Shakespeare's vader, John Shakspere, was waarschijnlijk de zoon
van Richard Shakspere, een pachter van Robert Arden, en in of bij
het dorp Smitterfield, op één uur afstands van Stratford gelegen,
woonachtig. John Shakspere was in 1552 in de stad zelf gevestigd en
woonde er in de Henley-straat, waar hij, blijkens aanteekeningen in
de stadspapieren, toen samen met Humfrey Reynolds en Adrian Quyney
een mesthoop (_sesquinarium_) in de straat oprichtte. In 1556 werd er
door zekeren Thomas Siche een schuldvordering tegen hem ingediend ten
bedrage van 8 pond sterling; in dit stuk wordt hij "handschoenmaker,"
_glover_, genoemd; dat hij bovendien graanhandel dreef, blijkt uit een
klacht, door hem in hetzelfde jaar tegen zekeren Henry Fyld ingediend,
die hem 18 quarten gerst schuldig bleef. Hij hield zich ongetwijfeld
met het landbouwbedrijf bezig, zoowel met het verbouwen van granen als
met het fokken van vee, en trachtte de opbrengst van zijn landerijen en
weiden op allerlei wijze van de hand te zetten, zoodat hij in graan, in
wol en vee handelde, en ook vleesch en leder ter markt bracht, en het
laatste ook tot handschoenen verwerkte. Dat het hem in de wereld goed
ging en dat hij een wakker, bruikbaar man was, blijkt uit de stedelijke
documenten. In 1556 kocht hij twee huizen, elk met een tuin, het een
in de Henley-straat, het ander in Greenhill-straat; in 1557 werd hij
benoemd in een commissie tot wering van plaatselijke misbruiken en
ook tot keurmeester van brood en bier. Het was waarschijnlijk in het
laatst van hetzelfde jaar, dat hij trouwde, en wel met Mary Arden, de
zevende en jongste dochter van den een jaar te voren overleden Robert
Arden, denzelfden, van wien zijn vader pachter was geweest. Hij deed
er een goed huwelijk mede, want de Ardens waren een welgestelde en
in Warwickshire zeer geachte familie; zij bracht hem onder andere
een huis met landerijen aan, Ashbies geheeten en onder Wilmecote
(Wincott) gelegen. In 1558 werd hem een dochter geboren, die den
naam Johanna ontving en waarschijnlijk jong gestorven is, in 1562
een dochter Margaretha, die slechts weinige maanden oud werd.
Middelerwijl werden aan John Shakspere telkens nieuwe stedelijke
betrekkingen opgedragen [2]. Dat hij hiertoe geschikt gerekend werd,
moet ons geen hooge letterkundige ontwikkeling bij hem doen vermoeden;
de vader van den grooten dichter kon zijn naam niet teekenen, hij
behielp zich met een kruisje of met een figuur, die eenigszins op
een krombeenigen passer geleek. Trouwens, er waren er meer in zijn
geval: in een officiëel stuk van 1565, dat door negentien burgers en
aldermannen onderteekend moest worden, met hem nog twaalf; slechts
zes konden zelf hun naam schrijven.
In April 1564 werd hem zijn derde kind, zijn oudste zoon, geboren;
het doopboek van de kerk der Heilige Drieëenheid vermeldt als gedoopt:
"1564, April 26, Gulielmus filius Johannes Shakspere." De geboortedag
van "William, zoon (van) John Shakspere," is onbekend; men heeft er
23 April voor gelieven aan te nemen, doch ongetwijfeld ten onrechte;
men behoeft niet zonder bepaalde reden te onderstellen, dat het kind
zoo jong gedoopt werd, en bovendien is dit in tegenspraak met het
onderschrift, dat onder zijn buste in de kerk gebeiteld is. Men leest
daar, dat hij stierf in het jaar onzes Heeren 1616, in zijn 53ste
jaar, den 23 April: _Obiit Ano_ Doi 1616, Ætatis 53, die 23 Apr. Ware
hij juist op zijn verjaardag gestorven, dan zou deze bijzonderheid,
en niet, dat hij in zijn 53ste jaar was, in het opschrift vermeld
zijn. Zijn verjaardag valt dus zeker vóór 23 April. Overigens zij
opgemerkt, dat al de dagteekeningen hier volgens den ouden stijl zijn
medegedeeld en naar onze rekening tien dagen later zouden vallen;
voor 26 April leze men, als men naar den nieuwen stijl rekenen wil,
die in Engeland eerst 2 September 1772 ingevoerd werd, 6 Mei.
Dat het doopboek den naam _Shakspere_ schrijft, behoeft geenszins te
verwonderen; het is de zuivere schrijfwijze van den naam, zooals hij
in Warwickshire steeds werd uitgesproken; deze uitspraak zou men ook
door de spelling _Shaxpere_ kunnen teruggeven, waarbij men de klinkers
kort moet uitspreken, doch hun overigens den oorspronkelijken klank
moet geven, zooals die ook in het Nederlandsch gehoord wordt. De naam
is in de stukken van dien tijd op velerlei wijze verkeerd gespeld;
de schrijfwijze _Shakspere_ is de juiste en werd ook, blijkens de
weinige, niet altijd volkomen duidelijke handteekeningen, die wij
van den dichter bezitten, door hemzelf gebezigd, als hij zijn naam
in een gedrukt boek schreef om het als zijn eigendom te waarmerken
[3] of een officiëel document had te onderteekenen; toen hij echter
als schrijver en dichter optrad, bij de onderteekening namelijk der
opdracht van de twee eenige door hemzelf uitgegeven werken, verkoos hij
de schrijfwijze, die de beteekenis van zijn naam beter deed uitkomen,
_Shakespeare_, "speerdriller", welke in zijn tijd met den vollen langen
klank van de _a_ en _e_ en ongeveer als _Shaakspeer_ (de klinkers dus
op de gewone, ook in het Nederlandsch gebruikelijke wijze) uitgesproken
werd; ook zijn vrienden, die in 1623 zijn gezamenlijke tooneelwerken
uitgaven, bezigden dezelfde schrijfwijze; met dien, door hemzelf
geijkten, naam moge hij dan ook als dichter steeds genoemd worden.
Het eerste levensjaar was voor den jeugdigen William bijzonder
hachelijk, want een boosaardige epidemische en besmettelijke ziekte
woedde te dien tijde in Engeland; zij had zich verbreid van Newhaven,
waar de soldaten, die van den oorlog in Frankrijk terugkeerden,
opgehoopt waren geweest. In 1562 en 1563 stierven er in Londen,
in de city en de aangrenzende kerspelen 20136 menschen aan; in 1564
woedde deze "pestilentie" in Stratford allerhevigst: van 30 Juni tot
31 December sleepte zij er, volgens de opgave van Knight, 238 inwoners,
een vijfde der bevolking, ten grave. Het huis van John Shakspere bleef
verschoond; men vindt alleen vermeld, dat hij op 30 Augustus twaalf,
op 6 en 27 September telkens zes, op 20 October acht stuivers tot
ondersteuning der armen te betalen had.
In de eerstvolgende jaren bleef het Sh.'s vader voortdurend in de
wereld goed gaan. In 1565 werd hij gekozen tot alderman en was dus
een van de veertien uitverkorenen der gemeente, in 1568 werd hij voor
een jaar _high bailiff_ of _mayor_ van Stratford, in 1571 voor een
jaar _chief alderman_, wat hem het recht gaf voortaan Mr.--_Master,
Magister_--genoemd te worden. Ook wat geldelijke aangelegenheden
betreft, was hij ongetwijfeld voorspoedig; aangeteekend vindt men,
dat hij in 1565 tweemaal borg was voor Richard Hathaway, en dat hij
in 1575 het thans als des dichters geboortehuis bekend staande huis
met tuin en boomgaard voor 40 pond sterling aankocht. Wat zijn gezin
aangaat, werd hem in 1566 zijn tweede zoon, Gilbert, geboren, in 1569
zijn derde dochter, die weder den naam Johanna ontving, in 1571 zijn
vierde dochter, Anna, die in 1579 stierf, in 1573 zijn derde zoon,
Richard, die in 1613 overleed, in 1580 zijn vierde zoon Edmund,
die later tooneelspeler werd bij hetzelfde gezelschap, waartoe zijn
broeder William behoorde.
Bij den welstand, waarin zijn vader verkeerde, en de betrekkingen, die
hij bekleedde, is er geen twijfel aan, of den jongen William viel de
opvoeding te beurt, die jongelieden uit den gegoeden stand genoten. Wij
kunnen dus gerust aannemen, dat hij op zijn zevende jaar, in 1571,
ter school gezonden werd naar de _free Stratford Grammar School_,
die sedert den tijd van koning Edward IV bestond, waar jongens van
dien leeftijd, mits zij lezen konden en in de stad te huis behoorden,
werden toegelaten. Thomas Hunt, geestelijke te Luddington, het eerste
dorp aan den Avon beneden Stratford, was er toen onderwijzer, na
eenigen tijd opgevolgd door Thomas Jerkins.--Wat werd op zulk een
school onderwezen? Hoofdzakelijk Latijn, waarvoor gebruikt werden:
1. een ABCboek, voor de eerstbeginnenden, die vaak les ontvingen van
een kweekeling, den somwijlen geldelijk beloonden "ABCdarius", 2. een
catechismus in het Engelsch en Latijn, 3. een Latijnsche spraakkunst,
waarvoor die van Lilly gewoonlijk in gebruik was, 4. het een of ander
gemakkelijk Latijnsch leesboek, 't zij de _Colloquia_ van Erasmus,
't zij de _Disticha de Moribus_ van Cato, 't zij _Baptista Mantuanus_
[4]. Met de verder gevorderden werden misschien de geschriften
van Ovidius, Terentius, Plautus en Seneca beoefend. Indien er op
de school Grieksch geleerd werd, dan werd hoogstwaarschijnlijk de
spraakkunst van Nicolaas Clenardus, _Institutiones absolutissimæ in
linguam Græcam_, ten grondslag gelegd. Of er nog meer op de _Grammar
School_ onderwezen werd, dat tot het zoogenoemde _trivium_, namelijk
_grammatica_, _dialectica_ en _rhetorica_, of tot het _quadrivium_,
namelijk _arithmetica_, _geometria, astronomia_ en _musica_ behoorde,
valt niet te zeggen, wel dat het Engelsch waarschijnlijk niet tot
de leervakken behoord heeft. Men mag vermoeden, dat Shakespeare tot
zijn veertiende, vijftiende of zestiende jaar de school is blijven
bezoeken. Al begonnen, naar het schijnt, in 1577 de zaken van zijn
vader achteruit te gaan, dit behoefde hem geen reden te zijn om zijn
zoon van de school te nemen, daar het onderwijs kosteloos verstrekt
werd. Hoe dit zij, belangrijk is het, zoo mogelijk na te gaan, wat
Shakespeare op de school geleerd heeft, en hoe hij verder zijn jonge
jaren doorbracht.
Dat de gezonde, slanke, flink gebouwde knaap, met groote, heldere,
bruine oogen, groote vatbaarheid om te leeren bezat en geenszins
tot de achterlijken behoorde, behoeft geen oogenblik betwijfeld te
worden. Wij kunnen verder gaan, en beweren, dat hij het Latijn vrij
goed machtig was en van het Grieksch ten minste de eerste beginselen
verstond. Wij behoeven ons hier niet te beroepen op wat Mr. Aubrey
zegt van een zekeren Mr. Beeston of Buston vernomen te hebben, "dat hij
vrij goed Latijn verstond en in zijn jonger jaren schoolmeester op het
land geweest was", wij kunnen zijn werken raadplegen, en dan vinden
wij overvloedige bewijzen, dat het Latijn hem lang niet vreemd was
[5]. Men vindt er niet alleen tal van Latijnsche woorden, maar ook vele
gezegden en aanhalingen uit Latijnsche schrijvers, Ovidius, Virgilius,
Horatius, Seneca, Terentius, de grammatica van Lilly en anderen,
verder vele gewone en spreekwoordelijke zegswijzen en eindelijk
zinsneden, die niet aan anderen ontleend, maar van hemzelf afkomstig
schijnen te zijn. Hierbij komt nog, dat hij meermalen bij het bezigen
van Engelsche, van het Latijn afkomstige woorden, er een beteekenis
aan toekent, welke afwijkt van de gewone, maar rechtstreeks aan het
Latijn ontleend is; zoo spreekt hij van _continent impediments_,
"hindernissen, die weerhouden" (Macbeth IV. 3. 64), van rivieren, die
_have overborne their continents_, die de hen weerhoudende, insluitende
oevers hebben overstroomd (Midzomernachtdroom, II. 1. 92). Dat de
Latijnsche taal in hem leefde, blijkt dus genoeg, maar ook vele
onderwerpen uit de Latijnsche letterkunde staan hem levendig voor
den geest: in bijzonderheden kent hij de geschiedenis van Troje; hij
zinspeelt meer dan eens op het jammerlijk lot van Philomela, kiest
de geschiedenis van Venus en Adonis tot onderwerp van een gedicht en
voorziet dit van een motto uit Ovidius. De laatstgenoemde dichter was
ongetwijfeld door hem beoefend, vooral zijn "Gedaanteverwisselingen";
wel bestond er in zijn tijd van dit gedicht een vertaling van Golding,
maar uit het bovenstaande kan men wel opmaken, dat hij het ook in
het oorspronkelijke kan gelezen hebben; merkwaardig is het, dat de
Bodleyaansche bibliotheek te Oxford een, in 1865 aangekochte, kleine
Aldinische uitgaaf der Metamorphosen, van 1502, bezit, die op den
titel van de verkorte handteekening van Wm Shakespeare voorzien is
en misschien inderdaad aan hem toebehoord heeft [6]. Dat ook Seneca
hem bekend was, behoeft men niet te betwijfelen, als men in "Hamlet",
2. 474 en vgg. de beschrijving leest van Pyrrhus, die in dolle woede
Priamus verslaat. Doch genoeg om Shakespeare's kennis van het Latijn
en van Latijnsche schrijvers in het licht te stellen en te weten,
wat wij van Ben Jonson's getuigenis hieromtrent hebben te denken. Deze
heeft namelijk voor de gezamenlijke uitgave van 's dichters dramatische
werken, de folio van 1623, een schoon gedicht aan zijn nagedachtenis
gewijd, maar toch, in het volle gevoel zijner eigen geleerdheid, niet
kunnen nalaten van Shakespeare's kennis der oude talen te getuigen, dat
hij niet zoo heel veel van het Latijn en nog minder van het Grieksch
af wist: _And though thou hadst small Latine, and lesse Greeke_. Ben
Jonson was geleerd, maar zijn ijdelheid en eigenwaan overtroffen
verre zijn geleerdheid; wel wilde hij in dit gedicht aan Shakespeare
alle eer geven, maar dat hijzelf in geleerdheid Shakespeare overtrof,
moest in het voorbijgaan uitkomen. Doch tevens blijkt uit dezen regel,
dat Shakespeare met het Grieksch wel niet vertrouwd, maar er toch niet
geheel onbekend mee was; misschien zelfs was zijn kennis toereikend om
het Grieksche epigram te verstaan, dat hij in twee sonnetten, no. 153
en 154, heeft nagevolgd. Wat hij van andere talen wist, heeft hij
waarschijnlijk door zijn verkeer in Londen opgedaan en men moet er
niet al te gering over denken. Het Italiaansch was hem niet vreemd;
waarschijnlijk kon hij een boek in die taal lezen, waaromtrent men
de aanteekeningen bij "Eind goed, al goed", nazie. Hetzelfde kan van
het Fransch gezegd worden; men mag vermoeden, dat hij Rabelais kende
(zie de aanteekeningen bij "De klucht der vergissingen", III. 2. 117
en bij "Eind goed, al goed", I. 3. 53); of hij Fransch kon spreken
of schrijven is een andere vraag; het Fransch in "Koning Hendrik V"
is zeker zeer gebrekkig, maar het was toch voor het begrip van het
publiek juist geschikt; bovendien weten wij niet, hoeveel het door
Shakespeare neergeschreven Fransch door afschrijvers en letterzetters
verknoeid is. Van bekendheid met het Spaansch vindt men in zijn
werken eenige sporen. Over het geheel is men wel gerechtigd aan te
nemen, dat Shakespeare in letterkundige kennis geenszins bij andere
tooneelschrijvers achterstond, die, zooals later blijken zal, er zich
op beroemden "universiteitsvederen" te zijn.
Vóór wij Shakespeare tijdens zijn verblijf als jongeling te
Stratford verder nagaan, moeten wij even weder een blik werpen op
de omstandigheden zijns vaders. Een paar jaar na zijn huisaankoop
in de Henley-straat geraakte deze in financiëele moeilijkheden;
in 1577 werden de bezittingen, die zijn vrouw hem aangebracht had,
gedeeltelijk verkocht, gedeeltelijk in pand gegeven om geld te bekomen;
bij den omslag voor de kwijting van stedelijke uitgaven werd hij
voor een verminderd bedrag aangeslagen of geheel vrijgesteld; hij
verzuimde de zittingen, die hij als magistraatspersoon had bij te
wonen. Het kan zijn, dat de moeilijkheden slechts van voorbijgaanden
aard waren, dat hij te veel ondernomen had en daardoor moeite had
aan zijn verplichtingen te voldoen. Was dit het geval, dan duurden
toch de moeilijkheden vrij lang of keerden telkens terug; ten minste
in 1586 liep hij gevaar wegens schuld gegijzeld te worden en viel ook
het besluit, dat hij ophield, alderman te zijn, daar hij sinds lang de
vergaderingen niet meer bijwoonde; ja, het is zelfs waarschijnlijk,
dat hij een poos in gijzeling heeft doorgebracht. Misschien ook,
dat hij zich te veel met zijn landbouwondernemingen bezighield om
zijn ambtsbetrekking waar te nemen, doch dan heeft hij niet de beste
manier gekozen om er van ontslagen te worden. Het is mogelijk, dat
hij niet geheel verarmd is, want van den verkoop zijner huizen in
Stratford blijkt niets, maar in 1592 komt zijn naam toch voor op een
lijst van personen, die de kerk niet bezochten, en wordt bij hem als
reden opgegeven, dat hij wegens schuld, dus misschien uit vrees van
buitenshuis gegijzeld of lastig gevallen te worden, afwezig bleef. Hoe
dit zij, men mag wel aannemen, dat de vroegere welvaart verdwenen was
en dat het hem moeilijk moest vallen, aan zijn oudsten zoon uitzicht
op een goede positie in de maatschappij te verschaffen.
Wat ging William Shakespeare doen, waarop ging hij zich toeleggen, toen
hij, waarschijnlijk op zijn veertiende, vijftiende of zestiende jaar,
de school verliet? Hieromtrent zijn wel geruchten en gissingen tot
ons gekomen, doch niets is zeker. Zoo had Aubrey vernomen, dat hij in
zijn jonge jaren schoolmeester geweest was op het land; het kan zijn,
dat er waarheid in dit bericht steekt, en dat de schrandere knaap een
poos als "ABCdarius" aan de Grammar School werkzaam is geweest. Anderen
hebben vermoed, dat hij notaris- of procureursklerk is geweest; zijn
kennis van rechtszaken toch is, naar het oordeel van deskundigen, zoo
uitgebreid en zoo nauwkeurig, hij gebruikt de uitdrukkingen steeds zoo
juist, dat zulk een bedrevenheid niet ter loops, niet door iemand, die
buiten de zaken staat, verkregen kan worden, maar dat hij er zich goed
ingewerkt moet hebben. De onderstelling is geenszins als ongerijmd te
verwerpen; de vader wist in zijn omstandigheden waarschijnlijk niet
dadelijk, wat hij met zijn jongen zou beginnen; het is dus zeer wel
mogelijk, dat de knaap met den vluggen, helderen kop een poos lang,
een jaartje b. v., bij den een of anderen praktizijn, zooals er in
Stratford toch zeker wel een geweest zal zijn, werkzaam is geweest; de
rechtsgeleerde kennis van den zoon kon den vader in zijn moeilijkheden
nog wel te pas komen. Wat hiervan zij, waarschijnlijk is de jonge
William, 't zij dadelijk na zijn schooltijd, 't zij na een poos, zijn
vader in diens zaken behulpzaam geweest. Zijn werken verraden overal,
hoe nauwkeurig, hoe ingespannen en met welk genot hij dieren en planten
en alle verschijnselen der natuur heeft gadegeslagen, hij moet zich
van zijn prille jeugd af, gedurende zijn schooltijd en later, tot
zijn bezigheden hem in een stad kluisterden, veel in de vrije lucht
bewogen hebben. Het bedrijf van zijn vader gaf er aanleiding toe,
dat hij zich vaak met het krieken van den dag in het veld bevond
en den leeuwrik zag opstijgen om de rijzende zon te begroeten,
de dauwdruppels zag hangen aan de primula's en andere bloemen,
die hij alle met name kende, naar het helder gefluit luisterde van
den wielewaal, naar den vroolijken morgenzang van zoovele andere
vogels. Doch niet alleen voor zulk een liefelijk tafereel is zijn
ziel toegankelijk: als in het nabijgelegen veld een fiere hengst
plotseling voort springt, dan weder roerloos en starend staan blijft,
weer opspringt en voortrent met uitgespreiden staart en manen [7],
dan neemt dit gezicht al zijn opmerkzaamheid in beslag en prent zich
diep in zijn geest. Trouwens al wat paarden aangaat, heeft zijn
aandacht getrokken, hij geeft een beschrijving van een edel ros,
met opgave van zoovele bijzonderheden, dat men die ten grondslag zou
kunnen nemen, om een hoofdstuk van een handboek over paardenkennis
te schrijven [8]; en niet alleen met de voortreffelijkheden van deze
diersoort, volgens Buffon de edelste verovering van den mensch, is
hij grondig bekend, maar ook met de gebreken, ziekten en kwalen,
waarvan hij er terstond een vijftigtal zou kunnen opnoemen [9],
terwijl verder ook de rijkunst hem groot belang inboezemt; het hart
gaat hem open, als hij een ruiter ziet, die als één is met zijn ros
en dit volmaakt onder bedwang heeft [10]. Wie de talrijke plaatsen,
die bij Shakespeare voorkomen, waarin over paarden gesproken wordt,
nagaat, kan zeer wel de stelling verdedigen, dat hij geruimen tijd
rostuischer, paardenarts of pikeur geweest is. Ongetwijfeld bezat hij
in de hoogste mate de gaaf, snel en nauwkeurig op te merken en waar
te nemen, scherp te beoordeelen en door zijn voortreffelijk geheugen
zijn herinneringen, zoodra het noodig was, zich naar willekeur voor
den geest te stellen, terwijl zijn levendige verbeelding steeds gereed
was om de beelden, die hij opriep, met nieuw leven te bezielen. Geen
jager zal hem verbeteren, als hij de listen en streken beschrijft, die
het arme vervolgde haasje aanwendt om aan de honden te ontkomen [11];
hij moet herhaalde jachten hebben bijgewoond als jager en nauwkeurig
opmerker; men zou schier vermoeden als strooper, want dan neemt men
dubbel scherp alle bijzonderheden waar.
Heeft Shakespeare dus in zijn jongelingsjaren ongetwijfeld een goed
deel van zijn tijd buiten doorgebracht, men behoeft geenszins aan te
nemen, dat alle letterkundige oefeningen werden nagelaten. Boeken waren
in die dagen schaarsch, en waar de vader in de schrijfkunst onervaren
was, zullen er wel niet vele over den vloer zijn geweest. Maar
geheel behoefden zij niet te ontbreken. Shakespeare had zeker nog
enkele boeken, b. v. de Metamorphosen van Ovidius, uit zijn schooltijd
overgehouden, en in zijn oudste stukken treft men te veel herinneringen
uit Latijnsche schrijvers aan, om niet te gelooven, dat deze nog van
tijd tot tijd ter hand werden genomen. Ongetwijfeld was er ook een
bijbel aanwezig, en Shakespeare geeft genoeg bewijzen, dat hij dezen
kent, om te doen vermoeden, dat hij er meermalen in las en de poëzie
er van genoot. Maar van nog een ander boek mag men aannemen, dat het
door hem gelezen, ja vlijtig beoefend werd: de kroniek van Holinshed;
hij is er zoo goed in thuis, dat hij waarschijnlijk vroegtijdig met
de lezing er van begonnen is, en dan kon de nabijheid van het groote,
indrukwekkende kasteel van Warwick allicht aanleiding geven, dat
hij zich met de geschiedenis van den geweldigen graaf, den grooten
koningmaker, nader bekend wilde maken, en dus de geschiedenis van
Koning Hendrik VI beoefende, het onderwerp, dat hij in eenige zijner
eerste stukken ten tooneele gebracht heeft. Of hij in dezen tijd,
van zijn schooljaren af tot zijn achttiende jaar, reeds gedichten
gemaakt heeft, is niet te beslissen, maar is dit het geval, dan zal
het bij enkele dichtproeven, waarvan ons niets bewaard is, gebleven
zijn; dat hij aan eenig tooneelwerk zou gearbeid hebben, valt niet te
denken, en evenmin heeft hij toen reeds Venus en Adonis ondernomen;
tot het schrijven van grootere gedichten zal hij waarschijnlijk eerst
gekomen zijn, toen hij zich in een anderen kring bewoog en taal en
versbouw reeds meester was geworden; dat de bovengenoemde lectuur
hem ongemerkt ter voorbereiding strekte voor zijn latere loopbaan,
is al wat men vermoeden kan.
Vraagt men, of herinneringen uit zijn jeugd kunnen medegewerkt hebben,
om hem later zijn loopbaan te doen kiezen, dan kan gewezen worden op de
bezoeken, die reizende tooneelspelers van tijd tot tijd aan Stratford
brachten. Er waren langzamerhand verscheiden vaste tooneelgezelschappen
in Engeland ontstaan, die, om bij voorkomende gelegenheden niet als
schelmen en vagebonden beschouwd en behandeld te worden,--en zulk een
behandeling was toen ter tijd niet zacht,--de bescherming zochten
van den een of anderen grooten heer, die door betaling eenigszins
in hun behoeften te gemoet kwam en voor wien zij van tijd tot tijd
speelden; wanneer zij dan het land afreisden en hier en daar hun
voorstellingen gaven, waren de open brieven van den beschermheer,
naar wien zij zich noemden, hun tot aanbeveling. Zoo waren er de
troepen van de Koningin, van de Graven van Leicester, Warwick,
Nottingham, Sussex, Essex, Derby, Hertford, Pembroke en Worcester,
van de Lords Strange, Howard en Clinton, van den Lord Kamerheer, den
Lord Admiraal, van Sir Robert Law. Verscheidene dezer gezelschappen
traden ook te Stratford op. In 1569 kwamen daar de tooneelspelers der
Koningin en van den Graaf van Worcester, in 1573 die van den Graaf
van Leicester, in 1574 die van de Graven van Warwick en Worcester,
in 1577 die van de Graven van Leicester en van Worcester, in 1579 die
van Lord Strange en van den Graaf van Essex, in 1580 die van den Graaf
van Derby, in 1587 die der Koningin. Bij zulk een gelegenheid werd er
aan de spelers uit de stadskas een belooning uitgekeerd, die nog al
uiteen kon loopen; zoo ontvingen in 1569, toen John Shakspere eerste
magistraatspersoon was, de spelers van de Koningin (het gezelschap
namelijk, niet ieder speler) negen shillings, die van den Graaf van
Worcester twaalf stuivers; andere uitkeeringen vindt men geboekt van
vijf, zes, acht, veertien, ja, van zeventien shillings: het waren de
spelers van den Graaf van Warwick, die in 1574 de laatstgenoemde som
ontvingen. Waarom deze belooningen uit de stadskas gekweten werden,
wordt duidelijk uit de aanteekeningen van zekeren R. Willis, die in
hetzelfde jaar als William Shakespeare geboren was en in een klein
boekje, _Mount Tabor_, in 1639 de volgende herinnering uit zijn
kindsheid medegedeeld heeft. "In de stad Gloucester (en zoo ik meen
ook elders) is het gewoonte, dat, als spelers van tusschenspelen
(_interludes_) in de stad komen, zij eerst hun opwachting bij den
Mayor maken, om hem te melden, van welken edelman zij de dienaars
zijn, en verlof te erlangen tot spelen in het openbaar; en als de
tooneelisten den Mayor bevallen of deze zijn eerbied wil toonen voor
hun heer en meester, bestelt hij hen om een eerste voorstelling te
geven voor hemzelf, de aldermannen en verdere overheidspersonen der
stad; en dit wordt de voorstelling voor den Mayor genoemd, waar ieder,
die er gebruik van wil maken, kosteloos komt, terwijl de Mayor hun
een belooning geeft naar zijn goedvinden, om zijn tevredenheid te
betuigen". Willis verhaalt verder, dat zijn vader hem medenam naar
zulk een vertooning en, zelf op een der banken plaats nemende, hem
tusschen zijn knieën liet staan, zoodat hij uitmuntend kon zien en
hooren. Het stuk, dat de boozen der wereld voorstelde, vertegenwoordigd
door een vorstelijk gekleed persoon, die eerst bezocht werd door
drie vrouwen, Hoogmoed, Hebzucht en Weelde, en daarna weggesleept
door twee oude mannen, den Jongsten Dag namelijk en het Oordeel, had
blijkbaar een diepen indruk op den knaap gemaakt, daar hij zich de
vertooning op zijn ouden dag nog in bijzonderheden herinnerde.--Men
kan vermoeden, dat het in Stratford op gelijke wijze is toegegaan,
en zich voorstellen, dat de Mayor, John Shakespeare, misschien zijn
vijftienjarigen zoon naar de schouwburgzaal, de ruime zaal, die wel
driehonderd toeschouwers kon bevatten, beneden het lokaal der Grammar
School, heeft medegenomen en tusschen zijn knieën liet staan om het
schouwspel, dat grootendeels, zoo niet geheel, een stomme vertooning of
_dumb show_ was, te genieten. Hoe dit zij, uit het boven medegedeelde
blijkt, dat de jeugdige Shakespeare tot 1580, dus tot zijn zestiende
jaar herhaalde malen in de gelegenheid was tooneelvertooningen bij
te wonen; dat hij er gebruik van gemaakt zal hebben, valt wel niet
te betwijfelen, want van zulke feestelijkheden zal in Stratford
wel niemand weggebleven zijn, die kans zag er bij te komen en niet
door puriteinsche gemoedsbezwaren werd weerhouden.--Nog een andere
vertooning kan hij bijgewoond hebben op elfjarigen leeftijd. Toen,
in 1575, was koningin Elizabeth de gast van haar gunsteling Robert
Dudley, graaf van Leicester, op zijn prachtig slot Kenilworth, op vrij
korten afstand van Stratford gelegen. Velen stroomden naar de prachtige
feesten toe, want verscheiden vertooningen in de open lucht konden
door tal van toeschouwers genoten worden. Waarom zou John Shakspere,
die toen zeker nog in goeden doen was, er ook niet heengetogen zijn en
zijn flinken knaap niet hebben meegenomen? Er is één bijzonderheid,
die dit zelfs waarschijnlijk maakt. Meren kwamen bij de vertooningen
te pas; Triton was er te zien, zoo wordt bericht, in de gedaante van
een meermin en zwom naar haar koninklijke majesteit. Arion verscheen
er op een dolfijn, en zong een lied, een wonderzoet gedicht en
wonderliefelijk voorgedragen, met schoone begeleidende muziek, zoodat
de beschrijver geen woorden kan vinden om al de voortreffelijkheid er
van te schilderen, maar een beroep doet op de verbeeldingskracht zijner
lezers. En nu sla men den "Midzomernachtdroom" op (II. 1. 148.) en
leze er, wat Oberon tot Puck zegt:
"Mijn waarde Puck, kom hier; gij weet nog wel,
Hoe ik eens op een voorgebergte zat,
En een meermin er zag op een dolfijn,
Die zulke schoone melodieën zong,
Dat haar gezang de woeste zee bedwong,
En meenge ster dol uit haar baan verschoot,
Om 't lied der maagd te hooren.
Terzelfder tijd zag ik,--gij kondt het niet,--
Cupido vliegen tusschen aarde en maan,
Met pijl en boog; hij mikte, scherp en lang,
Op een Vestale, tronend in het west,
En dreef zijn liefdeschicht met zooveel klem,
Alsof 't wel honderdduizend harten gold;
Maar 'k zag de vuurge schicht des jongen gods
In 't kuische licht der vochte maan gebluscht,
De hooge priesteresse ging haar weg,
In maagdlijke overdenking, ongedeerd."
Is het te veel gewaagd, als wij vermoeden, dat de dichter bij deze
beschrijving zich de feesten van Kenilworth voor den geest heeft
gesteld en dat hij deze niet uit berichten of verhalen, maar wel
degelijk uit eigen aanschouwing kende?
Doch genoeg vermoedens; ik wil thans onderstellen, wat zeker gebeurd
is, namelijk, dat de blonde, bruinoogige knaap den leeftijd van
achttien jaar bereikt heeft. Ik wil niet gaan gissen, of hij bij zijn
wandelingen buiten veel naar de boerenmeisjes gekeken, of hij met haar
op den dorschvloer of op het veld veel gedanst heeft; maar zeker is
het, dat hij er één te diep in de oogen heeft gekeken, Anne Hathaway,
waarschijnlijk de dochter van een landbouwer, Richard Hathaway [12]
te Shottery, een dorpje op zeer korten afstand van Stratford. Hij
was een domme jongen geweest en had, achttien en een halfjaar oud,
in zijn kalverliefde een vrijage, die gevolgen had, op touw gezet met
een meisje van zes-en-twintig. Zij, die van Shakespeare volstrekt
een heilig boontje willen maken, gissen, dat er ten overstaan van
verwanten een plechtige verloving zal hebben plaats gehad, en beweren,
dat zulk een verloving even goed was als een in allen vorm gesloten
huwelijk. Wat hiervan zij, er bestaat een bisschoppelijk schrijven
van 28 November 1582, waarbij aan William Shagspere wordt toegestaan
in het huwelijk te treden met Ann Hathwey, na éénmaal de geboden te
laten afkondigen. Verder weten wij, dat hun dochter, Susanna, op 26
Mei 1583 gedoopt is. Even negentien jaar oud, was William Shakespeare
man en vader. Welk bedrijf hij uitoefende, of hij bij zijn vader in
de zaken was of niet, is onbekend; alleen mag men vermoeden, dat hij
in Stratford woonachtig was, want daar had hij op 2 Februari 1585 het
geluk, tweelingen te laten doopen, welke waarschijnlijk naar Hamnet
Sadler, die bakker schijnt geweest te zijn, en diens vrouw Judith,
de namen Hamnet en Judith kregen. Bij dit drietal spruiten is het
gebleven. Na den laatstgenoemden datum zijn wij zeven jaar zonder
eenige berichten van Shakespeare; het eerste, wat daarna van hem
vernomen wordt, is, dat hij in 1592 een belangrijk persoon is bij een
tooneelgezelschap in Londen. Wanneer hij Stratford, waar zijn vrouw
en kinderen bleven wonen, verlaten heeft, is onbekend, maar men wordt
als het ware gedrongen tot de onderstelling, dat dit vrij kort na de
geboorte zijner tweelingen heeft plaats gehad, want om reeds in 1592
een persoon van invloed te zijn bij het tooneel en een goeden naam te
bezitten als tooneelschrijver, had hij vrij wat kundigheden en ervaring
bijeen te zamelen, en hiertoe is tijd noodig; hij zal er dus wel reeds
in 1585, uiterlijk in 1586, heengetogen zijn. Hij kon er misschien
gemakkelijk betrekkingen aanknoopen; de groote tooneelspeler Richard
Burbage, van wiens gezelschap Shakespeare later deel uitmaakte, was
volgens sommigen uit Warwickshire, evenzoo de acteur John Hemmings,
dezelfde, die later met Henry Condell Sh.'s werken uitgaf; en Thomas
Greene, eveneens lid van het gezelschap, uit Stratford zelf. Zoo
iets kon natuurlijk aan den jongen Shakespeare, zelfs al kwam hij
onbekend en zonder aanbevelingen in Londen aan, een welwillende
ontvangst bezorgen en hem reeds dadelijk de gelegenheid openen om
zich op de een of andere wijze aan hun gezelschap te verbinden. Doch
hoe dit zij, het is niet gewaagd aan te nemen, dat hij reeds in 1585
of het eerstvolgende jaar uit Stratford naar Londen ging. Wat hem tot
dezen stap noopte, laat zich eveneens zeer wel gissen. Het kan er hem
te benauwd geworden zijn; misschien wezen zijn stadgenooten hem met
den vinger na als iemand, waar niet veel van terecht zou komen; het
toekomstig lot van den jongen man, die geen eigen middelen van bestaan
had, maar zijn vader in diens, misschien achteruitgaande en berooide,
zaken wat behulpzaam was en dus eigenlijk op zijns vaders zak leefde,
die vroeger misschien veel in den omtrek had rondgeloopen en van zich
had doen spreken, aan een vrouw, bijna acht jaar ouder dan hijzelf,
was blijven hangen en nu voor een snel aangroeiend gezin had te zorgen,
moest wel de nieuwsgierigheid der eerzame Stratforders prikkelen. Als
hij naar Londen is gegaan met het vaste voornemen om er zich bovenop
te werken en aan zijn brave medeburgers te toonen, dat hij wel kans
zag een respectabel man te worden en zich door landbezit aanspraak op
dien naam te verwerven, dan is hij wonderwel geslaagd. Doch als zij
in den eersten tijd vernamen, dat hij onder de tooneelspelers zijn
heil had gezocht, zullen zij de schouders wel opgetrokken hebben
en niet voor hij zijn eerste bezittingen in Stratford aankocht,
tot eenigszins andere gedachten gekomen zijn.--Het kan ook wezen,
dat bepaalde lust tot het tooneel en het gevoel, dat hij hierdoor
zich een goede toekomst veroveren kon, hem van Stratford weg en
naar Londen gedreven heeft.--Of het afscheid van vrouw en kinderen
hem zwaar gevallen is en of hij aan de zijde van Anne Hathaway een
gelukkig echtelijk leven sleet, is een vraag, die men wel opperen,
maar niet beantwoorden kan. Er zijn tal van bewijzen, dat hij,
zoodra het hem goed begon te gaan, maatregelen nam om zich later
weder te Stratford te vestigen en hij heeft zijn plan, zoodra het hem
mogelijk was, volbracht; maar toch ligt het vermoeden voor de hand,
dat de achttienjarige knaap de ruim zeven jaar oudere boerendochter,
die verstandiger had moeten zijn dan hij, veeleer getrouwd heeft
uit een gevoel van plicht en eerlijkheid, dan uit innige liefde; het
zou te verwonderen zijn, als zij juist de geschikte vrouw was voor
iemand van zijn begaafdheden en neigingen. Nergens vindt men eenige
toespeling op zijn liefde voor zijn gade; zijn sonnetten geven zelfs
alleszins recht om aan te nemen, dat hij haar niet onveranderlijk
trouw is gebleven. In zijn testament behoefde hij niet voor haar te
zorgen, daar de wet haar vanzelf uit de nalatenschap van haar man een
behoorlijk onderhoud verzekerde, maar men zou in dit stuk, waarin
aan verscheiden betrekkingen en vrienden een kleine som vermaakt
wordt om zich een nagedachtenis aan den erflater te koopen, wel iets
meer verwacht hebben dan de korte vermelding, dat hij aan zijn vrouw
het op één na beste bed nalaat; en dan is bovendien op te merken, dat
deze bepaling tusschen de regels is ingevoegd en dus niet eens tot het
eerste ontwerp behoorde. Men zou er bijna uit afleiden, dat de liefde
voor zijn vrouw hem het afscheidnemen van Stratford, toen het er toe
komen moest, niet bijzonder verzwaard heeft en haar beeld hem niet
bij zijn verblijf in Londen of elders onophoudelijk voor oogen zweefde.
De overlevering weet nog een bepaalde reden op te geven, waarom hij
Stratford vaarwel heeft gezegd. De jonge man, bij de geboorte zijner
tweelingen nog geen een-en-twintig jaar oud, zou in het loszinnig
gezelschap geraakt zijn van jongelieden, die zich meermalen aan
stroopen schuldig maakten. Zoo zou hij meer dan eens met hen hebben
meegedaan en in het park van Sir Thomas Lucy, van Charlcote bij
Stratford, op herten gejaagd hebben. "Daarom werd hij", volgens
het bericht van Rowe, die ongetwijfeld de mededeelingen van den
tooneelspeler Betterton volgde, "door dien edelman vervolgd en wel,
naar hij oordeelde, te streng; en om zich over deze verongelijking
te wreken, maakte hij een liedje op hem. En hoewel dit liedje,
waarschijnlijk zijn eerste dichtproeve, verloren is gegaan, wordt
het gezegd zoo bitter geweest te zijn, dat de vervolging tegen hem
nog verscherpt werd en hij verplicht was zijn zaken en zijn gezin
in Warwickshire voor eenigen tijd te verlaten en in Londen een
schuilplaats te zoeken."
Dit bericht van Rowe wordt van een andere zijde bevestigd. De Reverend
Richard Davies, rector te Sapperton in Glocestershire (gestorven
1708), was in het bezit van biographische aanteekeningen, door den
Reverend William Fulton bijeengebracht, en verrijkte deze met eenige
bijvoegsels, zijn papieren kwamen na zijn dood in de bibliotheek in
Oxford en werden op het eind der vorige eeuw door Malone openbaar
gemaakt; Rowe zal ze wel niet gekend hebben. Aangaande Shakespeare nu
teekent Davies het volgende aan: "William Shakespeare was geboren te
Stratford aan den Avon in Warwickshire 1563-'65. Hij was zeer verslaafd
aan het stroopen van herten en konijnen, vooral van Sr.... Lucy,
die hem meermalen liet tuchtigen en soms gevangen zetten en hem later
deed vluchten uit zijn geboortestreek, tot zijn groot voordeel; maar
zijn wrok was zoo groot, dat hij [d. i. Lucy] zijn Sh.'s vrederechter
Clodpate [zooveel als _Domkop_ of _Dwaashoofd_] is, en dat hij hem
een groot man noemt en met zinspeling op zijn naam drie luizen (_three
louses rampant_) tot wapen geeft. Van tooneelspeler werd hij schrijver
van tooneelwerken. Hij stierf 23 April 1616, _ætat._ 53, waarschijnlijk
te Stratford, want daar is hij begraven en heeft hij een gedenkteeken
(_Dugd._ p. 520), waarop hij een zwaren vloek legt op ieder, die zijn
gebeente mocht verplaatsen. Hij stierf als papist." Men ziet uit de
aanhaling van het boek van Dugdale, die de oudheden van Warwickshire
beschreven heeft, dat Davies niet zelf te Stratford geweest is en
uit de verte zijn inlichtingen heeft ingewonnen; hij noemt verder den
vrederechter uit "De vroolijke Vrouwtjes van Windsor", die _Shallow_
(Zielig) heet, _Clodpate_, en heeft dus waarschijnlijk zelf het
stuk niet gelezen; toch moet erkend worden, dat zijn mededeelingen,
met die van Rowe overeenstemmend, het hoogst waarschijnlijk maken,
dat Shakespeare niet vrij te pleiten is van strooperij en hier groote
onaangenaamheden door ondervonden heeft, die misschien medewerkten om
hem Stratford te doen verlaten [13]. Wel heeft men getracht hem van
dit vergrijp, dat toch zeker in veler oog geen misdrijf is, schoon
te wasschen, door aan te toonen, dat Charlcote geen park was vóór
de regeering van Karel II, maar dit bewijs is wel niet krachtig
genoeg, want herten werden even goed in bosschen als in parken
gehouden; bovendien weet men, dat de zoon van Sir Thomas in 1602
aan Lord Ellesmere een bok ten geschenke zond. Als men het begin van
"De vroolijke Vrouwtjes van Windsor" goed naleest, komt men tot de
overtuiging, dat Shakespeare, op een bij hem zeer ongewone, bittere
wijze, met de familie Lucy wil afrekenen en dat met den vrederechter
_Shallow_ (Zielig) wel degelijk Sir Thomas Lucy bedoeld is, dien hij
in de oogen van wie hem kennen belachelijk wil maken [14]. Men kan
zelfs zeggen, dat dit begin eerst dan, wanneer men er dit doel in
opmerkt, duidelijk wordt. Men kan verder vragen of het toeval is,
dat Shakespeare in een ander stuk, 1 K. Hendrik VI, IV. 7. 61, een
anderen Lucy op bespottelijke wijze met titels laat schermen.
Doch genoeg over de redenen, die Shakespeare drongen zijn vaderstad
te verlaten; in Londen gaat hij de loopbaan betreden, die hem naar den
tempel des roems heeft gevoerd. Van nu af kunnen wij zijn geschiedenis
beoefenen met behulp van de documenten, die hijzelf ons in zijn werken
heeft nagelaten.