Het is nabij het midden, schier in het hart van Engeland, in
het graafschap Warwickshire, in het stedeken Stratford aan den
Avon, dat de groote dichter, op wien Engeland, op wien de wereld
roem draagt, geboren werd; in Warwickshire, waar, ten noorden van
Stratford, de reusachtige overblijfselen van het kasteel Warwick, het
stamslot van den grooten koningmaker [1] zich in den Avon spiegelen;
waar, nog noordelijker, het kasteel Kenilworth ligt, welks naam de
feesten voor den geest roept, door den graaf van Leicester aan zijn
gebiedster Elizabeth, de maagdelijke koningin, gegeven; waar, nog
iets verder noordelijk, het oude Coventry gelegen is, bekend door de
mysteriespelen, die er vaak, zelfs tot het laatst der zestiende eeuw,
opgevoerd werden. Daar, nabij de zuidelijke grens van het graafschap,
ligt, als in een mandje van groen, in een vallei, op korteren en
grooteren afstand door heuvelen omgeven, de stad Stratford, die thans
ongeveer zeven en een half duizend inwoners telt, bekoorlijk aan de
oevers van den kort voor deze plaats bevaarbaar geworden Avon, die,
als hij de brug bereikt, zich tot zijn drievoudige breedte uitbreidt,
als om te beter de schoone, door boomen omringde, kerk te weerspiegelen
en de statig ronddrijvende zwanen in al hun sierlijkheid te doen
uitkomen. De geheele omgeving van Stratford lokt tot wandelen, tot
het genieten van de schoone natuur, uit, en is rijk aan plekjes,
die een liefelijk uitzicht verleenen. Een bezoek aan de omstreken
van Stratford is alleszins geschikt om Shakespeare, die de natuur
met open oog bezien heeft en haar kende als weinigen, beter te doen
begrijpen. De natuur is hier nog dezelfde, als toen de dichter er zijn
kinder- en jongelingsjaren doorbracht, en zij hem de indrukken gaf,
die hij zijn geheele leven door in zich omdroeg. Want, men vergete
dit niet, zijn hart hing aan Stratford; toen hij in Londen leefde en
er het leven genieten kon, toen hij er gezien en geëerd was, er roem
oogstte en op weg was om een welgesteld man te worden, maakte hij,
in zijn drie-en-dertigste jaar, van de verworven middelen terstond
gebruik om zich in zijn geboorteplaats een woning te koopen; en zoodra
de omstandigheden het hem vergunden, verliet hij de wereldstad,--want
al was Londen toen veel kleiner dan thans, het mocht dien naam
reeds dragen,--met al haar aanlokkelijkheden, en vestigde zich in het
landstadje Stratford, dat toen ter tijd nog geen twee duizend inwoners
bevatte. Welke omstandigheden ook verder mogen medegewerkt hebben om
hem Stratford als woonplaats te doen kiezen, wij mogen gerust aannemen,
dat hij er gaarne verblijf hield, en dat hij, landbezitter geworden,
er vaak in den omtrek rondzwierf en er de plekjes weder opzocht,
welker herinnering hem van der jeugd af was bijgebleven.
Treden wij de stad binnen, van de zijde der Henley-straat, dan
bevinden wij ons weldra voor het huis, waar, volgens de overlevering,
de groote dichter het eerste levenslicht aanschouwde. Het is niet
zonder verandering gebleven; in het midden dezer eeuw was het in
twee huizen verdeeld en in het linkerhuis was een slagerswinkel, het
rechter was een herberg; maar sedert is het, met gebruikmaking van oude
afbeeldingen, weder in vroegeren staat hersteld; de rechterhelft is nu
een museum geworden, dat tal van voorwerpen, op Shakespeare betrekking
hebbende, bevat, en aan de linkerzijde kan men de niet veranderde lage
bovenkamer bezoeken, die de geboortekamer des dichters genoemd wordt;
op de witte muren vindt men tal van namen geschreven, waaronder men die
van Byron, Walter Scott en Tennyson kan opmerken. Doch, hoevelen ook,
vervuld van eerbied voor den dichter, dit vertrek betreden hebben,
men moet erkennen, dat het geboortehuis des dichters onbekend is. Men
weet uit aanteekeningen in de stadspapieren, dat Shakespeare's vader
in 1552 in de Henley-straat woonde, maar evenzeer, dat het huis, waar
zijn zoon William heet geboren te zijn, eerst in 1575, elf jaren na
diens geboorte, door hem werd aangekocht, terwijl er geen zweem van
bewijs of waarschijnlijkheid is, dat hij er vroeger, en wel reeds
jaren te voren, in gewoond heeft. Doch hoe dit zij, moge in dit huis
de wieg des dichters niet gestaan hebben, hij heeft er toch zeker
eenige jaren zijner jeugd in doorgebracht en van daar meermalen den
weg naar school ingeslagen. Volgen wij dien zelfden weg, dan hebben
wij de _Henley-street_ af te loopen en rechts de _High-street_
in te slaan; wij komen dan in de _Chapel-street_ uit en vinden er
op den hoek links de kapel, _Guild-Chapel_, die aan de straat den
naam heeft gegeven, en rechts den ruimen tuin van _New-Place_, het
huis, door Shakespeare in 1597 aangekocht, waar hij gewoond heeft en
waar hij gestorven is, toen hij pas zijn drie-en-vijftigste jaar was
ingetreden. Het huis is omstreeks de helft der vorige eeuw gesloopt;
ook de moerbezieboom, die in het midden van den tuin stond en door
Shakespeare zelf heette geplant te zijn, is door den eigenaar omgehakt,
daar deze op het druk bezoek niet gesteld was en er grooter voordeel
in vond, het hout, sedert wonderbaarlijk vermenigvuldigd, in kleine
stukjes, in den vorm van snuifdoozen en dergelijke snuisterijen,
te verkoopen. Thans is het terrein voor verdere veranderingen
beveiligd; de grondvesten van des dichters huis zijn opgespoord en
ontbloot en worden in eere gehouden. Wenden wij ons van hier naar de
kapel, dan vinden wij naast deze een lang en tamelijk laag gebouw,
dat na Shakespeare's tijd weinig verandering ondergaan heeft en de
opmerkzaamheid wel verdient. Op de eerste verdieping vindt men een
ruim lokaal, goed bewaard, waar de balken der zestiende eeuw nog
zichtbaar zijn; het is een schoollokaal en was dit sinds eeuwen;
in Shakespeare's jeugd was er de school, een zoogenoemde Grammar of
Free school gevestigd, waar hij ongetwijfeld verscheiden jaren, van
zijn zevende af, doorgebracht en het Latijn en Grieksch geleerd heeft,
dat hij machtig was. Op den beganen grond was toen de Guild-hall, de
ruimste zaal der stad, waar de overheid samenkwam en waar ook door
rondreizende tooneelspelers-gezelschappen voorstellingen gegeven
werden; daarachter bevindt zich een vertrek, dat tot voor korten
tijd voor het bergen der wapenen van vrijwilligers diende en ook
vroeger als wapenkamer gebezigd werd. In het begin van 1888 moest
dit vertrek ontruimd en ten bate der school ingericht worden, en bij
deze gelegenheid werd door het hoofd der school een sinds jaar en dag
afgesloten trap beklommen en een klein zijvertrek ontdekt, blijkbaar
een vergeten bergplaats van oude, met dik stof bedekte, documenten,
waarvan enkele honderden uit Shakespeare's tijd dagteekenden, die
echter, zoo het schijnt, geen nog onbekende bijzonderheden uit zijn
leven aan het licht zullen brengen. Gaan wij de school voorbij, dan
komen wij, tot het einde der stad genaderd, aan de schoone kerk der
Heilige Drieëenheid, _the church of the Holy Trinity_; een fraaie laan
van linden geleidt ons naar den ingang van het gebouw, waar het stof
van den grooten dichter ter ruste gelegd is; wij bewonderen ook de
prachtige olmen, die het aan de rivierzijde omgeven. Na een bezoek
van eerbiedige hulde, binnen de kerk gebracht, keeren wij op onze
schreden terug, doch slaan weldra af naar de rivierzijde en begeven
ons naar het waardig gedenkteeken, in den laatsten tijd ter eere van
den grooten dichter tot stand gekomen, het _Shakespeare Memorial_, een
schoone stichting, bestaande uit een zorgvuldig ingerichten schouwburg,
die een duizendtal toehoorders kan bevatten, en een door een boog
hiermede verbonden gebouw, beneden voor een Shakespeare-bibliotheek,
boven voor een verzameling van schilderijen, op den dichter en zijn
werken betrekking hebbende, bestemd; boven den boog verheft zich
een statige toren, terwijl het geheel van een sierlijk aangelegden
tuin omgeven is, van waar men, over de rivier benedenwaarts, een
prachtig gezicht heeft op de schilderachtig gelegen kerk. Schooner
plekje voor het stichten van zulk een gedenkteeken is niet uit te
denken; het geheel is een waardige hulde aan Stratfords grootsten
burger. Het is geheel uit vrijwillige giften tot stand gekomen,
waartoe Stratfords ingezetenen veel, maar, zooals men denken kan,
ook andere Shakespeare-vereerders hebben bijgedragen. Eén boven allen
mag hier als krachtig bevorderaar van de stichting met name genoemd
worden, de heer Charles E. Flower te Stratford, die niet alleen het
plan van zulk een waardig monument geopperd, maar ook den grond er
voor geschonken en den voortgang en de voltooiing van het werk door
stoffelijke ondersteuning ten krachtigste bevorderd heeft. Op den
eersten Mei 1876 werd het ontwerp van het gebouw aangenomen en op
23 April 1877 vond op plechtige wijze het leggen van den eersten
steen plaats.