KRAAIENGEWOONTEN.

De kraai is eigenlijk een groote schavuit--dat is te zeggen, als

eenig schepsel een schavuit genoemd kan worden omdat het volgens

natuurlijke en schavuitachtige neigingen handelt. Ik kwam het eerst

tot deze slotsom heel wat jaren geleden, toen ik eens 's morgens

vroeg een ouden kraai bespiedde, die naarstig bezig was een rand

van struikgewas, dat langs de muur van een verlaten weide groeide,

te doorzoeken. Hij had een handvol lijstereieren verorberd en drie

jonge musschen meegenomen om zijn eigen jongen mee te voeren, eer ik

begreep wat hij toch uitvoerde. Sedert dien tijd heb ik hem dikwijls

betrapt op dezelfde rooverijen.

Een oude boer heeft me verzekerd dat hij hem ook wel gesnapt heeft

bezig zijn schapen te mishandelen, door op hun rug neer te strijken

en de wol bij den wortel uit te trekken, om vacht te krijgen voor

't voeren van zijn nest. Dit is een veel ernstiger beschuldiging dan

dat hij 't koren uittrekt, ofschoon dit laatste bijna elken boer tot

zijn vijand maakt.

Toch, met al zijn schavuitenstreken heeft hij allerlei grappige en

merkwaardige gewoonten. Ik weet wezenlijk bijna geen anderen vogel

die zoo de studie gedurende een jaargetijde loont; maar je moet heel

geduldig wezen en heel wat teleurstellingen dragen, als je veel

van den kraai zijn eigenaardigheden door persoonlijke waarneming

wilt leeren kennen. Wat is hij schuw! Wat geslepen is hij, wat gauw

wijs! Toch is hij heel gemakkelijk voor den gek te houden, en sommige

ervaringen die hem wijs hadden moeten maken schijnt hij binnen 't uur

te vergeten. Bijna elken keer dat ik uit schieten ging in de oude,

barbaarsche dagen, voordat ik beter leerde, kreeg ik altijd een of

een paar kraaien uit een troep die over mijn jachtterrein zeilde,

door me slechts tusschen de dennen te verstoppen en als een jonge

kraai te roepen. Wanneer de troep binnen 't gehoor kwam, was het

verwonderlijk het luide koor van ka-ka te hooren, en te zien hoe

ze aan kwamen schieten over hetzelfde boschje, waar ze een week te

voren op dezelfde wijze waren beetgenomen. Soms schenen ze het zich

toch te herinneren, en als de zoogenaamde jonge kraai zijn spektakel

ergens diep in een dicht boschje begon, verzamelden ze zich een eind er

vandaan op een den en ka-den heftig tot antwoord. Maar nieuwsgierigheid

kreeg bij hen altijd de overhand, en ze kwamen gewoonlijk onder elkaar

tot een besluit en zonden een snellen, langgewiekten, ouden vlieger,

alleen om hem neer te zien storten bij 't knallen van een geweer;

en dan gingen ze er vandoor, krijschend zoo hard als ze konden, en

ze hielden niet op voordat ze mijlen ver weg waren. Een week later

deden ze weer precies zoo.

Kraaien houden meer dan eenige andere vogel van opwinding en

samenscholing; het geringste ongewone voorwerp levert een gelegenheid

voor een oploop. Een gewonde vogel zal evenveel beroering in een troep

kraaien veroorzaken, als een spoorwegongeluk in een dorp. Maar als

een rondwarende oude kraai een uil snapt die 't zonlicht verslaapt

in den top van een zwaren spar, kennen zijn verrukking en opwinding

geen grenzen. In zijn kreet, dien elke kraai in de buurt begrijpt,

is al een onderdrukte wildheid. 't Is of hij "komt! komt! komt

allemaal!" krijscht, terwijl hij boven den boomtop kringt; en binnen

de twee minuten zijn er meer kraaien om dien ouden spar verzameld,

dan iemand zou meenen dat er mijlen in den omtrek bestonden. Ik telde

er eens zeventig vlak om een boom heen, waarin een van hen een uil had

gevonden, en ik geloof dat er wel net zooveel buiten omheen vlogen,

die ik niet kon tellen.

Op zoo'n oogenblik is 't mogelijk met een beetje voorzichtigheid

vlakbij te komen en als 't ware een kraaien-vergadering bij te

wonen. Ofschoon ik er heel wat heb bijgewoond, heb ik nooit eenige

werkelijke reden voor hun opwinding kunnen ontdekken. Die 't dichtst

bij den uil zijn zitten in de boomen verspreid luidkeels te roepen;

geen kraai zwijgt er. Die verderaf zijn vliegen snel rond en maken zoo

mogelijk nog meer lawaai dan de binnenste kring. Onderwijl zit de uil

onzichtbaar in den groenen top te knipoogen en te staren. Elk oogenblik

verlaten twee of drie kraaien den kring om er heen te vliegen, er eens

binnen te kijken en dan krijschend op hun tak terug te keeren, waar

ze rondspringen, bij elken ademtocht ka zeggen, met hun kop knikken,

in de takken hakken en precies als opgewonden verkiezingsredenaars

te werk gaan.

Het lawaai neemt hoe langer hoe meer toe; nieuwe stemmen voegen er

zich elk oogenblik bij; en de uil, tot wien het flauwtjes doordringt

dat hij de oorzaak van dit alles is, vliegt weg naar een anderen boom,

waar hij rust kan hebben en gaan slapen. Dan, met veel geruisch en

geraas, volgen de kraaien. Een vlugge, oude verkenner blijft vlak

bij den uil en krijscht den heelen weg over om de krassende bende de

richting te wijzen. Als de uil gaat zitten, verzamelen zij er zich

weer omheen en voeren dezelfde vertooning nog eens op, opgewondener

dan te voren. Zoo gaat dat door, tot de uil een hollen boom vindt,

er in wegschuilt en hen laat krassen tot ze er genoeg van hebben; of

wel, hij zoekt een dicht dennenbosch waar hij zich hier en ginds keert

en wendt met die schimmige, geruischlooze vlucht van hem, tot hij ze

van het spoor heeft gebracht. Dan vliegt hij in den diksten boom dien

hij kan vinden, gewoonlijk buiten het boschje waar de kraaien zoeken,

en dicht tegen den stam aan gezeten knipt hij met zijn groote, gele

oogen en luistert hij naar het spektakel dat tierend door het boschje

trekt; terwijl ze nieuwsgierig in elken, dikken den loeren en overal

zoeken naar de verloren oorzaak van hun opgewondenheid.

Met tegenzin geven de kraaien het op. Ze kringen nog een poosje boven

het boschje, terwijl ze stijgen en dalen met die mooie, gelijkmatige

beweging, die veel heeft van de geregelde oefeningen van alle in

troepen levende vogels en gewoonlijk hiermee eindigt, dat ze zich op

een afstand in een boom verzamelen en er urenlang over krassen, tot

een nieuwe aanleiding om zich op te winden hen ergens anders heenroept.

Waarom ze eigenlijk zoo opgewonden raken over een uil is een open

vraag. Ik heb nooit gezien dat ze hem kwaad deden, en geen andere

bedoeling bij ze waargenomen, dan om hem af en toe aan te staren

en er een groote drukte over te maken. Ik twijfel er niet aan of

ze zien in hem een dief, een verslinder van soortgenooten. Maar

hij dieft 's nachts als andere vogels slapen, en daar zij hun eigen

diefstal in 't volle daglicht bedrijven, veroordeelen ze hem als een

bedrieger. Of misschien grijpt de uil, als hij 's nachts rondwaart,

wel eens een jongen kraai van den tak waarop hij zat te slapen. De

groote, gehoornde uil zou stellig niet aarzelen om een ouden kraai

op te eten, als hij hem in een dutje kon snappen, en daarom raken ze

opgewonden, zooals alle vogels in de nabijheid van hun natuurlijke

vijanden. Over een havik maken ze bijna net zoo'n drukte, maar deze

weet aan de herrie te ontkomen door snel heen te vliegen, of door

langzaam tot op zoo'n duizelingwekkende hoogte naar boven te kringen,

dat de kraaien niet durven volgen.

In 't vroege voorjaar heb ik van deze kraaiengewoonte partij getrokken,

als ik naar uilennesten zocht. De kraaien ontdekken veel eer waar er

een zit dan de meest nauwlettende vogelkenner, en ze verzamelen er

zich dikwijls voor een pretje omheen. Eens maakte ik van die gewoonte

gebruik om de kraaien zelf terdege gade te slaan. Ik bracht een ouden,

opgezetten uil mee en plaatste dien op een paal dicht tegen een grooten

denneboom aan den zoom van een boschje. Toen ging ik er vlakbij in een

groep struiken liggen en kraste opgewonden. De eerste boodschapper

van den troep vloog er recht overheen zonder iets te ontdekken. De

tweede vond den uil, en ik hoefde niet langer te lokken. "Ka! ka!" riep

hij diep uit zijn keel--"hier is hij! hier zit de schavuit!" In een

oogwenk had hij er de heele bende; en wel bijna tien minuten bleven

ze van alle kanten aanvliegen. Een bezetener troep heb ik nog nooit

gezien. Het gekras was vreeselijk en ik hoopte eindelijk de werkelijke

oorzaak en de gevolgen van de opwinding te zullen kunnen vaststellen,

toen een oude kraai die vlak boven mijn schuilplaats vloog me in 't

oog kreeg, terwijl ik uit de struiken keek. Hoe hij zichzelf hoorbaar

of verstaanbaar maakte in 't lawaai weet ik niet; maar de kraai is

nooit te opgewonden om op een sein van gevaar te letten. Het volgende

oogenblik stroomde de heele bende over de bosschen weg, terwijl ze

bij elken wiekslag 't sein tot verspreiden gaven.

Er is nog een gewoonte, waarin uitkomt hoe de kraai van afwisseling

houdt, ofschoon op veel waardiger wijze. 't Gebeurt wel dat er een

troep betrapt wordt als hij in de boomen verstrooid zit en heelemaal

opgaat in 't kijken naar een voorstelling--gewoonlijk iets in den

geest van een opera--gegeven door een van hen. Het voornaamste geluid

van een kraai is 't schorre ka, ka, waar iedereen vertrouwd mee is

en dat in staat schijnt alles uit te drukken, van het zachte gekakel

bij 't slapen-gaan in de dennetoppen, tot het luide gehoon waar hij

alle gewone pogingen om hem te verrassen mee ontmaskert. Bepaalde

kraaien hebben echter een ongewone vaardigheid wat hun stem betreft,

en schijnen die somtijds tot vermaak van de andere te gebruiken. Toch

heb ik een vermoeden dat deze vocale gave zelden gebruikt of zelfs

ontdekt wordt, behalve als gebrek aan vermakelijkheid hen dwingt het

in eigen kracht te zoeken. Een feit is het, dat zoodra een kraai

ongewone geluiden maakt, er altijd verscheiden andere om hem heen

zijn die lustig krassen en toch aandachtig schijnen te luisteren. Ik

heb ze hierop herhaaldelijk betrapt.

Op een Septembernamiddag dat ik kalm door het bosch wandelde, werd mijn

aandacht getrokken door een ongewoon geluid dat uit een eikenboschje

kwam, een geliefkoosde verblijfplaats van grijze eekhoorns. Aan dien

kant krasten de kraaien ook, maar telkens na een kort oogenblik kwam

er een vreemd, krakend geluid--kr-r-rak-e-rak-rak, alsof iemand een

reusachtigen notenkraker had en dien telkens toedrukte. Ik sloop

voort door het struikgewas, tot ik misschien wel vijftig kraaien kon

zien die verspreid in de eiken zaten, alle vol aandacht voor iets

dat beneden hen gebeurde, maar dat ik niet kon waarnemen.

Niet voordat ik naar het omheinend kreupelhout was gekropen, vlak aan

den zoom van het boschje, en er doorloerde, zag ik wie het deed. Aan

het uiteinde van een langen, ranken tak, een paar voet boven den grond,

klemde zich een kleine kraai vast, die op en neer wiegde als een

rijstvogeltje op een kardinaalsbloem [6], zich sierlijk in evenwicht

hield door zijn vlerken uit te spreiden en elk oogenblik het vreemde,

krakende geluid gaf, begeleid door een slag van vleugels en staart,

als de tak naar boven zwiepte. Telkens als het herhaald werd krasten

de kraaien bij wijze van toejuiching. Langer dan tien minuten sloeg

ik ze gade, eer ze mij zagen en wegvlogen.

Verscheiden keeren ben ik na dien tijd door ongewone geluiden

aangelokt, en altijd snapte ik een troep kraaien die klaarblijkelijk

naar een vertooning van een hunner keken. Eens was het een diep,

welluidend gefluit, dat veel had van het toe-loe-loe van de blauwe

gaai (ondanks al haar heldere kleuren een nichtje van den kraai) maar

dieper en voller en zonder de trilling, die altijd het gefluit van

de blauwe gaai kenmerkt. Een andere maal, in een van de uitgestrekte

bosschen in Maine, was het een schor geblaf, dat hoegenaamd niets had

van een vogelroep en maakte dat ik zware patronen in mijn geweer liet

glijden, en voortkroop in afwachting van een vreemd beest dat ik nog

nooit eerder ontmoet had.

Diezelfde liefde voor afwisseling en opwinding leidt de kraai er

toe om elk ongewoon gezicht of geluid dat haar aandacht trekt te

onderzoeken. Verberg je ergens in het bosch en maak elk gek geluid dat

je maar wilt--blaas op een mondharmonica, of rammel met een blik vol

steentjes of laat slechts een zachten roep hooren--en eerst verschijnt

er een blauwe gaai, een en al bedrijvigheid om er alles van te weten te

komen; dan sluipt een roode eekhoorn naar beneden en tokt vlak boven

je hoofd om je te laten schrikken als 't kan; daarna, als je scherpe

oogen hebt, zul je een kraai van kreupelboschje naar kreupelboschje

zien glippen, zich zooveel mogelijk uit 't gezicht houdend, maar

steeds nader komend om het ongewone geluid te onderzoeken. En als zij

achterdochtig is of onvoldaan, zal zij zich verstoppen en geduldig

wachten, tot je te voorschijn komt en je laat kijken.

Zij is niet alleen nieuwsgierig naar jou en bespiedt je als je door

't bosch gaat, maar zij doet het haar buren net zoo goed. Als

een vos opgeschrikt is, kun je zijn spoor dikwijls ver voor je

honden uit volgen door de kraaien die boven hem kringen en schurk,

schurk! roepen, elk oogenblik dat hij zich vertoont. Zij bespiedt

de eenden en de pluvier, het hert en den beer; zij weet waar ze zijn

en wat ze uitvoeren, en zij zal een heel eind van haar weg afwijken

om hen even goed als haar soortgenooten te waarschuwen bij dreigend

gevaar. Als vogels nestelen, of vossen een hol hebben, of er dieren in

't bosch vechten, zij is er bij om toe te kijken. Als er niets anders

is, zal zij zelfs grappen uithalen, zooals ik eens bij gelegenheid

een jonge kraai zag, die zich verstopte in een gat in een denneboom

en twee uren lang een heelen troep bijna razend van opwinding hield

door haar angstig gekras. Als ze een eind weg waren, waagde zij zich

te voorschijn, spiedde voorzichtig in het rond om te zien of niemand

haar zag, slaakte dan een hartverscheurenden noodkreet, om weer weg

te duiken als de troep onder een oorverdoovend leven aan kwam suizen.

Slechts een van twee verklaringen kan een oplossing geven voor haar

gedrag in dit geval: òf zij was een jonge kraai, die den ernst niet

besefte van het "wolf, wolf!" roepen als er geen wolf was, òf was

eenvoudig verstoppertje spelen. Toen de kraaien haar eindelijk snapten,

joegen ze haar uit het gezicht, om haar te straffen, of, zooals ik

nu geneigd ben te denken: elke kraai trachtte haar te krijgen om

't voorrecht van de volgende te zijn die zich verstoppen mocht.

Werkelijk, wanneer je een troep kraaien in 't bosch hoort krassen,

kun je er altijd zeker van zijn dat er 't een of andere pretje gaande

is, dat den tijd en het geduld aan 't onderzoeken besteed ruimschoots

vergoeden zal.

Sinds het bovenstaande opstel geschreven werd, zijn er nog meer

eigenaardige kraaiengewoonten aan 't licht gekomen. Dit is er een, die

een eigenaardig licht schijnt te werpen op de vraag of ze spelletjes

spelen. Ik ontdekte ze op een Septembermiddag, toen een hevig gekras

ginds in de bosschen me er toe bracht, den boomgaard waar ik aan

't appels-plukken was in den steek te laten, voor de meer opwindende

bezigheid van mijn zwarte buren te bespieden.

Het rumoer kwam uit een oude, verlaten wei, aan drie kanten door

dennenbosschen ingesloten en aan den vierden door half verwilderde

velden, die hier en daar verspreid zich uitstrekten naar den stoffigen

weg er achter. Eens, lang geleden, stond hier een boerderij, maar

zelfs de kelders zijn verdwenen en de kraaien zijn niet meer bang

voor die plaats.

Het was een gemakkelijke taak om onbespied door het naaste

dennenboschje te kruipen en een veilige schuilplaats te bereiken onder

een paar jeneverbessen aan den zoom van de oude wei. Het gekras ging

onderwijl met tusschenpoozen voort; soms brak het uit in een waar

Babel, alsof elke kraai haar best deed alle andere in 't krassen de

baas te zijn; dan weer was er een stilte, behalve af en toe een kort

geluid: het "alles in orde" van den schildwacht op den uitkijk. De

kraaien hebben het nooit zóó druk, zijn nooit zóó in beslag genomen,

dat ze deze voorzorg veronachtzamen.

Toen ik de jeneverbessen bereikte, zaten de kraaien--wel een

vijftig--in de dennetoppen langs een kant van het open land

geschaard. Ze waren rustig genoeg, uitgezonderd af en toe wat

geharrewar om een plaats, en wachtten klaarblijkelijk op iets dat

gebeuren moest.

Ginds aan mijn rechterhand, aan den vierden of open kant van de weide,

zat een eenzame oude kraai in den top van een hoogen noteboom. Ik had

haar voor een schildwacht kunnen houden, als zij niet een schitterend

voorwerp in haar snavel had gehouden. Het was te ver weg om uit te

maken wat het voor ding was, maar steeds wanneer zij met den kop

draaide, fonkelde het in 't zonlicht als een stukje glas.

Terwijl ik haar nieuwsgierig gadesloeg, wierp zij zich omhoog en

vloog in volle vaart naar 't midden van het veld om bij de dennen aan

de overzijde te komen. Onmiddellijk waren alle kraaien in de lucht;

ze kwamen van weerskanten te voorschijn schieten, veel die ik eerst

niet gezien had, en alle als dol krassend. Ze suisden op den ouden

baas uit den noteboom los en een korte poos was het onmogelijk iets

anders te ontwaren dan een warrelend, golvend bewegen van zwarte

vleugels. Het lawaai was intusschen oorverdoovend.

Iets schitterends viel uit de opgewonden bende en een enkele kraai

dook het achterna; maar ik was te vol belangstelling voor de herrie,

om op te letten wat er met haar gebeurde. Plotseling hield het leven

op. Na een korte oefenvlucht van rijzen en dalen en zwenken op bevel,

lieten de kraaien zich in de dennen aan weerskanten van het veld neer,

waar ze eerst gezeten hadden. En daar in den noteboom zat weer een

kraai met hetzelfde glimmende, flonkerende ding in haar snavel.

Dezen keer was er een lange pauze, als om op adem te komen. Toen kwam

de eenzame kraai weer zonder waarschuwing over het veld aanzeilen. In

een ommezien had de troep haar omringd met de duidelijke bedoeling haar

zooveel mogelijk in haar vlucht te hinderen. Ze klapwiekten haar in

't gezicht, ze vlogen zigzagsgewijs voor haar heen, ze trachtten haar

op den rug te gaan zitten. Tevergeefs draaide en dook zij en liet zij

zich vallen als een steen. Waarheen zij zich ook keerde, ontmoette

zij fladderende wieken om haar vlucht te belemmeren. Het voornaamste

doel van het spelletje was duidelijk: zij poogde het einddoel van de

dennen tegenover den noteboom te bereiken en de andere trachtten het

te voorkomen. Weer eens en nog eens werd de aanvoerder uit het oog

verloren, maar zoodra het zonlicht van 't glimmende ding dat zij droeg

fonkelde, kon hij er verzekerd van zijn dat ze hem zelfs midden in

een luidruchtige bende zouden vinden. Toen bleek de tweede bedoeling:

de kraaien poogden haar in verwarring te brengen en te maken dat zij

den talisman liet vallen.

Ze kringden snel naar de overzijde van het land en weer terug, waar

de schildwacht zat. Plotseling viel het glimmende ding, dat den grond

bereikte voordat het ontdekt werd. Drie of vier kraaien schoten er op

af en er ontstond een levendige schermutseling om zijn bezit. Midden

onder 't gevecht schoot een kleine kraai onder de strijders, en voor ze

wisten wat er aan de hand was, haastte zij zich weg naar den notelaar,

terwijl zij het begeerde kleinood zoo hoog droeg als zij 't houden kon,

als in zegepraal over haar slimmen zet.

Langzaam, onder veel gekras, streek de troep weer op de dennen

neer. Er was klaarblijkelijk een geschil, of het spel al of niet mocht

doorgaan. Alle hadden er iets over te vertellen, en er kwam geen

eind aan de protesten. Ten leste werd het in der minne geschikt en

ze namen hun plaatsen in om goed te kijken, tot de nieuwe aanvoerder

ze een gelegenheid zou geven voor een volgende jacht.

Nu kon de waarnemer niet langer twijfelen aan wat de kraaien

uitvoerden. Ze speelden eenvoudig een spelletje alsof ze schooljongens

waren, en genoten volop van de lange, vroolijke middaguren in

September. Hadden ze dat glimmende ding gevonden toen ze de weide

overstaken op weg van boer B's korenveld, en kwam het spelletje toen

vanzelf bij hen op? Of werd het spel eerst voorgesteld en de talisman

later gehaald? Elke kraai heeft een verborgen opslagplaats, waar zij

ieder glimmend ding dat zij vindt verbergt. Soms is dat een spleet in

de rotsen onder mos en varens, dan weer 't versplinterde uiteinde van

een afgebroken tak, of een verlaten uilennest in een hollen boom;

vaak een vork in een grooten den, zorgvuldig met bruine naalden

bedekt; maar waar het ook is, 't ligt er vol glimmende dingen--glas

en porselein en kralen en blik en een oude lepel en een verzilverde

gesp--en niemand dan de kraai zelf weet hoe het te vinden. Had een

kraai haar grootsten schat voor die gelegenheid voor den dag gehaald,

of was dit het ding voor hun spel, en werd het door den troep zoo

bewaard dat elke kraai er bij kon?

Dit waren een paar van de merkwaardige dingen die de waarnemer

trachtte te ontraadselen, toen hij merkte dat de notelaar leeg

was. Een flonkering tegen het donkere groen aan den overkant verried

den leider. Daar had je hem, stilletjes voortvliegend in de schaduw

om te trachten het doel te bereiken voordat ze hem zagen. Een hoonend

gekras kondigde aan dat ze hem ontdekt hadden. Toen begon de pret weer

van voren af aan, met dezelfde luidruchtigheid, dezelfde verwarring,

hetzelfde onvervalschte genot.

Toen het glimmende ding dezen keer viel, was mijn nieuwsgierigheid

om het in bezit te krijgen sterker dan mijn belangstelling in het

spelletje. Daarenboven, de appels wachtten. Ik sprong op, zoodat

de kraaien in wilde verwarring uit elkaar vlogen; maar toen ze

wegstroomden, kwam het me voor dat er nog meer van de opwinding door

het spel dan van ontsteltenis uit hun vlucht en lawaai sprak. Het

glimmende ding dat de aanvoerder droeg bleek het oor van een glazen

kopje of kannetje te zijn. Een stuk van het ding zelf was er met

het oor afgebroken, zoodat het een mooien ring vormde. Kortom,

't was juist voor het doel geschikt: glimmend en niet te zwaar en

heel handig voor een kraai om vast te pakken en te dragen. Als 't

eens was beetgegrepen zouden ze haar flink in 't nauw moeten drijven

om te maken dat zij 't liet vallen.

Wie was "'em" het eerst, zooals de kinderen onder 't spelen zeggen? Was

het een bijzonder voorrecht van de kraai die het eerst den talisman

had gevonden, of houden de kraaien er een manier op na om af te tellen

wie het eerst aanvoerder zal zijn?

Verderop aan dienzelfden, ouden, stoffigen weg staat een school. Als

ik daar speelde, zag ik vaak hoe de kraaien stilletjes van boom

tot boom trokken in het bosch er achter en naar ons spel keken--ik

twijfel er niet aan--, zooals ik nu naar het hunne had gedaan. Maar

wij zijn ouder geworden en zijn vergeten hoe te spelen, en zij zijn

nog net zulke jongens als ooit. Hebben ze hun spelletjes geleerd,

door ons te begluren als we aan 't krijgertje-spelen waren? Dat zou

'k wel eens willen weten. En kennen ze "kom-over", en "roovertje en

gendarme" en "verlos" en "kat en muis" even goed? Je zou makkelijk

gelooven dat hun verstandige, zwarte kopjes in staat waren alles na te

doen, vooral wanneer je ze een poosje bij hun spel had gadegeslagen,

als ze geen vermoeden er van hadden dat ze bespied werden.

Het Boschvolkje · 第 11 / 19 题