De kennis van de tooneeltoestanden in Shakespeare's tijd heeft
men volstrekt noodig om zich rekenschap te geven zoowel van den
bouw zijner tooneelwerken met hun veelvuldige veranderingen in de
plaats der handeling, als van de wijze, waarop zij werden gespeeld,
en van den indruk, dien zij op de toeschouwers maakten. Het publiek,
niet verwend door zinbegoochelende schouwspelen, was gewoon door
zijn verbeeldingskracht aan te vullen en uit te werken, wat de
tooneelschrijver slechts even had aangeduid en gaf zich over aan
de betoovering, die de dichter en speler door woord en spel op het
gemoed uitoefenden. Tegenwoordig zou op ons, die aan praalvertooningen
gewoon zijn, zulk een voorstelling zeker een vreemden indruk maken,
maar wij kunnen toch begrijpen, dat een zoo eenvoudige opvoering diep
treffen kon. Wij hebben ons slechts voor den geest te halen, hoe de
lezing van een voortreffelijk tooneelstuk door eenige personen, die
de kunst van lezen goed verstaan en de rollen onder elkander verdeeld
hebben, een diepen indruk maakt, een onverdeeld genot kan schenken,
waarbij de verbeelding onwillekeurig niet alleen de localiteiten, maar
ook de handelingen en het geheele spel voor den geest toovert. En nu
bedenke men, dat het Engelsche schouwburgpubliek geen denkbeeld had
van een andere tooneelinrichting; het luisterde naar den inhoud en was
in staat, de grootsche meesterwerken van Shakespeare te volgen en te
bewonderen. Doch men moet hier toch niet uit besluiten, dat de zucht
naar ruwer genietingen niet bestond; er werden ook tooneelwerken van
minder allooi vertoond, en zelfs lang nadat Shakespeare's grootsche
gewrochten de toeschouwers hadden verrukt, werd zijn eersteling, Titus
Andronicus, alsmede Kyd's Spaansche tragedie, nog luide toegejuicht.
Deze beschouwing zou onvolledig zijn, indien hier ook niet
de tooneelspeelkunst van Shakespeare's tijd in het oog werd
gevat. Uit het gezegde over het vervullen van vrouwenrollen door
aankomende jongelingen kan men afleiden, dat men over de wijze,
waarop gespeeld werd, niet gering moet denken. Toch moet erkend
worden, dat deze gunstige toestand vooral door Shakespeare en den
grooten tooneelspeler Burbage in het leven geroepen is. Wanneer men
de stukken van Marlowe en Kyd leest, komt men tot de overtuiging,
dat zij den lust tot een bulderende, onnatuurlijke voordracht in
de hand moesten werken. Ongetwijfeld was een wijze van spreken, die
door Shakespeare in zijn Hamlet (derde bedrijf, eerste tooneel) met
snijdende striemen gegeeseld wordt, als hij van het overdrijven van
Termagant en het overherodessen van Herodes spreekt, nog al te zeer in
zwang ten tijde, dat hij naar Londen kwam; in de mysteriespelen moest
Herodes bulderen en de duivel brullen, en deze gewoonte was toen op
verre na niet afgelegd. Shakespeare kan ook nog den gevierden komiek
of clown van dien tijd, Tarlton, gezien hebben, want deze stierf in
1588. Van lagen stand afkomstig, werd hij door zijn talent de meest
bewonderde nar of clown van zijn tijd, zoowel op het tooneel als aan
het hof; hij was klein, leelijk, platneuzig en min of meer loensch;
doch zijn manieren waren zoo grappig, dat hij zijn neus maar op het
tooneel behoefde te steken om de toeschouwers te doen lachen; hij
misbruikte zijn talent, zoodat men van echte kunst niet bij hem kan
spreken; zijn scherts was ongetwijfeld grof en werd vaak op ongepasten
tijd geuit. Hij was niet alleen dan, wanneer zijn rol het eischte,
op het tooneel, maar bleef er meestal gedurende een groot deel van het
stuk en ontzag zich niet, ook daar zijn invallen en grappen ten beste
te geven, waar zij storend op den gang van het stuk werkten; hij trad
zelfs met het publiek in woordenwisseling, waarbij zijn gevatheid hem
luide toejuichingen ten deel deed vallen. Na zijn dood werd William
Kempe, ook Kemp of Kempt geheeten, de beroemdste komiek van zijn tijd,
en stond evenals Tarlton zoowel bij het schouwburgpubliek als bij
het hof hoog aangeschreven. Hij speelde voor Brummel (_Dogberry_) in
Shakespeare's "Veel leven om niets", voor Peter in "Romeo en Julia",
en vervulde waarschijnlijk ook de rol van Lancelot Gobbo in "De Koopman
van Venetië", en dergelijke meer. Maar ook hij had de hebbelijkheid van
Tarlton, van meer te zeggen dan in zijn rol stond, en zich ook daar,
waar het niet te pas kwam, in het spel te mengen; het is misschien
aan terechtwijzingen hierover te wijten, dat hij een paar keer het
gezelschap van Richard Burbage, waartoe hij, evenals Shakespeare,
behoorde, verlaten heeft; wellicht had Shakespeare vooral hem op het
oog, toen hij, in den Hamlet, de narren gispte, die meer zeiden,
dan in hun rol stond en hiermede de toejuichingen van het publiek
wilden inoogsten. Want zooveel is wel zeker, dat bij het gezelschap,
onder de leiding van Burbage, waarvan Shakespeare een deel uitmaakte,
zoodanige handelwijze niet geduld kon worden. De gulden lessen, de
eeuwige wetten der tooneelspeelkunst, die Shakespeare aan Hamlet in
den mond legt ter bevordering van natuurlijkheid en gematigdheid in
woord en gebaar, bewijzen, welke verkeerde manieren bij vele spelers
heerschten, maar tevens, dat deze bij Shakespeare's tooneelgezelschap
vrij wel waren afgelegd. Over de voortreffelijkheid van het spel van
den leider van het gezelschap, den grooten Richard Burbage, zijn alle
getuigenissen eenstemmig; hij vervulde in alle stukken van Shakespeare
de ernstige hoofdrollen en ongetwijfeld was het voor den dichter een
krachtige aansporing en bemoediging bij zijn arbeid, dat hij zeker was,
juist begrepen en uitmuntend vertolkt te zullen worden [20].
Enkele korte mededeelingen over de tooneelvoorstellingen dier dagen
mogen hier nog een plaats vinden. Zij begonnen te drie uren in den
namiddag, dus na den tijd van het middagmaal, dat toen gewoonlijk
te 12 of 1 uur genuttigd werd; eerst te twee uren te eten was toen
zeer voornaam. Er werd dagelijks, ook des Zondags, gespeeld. De naam
van het stuk, met de bijvoeging of het een droevige tragedie, een
vermakelijke comedie, of een ware historie was, kon men bij den ingang
van het gebouw lezen; de rolverdeeling of de namen der spelers werden
niet opgegeven. De toegangsprijs bedroeg bij mindere schouwburgen voor
de benedenplaatsen slechts een of twee stuivers, maar bij den Globus-
en den Blackfriars-schouwburg zes stuivers, voor de galerijen en voor
de plaatsen op het tooneel een shilling, zooals in den proloog van
"Koning Hendrik de Achtste" vermeld wordt, prijzen dus, die, naar de
toenmalige geldswaarde gerekend, niet gering te noemen zijn, daar men
ze ter beoordeeling naar de tegenwoordige verzesvoudigen moet. Bij
een eerste opvoering werden de prijzen ook wel verdubbeld. Naar de
plaatsen op het tooneel begaf men zich niet door den algemeenen ingang,
maar door het gebouw der tooneelspelers.--Wij onderstellen, dat wij
de vlag op het gebouw van den Globus hebben zien wapperen en daar
een vertooning gaan bijwonen. Wij zorgen bijtijds aanwezig te zijn,
vóór de groote heeren, die eerst op het uiterst oogenblik komen;
wij worden een goede plaats op de galerij machtig. De schouwburg
is op alle rangen goed bezet. Op den platten grond, dus in het
parterre, _the yard_, is er gewoel en gedrang, men ziet er matrozen,
handwerkslieden, voerlieden, zakkendragers, kortom allerlei bedrijven,
alleen de politie ziet men niet. Mocht een beurzensnijder zich onder
het gezelschap mengen en betrapt worden, dan doen de toeschouwers
zelf recht en binden hem aan een paal, in een hoek naast het tooneel
voor dit doel geplaatst, en laten hem gedurende de voorstelling te
pronk staan. Bij al het gewoel gaat het er toch vrij ordelijk toe;
de "grondelingen" doen zich al wachtende te goed aan de appelen en
noten, die zij medegebracht hebben, en hier en daar wordt een flesch
bier ontkurkt. Op de galerijen ziet men een groote verscheidenheid
van standen: officieren, tooneeldichters en andere letterkundigen,
kooplieden en winkeliers, velen met vrouw en dochters, ook andere
eerzame burgervrouwen, bijna allen met zijden of fluweelen maskers;
hier en daar ziet men ook een dametje zonder masker, vermoedelijk
van de lichtere soort; ook eenige snelschrijvers vallen op te merken,
die hun best zullen doen om onder deze vertooning het stuk op papier
te brengen; het ontbrekende wordt bij een volgende aangevuld of het
wordt uit het geheugen bijgewerkt en daarna wordt het buitgemaakte
stuk aan den een of anderen boekhandelaar verkocht.
Het begin der voorstelling is nabij; het orkest, dat op de galerij ter
zijde van het boventooneel, gezeten is, doet zich hooren. Het is zeer
voltallig en bestaat hier in den Globus uit tien muzikanten, ieder
op zijn instrument uitmuntend: luitspelers, violisten, hoboblazers,
trompetters, paukslagers; in de andere schouwburgen is het meestal
slechts acht man sterk.
Langzamerhand wordt het ook levendig op het tooneel, men hoort er
gestommel en gepraat; het zijn niet de tooneelspelers, maar de voorname
toeschouwers, die zich aan weerszijden op het tooneel nederzetten,
en onder de voorstelling hun aandacht verdeelen tusschen het spel en
het publiek, dat door hen wordt gadegeslagen, zooals zij zelf door
het publiek bekeken worden; en die ook van tijd tot tijd zich met
de tooneelspelers onderhouden en dan weder hun voorname manieren
toonen, door een pijp tabak, een pas in zwang gekomen nieuwigheid,
op te steken en den rook naar den eisch der kunst in kringen of wolken
uit te blazen.
Daar klinkt de trompet, 't zij aan den ingang, 't zij uit het
dakvenster van het tooneelspelershuis; weldra volgt het tweede en
derde trompetgeschal, en nu wordt het voorhangsel weggeschoven; de
zwarte wandtapijten en het zwarte kleed op den vloer geven aan het
tooneel een plechtig aanzien; de in het zwart gekleede proloog treedt
naar voren. Onmiddellijk neemt het stuk een aanvang en wordt in eens
doorgespeeld; in ruim twee uur is de vertooning ten einde gebracht.
Nu wordt het levendig en rumoerig in de zaal; fruit- en bierverkoopers
komen binnen, en hun verfrisschingen zijn bijzonder welkom aan de
toeschouwers van het parterre, die dicht opeengedrongen hebben gestaan
en ook nu nog moeten zorgen hun plaats niet te verliezen, daar zij
de _jig_, die volgen gaat, niet willen missen. Ook tabak wordt te
koop geboden en hier en daar ziet men rookwolken opstijgen. Enkele
toeschouwers halen kaarten uit den zak om een spelletje Primero (zie
b. v. K. Hendrik VIII, V, 1, 7) te doen. Boekverkoopersjongens dringen
in de zaal en verkondigen met luider stem, welke liederbundels,
tooneelstukken, merkwaardige zeereizen, beschrijvingen van
verwonderlijke zeemonsters, verhalen van terechtgestelde dieven of
moordenaars, zij te koop hebben. Wij kiezen het boekje van William
Kempe, den beroemden komiek, dien wij zoo aanstonds met een nieuwe
_jig_ zullen zien optreden. Het heeft tot titel: "Het negendagig
wonder", _Nine Daies Wonder_, en bevat het verhaal van zijn tocht van
Londen naar Norwich, die negen dagen duurde; hij heeft den geheelen weg
al dansende afgelegd; allerwegen werd hij door tal van nieuwsgierigen
begeleid, die zulk een moorendans, _morrisdance_,--want dezen
voerde hij uit--wilden aanschouwen, en overal feestelijk onthaald,
vooral te Norwich, den eindpaal zijner reis; hij werd daar met een
concert der stedelijke muziek ontvangen, op stadskosten in de herberg
ingekwartierd, en in het gilde der overzeesche kooplieden opgenomen,
wat hem jaarlijks veertig shillings opbrengt; de onderbroek, die
hij bij het volbrengen van dezen dans aanhad en er als aandenken
achterliet, werd er op het raadhuis aan den wand genageld. Het
boekje, waarin dit alles in bijzonderheden beschreven is, werd
door hem aan een hofdame der koningin, aan Miss Mary Fitton, die
wel eens van zich heeft doen spreken (zie de aanteekeningen op de
Sonnetten) opgedragen. Terwijl wij het boekje vluchtig doorbladeren,
is de pauze verstreken; het voorhangsel wordt weder weggeschoven; de
steeds toegejuichte William Kempe treedt op en draagt een inderdaad
allerdwaaste, door hemzelf vervaardigde _jig_ voor, zooals die altijd
op een treurspel moet volgen, om de toeschouwers in vroolijke stemming
naar huis te laten gaan. Hij wordt voorafgegaan door een knaap,
die met trommel en fluit zijn voordracht moet begeleiden. De _jig_
bestaat uit kreupele verzen, nu gezongen, dan gesproken, met goede en
slechte kwinkslagen, waarin de voorvallen van den dag niet vergeten
zijn, met dwaze gebaren en nu en dan al dansende voorgedragen, zoodat
ook de ernstigste toeschouwer moet lachen en de "grondelingen" den
speler met stormachtige toejuichingen begroeten. [21]
De _jig_ is ten einde, het handgeklap is verstomd; daar betreden
nog eens, doch nu in plechtigen optocht, al de tooneelspelers,
ongeveer zestien in getal [22], het tooneel, en scharen zich in een
halven kring; zij knielen neder en het gebed voor de koningin wordt
uitgesproken. Nu wordt het voorhangsel dichtgeschoven en het publiek
stroomt door de wijdgeopende deur naar buiten.