Vervolg van de Geschiedenis der Kerels

De tot dan onplooibare Kerels van Vlaanderen waren nu overwonnen; hunne

machtigste beschermers, hunne natuurlijke opperhoofden, de Erembalds,

had men wreedelijk doen sterven onder het valsche voorwendsel dat zij

allen medeplichtig aan den moord van graaf Karel waren.

"Men heeft hunne verrechtvaardiging belet", zegt de geleerde abbé

Carton, "door hen uit te roeien; en dit middel was het zekerste, want de

dooden spreken niet. Toen zij nog leefden, weigerde men hen te

verhooren; zij vroegen rechters, en men gaf hun beulen[94]."

De Isegrims mochten dus tevreden zijn, want het leenheerschap zegevierde

in Vlaanderen, en zij hadden nu eenen vorst die, gansch met hunne

heerschzuchtige gedachten doordrongen, niet zou dulden dat het volk nog

ergens het hoofd ophief.

Inderdaad, Willem van Normandië begon bloedige vervolgingen in te

spannen tegen de Kerels en tegen al wie verdacht was van toegenegenheid

voor hunne zaak. Niet slechts op het platte land, maar in de steden

zelven zocht hij zijne slachtoffers: binnen Brugge alleen werden dus

honderdvijfentwintig burgers als medeplichtigen der Kerels veroordeeld.

Zich machtig genoeg wanende, om niets meer te ontzien, herstelde Willem

van Normandië den tol der dienstbaarheid, _den balfaart_, alhoewel hij

bij zijne inhuldiging plechtiglijk had gezworen dat deze gehate

belasting nimmermeer zou worden geëischt.

Hij toonde zich overigens in alle zaken van bestuur als een vorst die

beweerde naar willekeur te mogen heerschen, zonder acht te slaan op de

rechten en gebruiken van het volk.

Nauwelijks waren er eenige maanden verloopen sedert dat Willem van

Normandië de graaflijke kroon uit de handen des konings van Frankrijk

had ontvangen, of gansch Vlaanderen stond tegen hem op.

Diederik van den Elzas werd door het Vlaamsche volk tot graaf

uitgeroepen, en stelde zich aan het hoofd der opstandelingen.

Er begon een bloedige oorlog, die met wisselvallige kansen voortduurde,

totdat Willem van Normandië, bij het beleg van Aelst, door eenen burger

gewond, het leven verloor.

Diederik van den Elzas bestierde Vlaanderen gedurende bijna vijftig

jaren, in voorspoed en in vrede. Hij was de beschermer der

volksvrijheden, en liet niet alleenlijk de Kerels hunne instellingen

behouden, maar verleende tevens aan vele steden hunne eerste geschrevene

voorrechten of _keuren_. Aan hem zijn de Vlaamsche gemeenten, zoo niet

hunnen oorsprong, dan toch hunne wonderlijke ontwikkeling en hunne

latere macht verschuldigd.

Hier dient eene opmerkingswaardige bijzonderheid aangeteekend te worden,

die de nagedachtenis der Kerels den Vlamingen dierbaar moet maken. Het

zijn de Kerels die allereerst geëischt hebben dat de keuren en

stadsschriften, hen betrekkelijk, in de moedertaal, dat is te zeggen in

het Vlaamsch wierden opgesteld[95].

Wie zou beweren dat Vlaanderen het behoud zijner Germaansche volkstaal

niet grootendeels aan deze fiere Kerels is verschuldigd?

In het jaar 1204 bezat de gravin Machteld, weduwe van Philips van den

Elzas, als bijleving of _duwarie_ een groot gedeelte van Kerlingaland.

Zij wilde den vrijen bewoners drukkende belastingen opleggen, waaronder

ongetwijfeld de zoo diep gehate balfaart.

De Kerels stonden tegen haar op en er volgde een oorlog, welke Lambertus

Ardensis dus in zijne kroniek verhaalt: "daarom vergaderde Machteld een

groot leger, waarmede zij het land van Veurne en Brouckburg en het volk

aldaar meende te verwoesten en te verdelgen. Door hare woede aangevuurd,

trok zij met al hare macht op het grondgebied van Veurne; maar de

Blauwvoeten, onder bevel van zekeren Herbert van Wulveringhem, kwamen

haar te gemoet en vielen haar met zulke dapperheid aan, dat zij haar

leger overhoop sloegen en al degenen neerhakten die zich niet door eene

spoedige vlucht konden redden. Tot zooverre, dat de arme gravin niet

weinige harer lieden ternauwernood haar kasteel te Veurne kon bereiken,

van waar zij des nachts naar Duinkerke vlood[96]."

Vijf jaar later begon de oorlog opnieuw. De Kerels belegerden de stad

Berghen. Eene aanzienlijke heirkracht, onder bevel van Christiaan Van

Praet, kwam hen aanvallen. Zij verloren den slag en aanvaardden den

vrede, op zekere niet ongunstige voorwaarden welke men hun door

tusschenkomst van Arnold van Gwijnen toestond.

In 1302 waren de Kerels ongetwijfeld in groot getal naar Kortrijk

getogen, om de onafhankelijkheid van Vlaanderen tegen een overmachtig

Fransch leger te verdedigen. Dat zij aan den beruchten slag der Gulden

Sporen een aanzienlijk deel genomen hebben, blijkt uit eene oude

Vlaamsche kroniek, door ons reeds aangehaald, waarin Robert d'Artois, de

Fransche veldheer, al de Vlamingen, welke hij bij Kortrijk gereed ziet

om hem slag te leveren, Kerels noemt.

In 1322, had de graaf van Vlaanderen de stad Sluis aan zijnen oom, Jan

van Namen, gegeven. Sluis lag aan het Swin en was voor Brugge de sleutel

der zeevaart.

Jan van Namen begon den koophandel door het willekeurig heffen van

tollen te benadeelen. Daaruit ontstond eene groote ontevredenheid onder

de Bruggelingen; en, om hen tegen den verdrukker te helpen, liepen de

Kerels aller Ambachten te wapen.

Met de lieden van Brugge vereenigd, en aangevoerd door den Kerel Niklaas

Zannekin, van Lampernisse, veroverden zij de stad Sluis en namen Jan van

Namen gevangen.

Deze oorlog duurde jaren voort, met groote verwoestingen en wreedheden

van wederzijde. In den loop van het jaar 1325, voegden de Kortrijkers

zich bij den opstand en, leverden den graaf van Vlaanderen (Lodewijk van

Crecy) in handen der Kerels, die den vorst naar Brugge voerden, waar hij

langen tijd gevangen bleef.

Toen graaf Lodewijk eindelijk, op zekere voorwaarden, zijne vrijheid

bekwam, liep hij naar Frankrijk en smeekte des konings hulp af, om de

wederspannige Kerels met geweld van wapenen tot onderdanigheid te

dwingen.

Een machtig Fransch leger zakte welhaast naar Kerlingaland af. De Kerels

en hunne bondgenooten, van de komst der Franschen verwittigd, hadden

zich volgens hunne gewoonte nedergeslagen en versterkt op den

Casselberg, tusschen Yperen en St-Omaers.

Niet slechts de Fransche heirkracht hadden zij te bestrijden; de graaf

van Vlaanderen naderde met een sterk leger, dat hij op het grondgebied

van Gent en Audenaerde had verzameld; Jan van Namen kwam toegeloopen met

eene aanzienlijke hulp; Robrecht van Cassel voerde de ridders van

Vlaanderen aan.

Deze vereenigde macht was meer dan voldoende om de Kerels te verpletten.

Desniettemin lieten de onverschrokken Vlamingen den moed niet zinken;

integendeel, zij waren nog trotsch genoeg om den koning van Frankrijk

door hoonende spotwoorden uit te dagen[97].

De veldslag, die hier werd geleverd, was noodlottig voor de Kerels. Wel

vochten zij als leeuwen en deden langen tijd, door hunne wonderlijke

heldhaftigheid, de kansen wankelen; maar eindelijk bezweken zij onder de

overmacht des vijands. Meer dan dertienduizend hunner lijken overdekten

het slagveld, en getuigden door hun verbazend getal, met welke

hardnekkigheid de arme Kerels hadden gevochten[98].

Deze bloedige nederlaag moet de Kerels gedurende vele jaren machteloos

gemaakt hebben, om nog wederstand te bieden aan de leenheeren, die immer

voortijverden om de volksrechten te vernietigen.

Maar andere verdedigers vond de vrijheid welhaast in de groote steden

van Vlaanderen, welke door de nijverheid hunner inwoners eenen hoogen

trap van voorspoed en rijkdom hadden bereikt.

Elkeen in ons land kent nu de geschiedenis van Jacob Van Artevelde, en

weet, hoe onder zijne leiding de Vlaamsche gemeenten gansch Europa

verwonderden door de ontwikkeling eener tot dan ongekende volksmacht.

Maar het lag in het lot der wereld, dat de volkeren van Europa nog diep

en langdurig zouden verdrukt blijven vooraleer de verlorene vrijheid der

vaderen gedeeltelijk te herwinnen.

Toen Philips Van Artevelde, Jacobs zoon, in 1382, op het slagveld van

Roozebeke, met meer dan twintigduizend Vlamingen sneuvelde, verduisterde

de zon der onafhankelijke gemeenten, en de eeuwenheugende worsteling was

ten einde, hoe dikwijls ook vruchtelooze pogingen nog kwamen bewijzen

dat Vlaanderen het juk met ongeduld en geheime woede droeg.

Een ander tijdvak was aangebroken en eene nieuwe staatsinrichting ging

zich over de beschaafde wereld spreiden. Het leenheerschap dat berustte

op de algemeen onderschikking, bij trappen opklimmende van den slaaf

tot den vorst, was door zijne eigene grondbeginsel ondermijnd geworden.

De koningen en vorsten, instede van de onmiddellijke overheid op het

volk tusschen de leenheeren verdeeld te laten, hadden alle macht en

allen invloed op hunnen persoon samengetrokken, en dus de giftige vrucht

van het leenheerschap, de _Centralisatie_, tot rijpheid gebracht.

In de tweede helft der veertiende eeuw verviel de kroon van Vlaanderen,

door een huwelijk, op de hertogen van Bourgondië.

Van dit oogenblik af werd er door trotsche en heerschzuchtige vorsten,

ons geheel vreemd van afkomst en zeden, een openlijke strijd gevoerd

tegen de rechten, de taal en den eigen aard van het Vlaamsche volk.

De mannen der gemeenten vergoten nog hun bloed in eervolle pogingen, om

zich uit de verdrukking los te woelen; doch het lot had beslist: de

vorstelijke macht zou voortaan geene andere wet erkennen dan de

willekeur, en de _staatsreden_ zou zelfs het aangeboren menschelijk

recht verzwelgen.

Nog eens liepen de Kerels te wapen en durfden het wagen eene ongelijke

worsteling tegen het machtig huis van Bourgondië te beproeven.

De hertog Philips, spottenderwijze bijgenaamd _de Goede_, wilde den

bewoners der Ambachten nieuwe wetten opdringen, die geheel met hunne

oude rechten in strijd waren. Na eenige vruchtelooze pogingen tot

overeenkomst, besloten de Kerels uit tweeënvijftig dorpen tot den

opstand en brachten meer dan 8000 man te velde, onder bevel van Hanne

Mettenbaerde (Jan met den baard) en Arnold Kieken.

De hertog zond 5000 man tegen hen af, doch zij sloegen dit kleine leger

op de vlucht en veroverden de stad Cassel en het sterke slot Reneschure.

Over deze nederlaag zijner lieden verbolgen, bracht de hertog een zoo

machtig leger te been, dat de Kerels, overtuigd dat alle wederstand

onmogelijk was geworden, zich onderwierpen en hunne wetten volgens 's

vorsten wil lieten wijzigen[99].

Na dit tijdstip gewaagt de geschiedenis niet meer van gebeurtenissen

waarin de Kerels eene bijzondere rol vervullen. Wel bleven de Ambachten

bestaan, wel behielden de bewoners der omstreken van Brugge een eigen

bestuur; maar de weinige rechten, welke zij tot het einde der achttiende

eeuw bleven genieten, werden hun door de vorsten toegestaan en, volgens

hunne willekeur ingekort en gewijzigd.

Ziedaar de gansche geschiedenis der Kerels, van hunne eerste

verschijning op den bodem onzes vaderlands, totdat zij, evenals gansch

Europa, onder het juk der _centralisatie_ moeten buigen en, met hunne

nationale instellingen, ook hunne kenmerken als bijzonderen stam

verliezen.

Hoe is het mogelijk dat de daden en het lot van dit dapper Vlaamsch

geslacht tot voor eenige jaren ons gansch onbekend konden blijven?

Schrikkelijk, doch niet verwonderlijk!... De vijanden van het volksrecht

hebben gedurende zeshonderd jaren al hunne pogingen vereenigd, om de

nakomelingschap de voorvaderlijke vrijheidszucht en den voorvaderlijken

roem te doen vergeten. Zij hebben de verdrukte menigte der vorige eeuwen

misprijzen en verachting ingeboezemd voor de sterke mannen van

Kerlingaland en voor de heldhaftige burgers der gemeenten.

Hebben wij niet tot op onze dagen moeten wachten om in den _Wijzen man_

van Gent, in Jacob Van Artevelde, iets anders te zien dan eenen

oproerigen brouwer en overmoedigen volksleider?[100] Worstelt de

nagedachtenis van den Brusselschen martelaar Anneessens niet immer nog

tegen miskenning, twijfel of kleinachting?

Zoo insgelijks hebben zij de nagedachtenis der Kerels of geheel

uitgedoofd, of slechts verduisterd en bevlekt tot ons laten komen.

Maar wij, Vlamingen, die nu ijveren om den roem der vaderen weder uit de

verdonkerde kronieken op te graven, zouden wij niet met eerbied en

dankbaarheid de kloeke mannen van Vlaanderen gedenken, wier bloed zoo

overvloedig en eeuwen lang heeft gestroomd voor 's volks ontslaving en

voor 's lands onafhankelijkheid?

Zijn wij niet de zonen, de rechtstreeksche erfgenamen dier taaie Kerels

van Vlaanderen? En strijden wij niet, evenals zij deden, met zwakke

krachten misschien, maar toch met oud-Germaansche volharding, voor het

behoud van onzen eigen aard, van ons volksrecht en van onze moedertaal?

De Kerels van Vlaanderen · 第 79 / 85 题