"Alle kraaien zijn eender", zei een wijs man, toen hij het over
politici had. Dat is volkomen waar--in het donker, maar bij daglicht
is er tusschen twee kraaien die je aantreft evenveel verschil,
in- en uitwendig, als tusschen twee van de eerste de beste mannen
of vrouwen. Ik vroeg eens aan een klein kind, dat me alles over
haar kuikentje vertelde, hoe ze het hare uit twintig net zulke uit
den koppel kende. "Hoe ik mijn kuikentje ken? Ik ken het aan zijn
gezichtje", zei ze. En werkelijk, wanneer je dat kopje nauwkeurig
bekeek, verschilde het van alle andere.
Dit gaat ongetwijfeld op voor alle dieren, vogels incluis. Ze herkennen
elkaar onmiddellijk onder een menigte van hun soortgenooten, en
wie ze zorgvuldig gadeslaat ziet evenveel eigenaardige gewoonten en
karakters onder de boschbewoners als onder andere schepselen. Het
geeft daarom niets, al ken je de kraaiengewoonten of die van het
rendier in 't algemeen ook nog zoo goed; maar bestudeer eens den
eersten den besten die je weg kruist, alsof hij een geheel vreemde
was, open je oogen om te zien en je hart om te vertolken, en je zult
stellig iets nieuws ontdekken: de een of andere eigenaardige gewoonte,
die je nooit vermeld had gevonden--om je zwerftochten tot een genot
te maken en je naar huis te doen keeren met een nieuwe belangstelling.
Dit eigen karakter van de dieren in de natuur zal misschien veel
van hun gewoonten, in dit boekje beschreven, verklaren; gewoonten,
die den lezer niet vreemder of verbazingwekkender kunnen lijken dan
den schrijver, toen hij ze 't eerst ontdekte. Ze zijn bijna geheel
aanteekeningen van persoonlijke waarneming in bosschen en velden. Af
en toe, wanneer ik mijn jager of houthakker goed kende, heb ik diens
getuigenis gebruikt, maar nooit zonder haar zorgvuldig te overwegen,
en altijd stelde ik haar, wanneer dat mogelijk was, op de proef,
door het bewuste dier dagen of weken gade te slaan, tot ik zelf zag
dat alles waar was.
De schetsen zijn bijna lukraak uit oude opschrijfboekjes en zomersche
dagboeken genomen. Er omheen verzamelt zich een heer van verwante
gedachten, van opnieuw-beleven, die het een genot hebben gemaakt ze
te schrijven; gedachten aan de wintersche bosschen, aan appelbloesems
en nestelende vogels, aan de heuvels en de rivieren in de wildernis
van Nieuw-Engeland, aan kampen en kano's, aan sneeuwschoenen en
forellenhengels, aan zonsopgang over de heuvels, als je naar boven
klom om het adelaarsnest, en aan de schemering op de gele stranden
waar de wind gierde, waar in de verre verte de branding klaagde
en vlerken snorden als riet in den wind, wanneer ze neerschoten op
lokeenden--dat alles verdrong zich gretig om me heen om herdacht te
worden, zoo al niet vermeld. De levendigste, de meest gespannen,
de 't vaakst weerkeerende van al die herinneringen is een jongen,
wiens zenuwen trillen bij de oneindige, lieflijke geheimzinnigheid
die in elk bosch ritselde, wanneer hij den roep van de winden en
van de vogels volgde, of alleen dwaalde waar zijn zin hem leidde,
die nooit de natuur bewust bestudeerde, maar haar slechts liefhad,
en die veel van deze gewoonten lang geleden ontdekte, door niets dan
zijn jongensinstinct geleid.
Wanneer ze tot andere jongens spreken als tot kameraden,
mede-ontdekkingsreizigers in de altijd nieuwe wereld, wanneer ze
kinderen gelukkige herinneringen van een gulden tijd te binnen brengen,
toen de natuur en de mensch nog niet zoo ver van elkaar stonden,
dan zal 't me nog grooter genoegen zijn ze te hebben geschreven.