Er waren vijf of zes dagen verloopen sedert den dood van Witta en van
Burchard Knap, zonder dat de Kerels op den toren eenige tijding van
buiten hadden vernomen.
De Isegrims hadden bemerkt dat er uit een huis op den hoek van den
Maalberg pijlen met brieven naar de Kerels werden geschoten Zij hadden
daarop den graankoopman Elfrid Rooster, als plichtig aan verstandhouding
met den vijand, uit zijne woning gerukt en in de gevangenis gezet.
Tevens hadden zij rondom de kerk en den burg de schildwachten verdubbeld
en doen afkondigen dat elk poorter, wapenknecht of ridder die tot de
Kerels sprak of hun eenig bericht toestuurde, de straf der landverraders
zou onderstaan.
Van dan af bleven de Kerels geheel zonder kennis van hetgeen er in de
stad of elders geschiedde.
Het verwonderde hun dat men reeds bijna gedurende eene gansche week hen
met rust had gelaten en geenen nieuwen aanval tegen hen had beproefd.
Misschien had men besloten hen van honger op den toren te laten
sterven? Dit was geheel onwaarschijnlijk. Wel bezaten de Kerels nog
eenigen voorraad aan levensbehoeften maar zij voorzagen dat deze
welhaast ontoereikend zou worden en zij hun dagelijksch voedsel moesten
verminderen, wilden zij niet door gebrek gedwongen worden zich in de
handen hunner vijanden over te leveren.
Intusschen poogden zij allerlei middelen tot de hardnekkigste
verdediging bijeen te dragen. Zelfs braken zij steenen en balken uit den
toren, om daarmede bij eenen ernstigen aanval den vijand duchtig te
treffen.
Dat de Franschen of de Isegrims langs de trap eene bestorming zouden
wagen, dit was niet te gelooven. Inderdaad, deze toegang, die als eene
kreukel binnen den toren naar de hoogte draaide, was zoo nauw dat geene
twee menschen te gelijk hem konden beklimmen Kwamen er vijanden langs
daar, dan zou het den Kerels gemakkelijk zijn ze een voor een te dooden,
naarmate hunne hoofden opvolgend uit de trapval opdaagden.
Evenwel, om tegen alle verrassing te zijn beveiligd, hadden da Kerels
den mond van de trap, waar deze zich op de gaanderij opende, met balken
en zware steenen overdekt en beladen.
Robrecht Sneloghe had nog meer dan eens, wanneer hij zich alleen binnen
den toren bevond, tranen gestort over het beklaaglijk einde zijner
zuster en ongetwijfeld tevens over het schrikkelijk lot dat zijne
verloofde te wachten stond. Maar hetzij de krachtige woorden van
Dakerlia hem moed inboezemden, of dat de onvermijdelijkheid van den dood
zelven hem tegen den rampspoed deed opstaan, hij ademde niets meer dan
wraak en hield zijne gezellen geen ander doel meer voor oogen dan hun
leven duur te verkoopen en dus de Isegrims te dwingen zelfs bij hunne
zegepraal nog de onversaagdheid en de onplooibaarheid der Kerels te
bewonderen.
Weinigen onder hen behielden nog eene zwakke hoop op verlossing Wat zou
de uitslag zijn van den eersten strijd tusschen het Fransche leger en
der Kerlen heirkracht? Wel scheen Willem Van Loo de Erembalds te haten;
maar indien hij overwinnaar bleef, zou toch de vijand Brugge verlaten,
en zij zouden zonder eenig beletsel van den toren komen en in vrijheid
naar huis gaan.
In den morgen van den zesden dag trad de veldheer Gervaas Van Praet
zelf met eenigen zijner voornaamste ridders op den burg, en deed den
Kerels door eenen wapenbode hunne overgaaf afeischen, hen bedreigende
met den schromelijksten marteldood indien zij nog langer weigerig
bleven.
De Kerels herhaalden hunne vorige voorstellen, maar wilden van geene
overgaaf op genade hooren.
Het verbitterde den veldheer ten hoogste zich dus onmachtig tegen eene
handvol mannen te gevoelen; ja, het vernederde hem te moeten denken dat
zij den toren wellicht zouden behouden tot den terugkeer des konings van
Frankrijk, die ongetwijfeld daarover zeer ontevreden zou zijn.
Zijne ridders spoorden hem aan om, in schijn ten minste, de voorwaarden
der Kerels aan te nemen; maar dezen eischten een vrijgeleide door den
veldheer onderteekend en bezegeld, en Gervaas Van Praet was te eerlijk
ridder om dus een verraad te plegen dat als eene eeuwige vlek, meende
hij, op zijnen naam zou kleven.
Terwijl hij nog daarover met zijne ridders in beraadslaging was, kwam
een overste van de Markt geloopen en zeide hem dat er een bode met eenen
brief van 's konings wege was gekomen met zeer haastig nieuws. Deze bode
wachtte hem in zijne woning.
Hij voegde er met luider stemme bij:
"Verheugt u, heeren, de koning heeft de Kerels overwonnen! Yperen is
bezweken en Willem Van Loo is in 's konings macht!"
Een groot gejuich ontstond onder de ridders; en dewijl zij den veldheer
zich zagen verwijderen, liepen zij insgelijks van den burg om de blijde
tijding overal te gaan verspreiden.
De veldheer vond des konings bode in zijne woning. Zeer nieuwsgierig,
opende hij den brief dien hij hem had gebracht. Dit schrijven behelsde
in slechts weinige woorden de aankondiging der nederlaag van Willem Van
Loo, maar meldde tevens dat de ridder Pierre de Bohain, drager des
briefs, hem verdere bijzonderheden zou doen kennen.
"Aldus, uw heer koning heeft de Kerels verwonnen? God zij dank! Ik
vreesde dat het zoo gemakkelijk niet zou gaan", zeide Gervaas Van Praet.
"Het is te Yperen dat de slag werd geleverd?"
"Ja, veldheer, te Yperen", antwoordde de bode, "maar dat het eene
gemakkelijke zaak was, daarin bedriegt gij u. Die Kerels zijn eene soort
van reuzen of van duivels: zij strijden als dolle leeuwen, en laten zich
liever tot den laatste toe doodslaan dan eenen voet te wijken.
Gelukkiglijk waren zij niet talrijk, en daarenboven, zij werden verraden
door hunne eigene landslieden."
"Verraden? Ik bid u, heer Van Bohain, heb de goedheid en vertel mij toch
hoe de gansche zaak is toegegaan."
"Het is mijne zending dit te doen, veldheer. Luister dan; ik zal pogen
kort en duidelijk te zijn. Wij waren met den koning en den graaf van
Vlaanderen opgetrokken naar het land der Kerels. Slechts omtrent een
open vlek, dat men Staden noemt, vonden wij eerst een duizendtal
vijanden, en tastten hen onmiddellijk aan met al onze macht. Het is
onbegrijpelijk welken hardnekkigen tegenstand deze lieden ons boden. Wij
moesten elk huis van Staden elke plooi des gronds, elke gracht, eiken
boom stormenderhand innemen. Het bloedig gevecht duurde tot den avond,
en het eindigde slechts toen ook de laatste dezer wilde Kerels was
verpletterd. Wij bleven daar den volgenden dag, om onze dooden te
begraven en onze gekwetsten te verzorgen; want, veldheer, wij hadden
zulke groote verliezen geleden, dat de koning een oogenblik aarzelde om
zijn leger verder te leiden in eene onbekende streek, door zulke
sterkmoedige en strijdbare lieden bewoond.--Hier kwam ons het bericht
toe dat de valsche graaf Willem Van Loo, met een weinig machtig leger,
zich voor Yperen had nedergeslagen, en voornemens was deze stad tegen
den koning te verdedigen. Het bevel tot den optocht werd ons
gegeven.--Voor Yperen hadden wij een even lang en hardnekkig gevecht te
leveren en de avondduisternis kwam zelfs ons dwingen den veldslag te
onderbreken, met de zekerheid dat de akelige bloedstorting des anderen
daags bij het opgaan der zon met meer woede nog zou beginnen."
"Die onplooibare Kerels!" zuchtte Gervaas. "Het zijn manhaftige lieden,
heer ridder, en zij zouden een beter lot verdienen, indien zij niet wars
waren van alle overheid en van allen dwang. Eilaas, waarom willen zij
zich niet onderwerpen! Nu moeten wij ze vernietigen, het sterkste en
dapperste volksras van Vlaanderen!... En den dag daarna hebt gij de
Kerels beslissend overwonnen?"
"Vooraleer ik mijn verhaal voortzet, is het noodig dat ik u iets
zegge", antwoordde de ridder Van Bohain. "Gij moet weten dat binnen
Yperen meer dan de helft der poorters, sedert den moord van graaf Karel,
vijanden der Kerels geworden zijn; want alhoewel Willem Van Loo en zijne
gezellen beweren van dezen aanslag niet te hebben geweten, blijven de
poorters denken dat Willem Van Loo en andere machtige lieden van het
land de Kerels tot den moord hebben geraden of geholpen.--Wij waren dus
in de nabijheid van Yperen gelegerd, ons voorbereidende tot den strijd
van morgen, toen eenige burgers geheimelijk tot ons kwamen en den koning
aanboden eene poort der stad en den burg in onze macht te leveren. Zij
zouden, terwijl wij de Kerels aanvielen, de wapens opnemen en dezen van
achter aanvallen, onderwijl eene poort openen en den burg, waar zij de
wacht hielden, aan de Fransche krijgsknechten overleveren.--Ofschoon wij
niet veel vertrouwen in deze lieden hadden, aanvaardden wij hunne
voorstellen. De zaken gebeurden echter zooals zij ons hadden
beloofd.--Bij de eerste morgenschemering werd de strijd hervat, en wel
gedurende twee uren met veel woede voortgezet; maar dan wierpen de
gewapende poorters zich langs achter op de Kerels; en dezen, dus van
alle kanten ingesloten en bevochten, en daarenboven afgesneden van hun
steunpunt, den burg, verzwakten allengs en bezweken eindelijk geheel, in
onze handen slechts een vijftigtal gevangenen latende, waaronder de
valsche graaf zich bevond.[85]"
"Willem Van Loo is waarlijk 's konings krijgsgevangene!"
"Ja, veldheer, gij zult hem ongetwijfeld heden nog zien."
"Voert men hem dan naar Brugge?"
"De koning komt naar Brugge met een klein gedeelte des legers. Uw graaf
Willem van Normandië zal met de meeste macht door het land der Kerels
trekken; want het schijnt dat Willem Van Loo reeds vele sterke steden
en burchten had ingenomen. Zijn onze berichten echt, dan bezetten de
Kerels Veurne, Vormezeele, Cassel, Arien, Berghe, Bodenburg en andere
vestingen nog; maar, nu hun hoofdleger is verpletterd, kunnen zij echter
geenen ernstigen tegenstand meer bieden. Het schijnt daarenboven dat er
veel verdeeldheid onder hen heerscht en zij elkander den moord van graaf
Karel verwijten."
"Maar, heer Van Bohain, indien de koning u heeft gezonden om mij zijne
komst te boodschappen, verlangt hij wellicht als overwinnaar met
plechtigheid te worden ingehaald. Ik moet daartoe in allernaast bevelen
geven en de schepenen en de geestelijkheid verwittigen."
"Neen, veldheer, dit wenscht onze koning niet. Het zal voldoende zijn,
het nieuws zijner overwinning door de stad te verkondigen Hij heeft
liever, aangezien de oorlog nog niet is geëindigd dat men het volk de
vrije uitboezeming zijner hulde en zijner blijdschap late. Wilt gij,
veldheer, met een twintigtal uwer voornaamste ridders den koning te
gemoet rijden, het zal hem genoegen doen. Geef mij nu oorlof om u te
verlaten; ik keer terug op de baan naar Yperen."
"Eenige oogenblikken!" riep Gervaas Van Praet. "Ik haast mij de noodige
bevelen te geven en mijne ridders te doen verwittigen; dan vertrek ik
met u. Gelief mij nu te volgen, heer Van Bohain; ik vraag u slechts een
klein half uur."
"Het zij zoo, ik zal mij gelukkig achten, in uw vereerend gezelschap te
reizen", antwoordde 's konings bode, terwijl hij met den veldheer de
zaal verliet.
Het nieuws van des konings overwinning en van zijnen terugkeer te Brugge
verspreidde zich met wonderlijke snelheid door de stad. Welhaast zagen
de Kerels van boven den toren hoe vele poorters, gewapend en ongewapend,
zelfs vrouwen en kinderen, van alle kanten zich naar de Steenstraat en
naar de St-Amandsstraat spoedden, ongetwijfeld om op het Zand eene of
andere plechtigheid te gaan bijwonen.
Alhoewel men uit de nevenstraten nu en dan zonderlinge teekens tot de
Kerels deed, en door de handen in de hoogte te heffen hen scheen te
beklagen of hun te willen berichten dat een groot ongeluk hen
bedreigde, verstonden zij echter niet wat men hun wilde zeggen.
In de verwachting van eenen mogelijken aanval, maakten zij hunne
werptuigen gereed en ontstaken het vuur onder de ketels met pik en olie.
Er verliep een goed gedeelte van den dag zonder dat zij werden
verontrust; ja, het was zelfs zoo stil in de stad en in den burg
geworden, alsof poorters en Isegrims meest allen buiten de vesting waren
gegaan.
Slechts toen het ongeveer twee uren na middag was, hoorden zij in de
verte een hevig bazuingeschal en daartusschen een galmend gejuich dat,
onduidelijk nog, met korte onderbrekingen over de stad weergalmde.
Dit gerucht groeide aan en naderde immer, totdat de volksvloed uit welke
schoot het opklom, zich bij den ingang der Steenstraat en op de Markt
vertoonde.
Wat dit gewoel en deze luidruchtige verwelkomingen te beduiden hadden,
konden de Kerels niet raden. Wel zagen zij eindelijk den koning van
Frankrijk, op een wit paard gezeten, van eenen prachtigen ridderstoet
omringd en door de wapenknechten en een gedeelte des volks toegejuicht;
wel bemerkten zij achter den koning eenen open wagen, waarop een ridder,
dien men hoonde en met vuisten dreigde, gebonden lag; maar de stoet, die
aan de overzijde der Markt voorbijtrok, was nog te zeer verwijdert om
hun toe te laten duidelijk te zien wat er geschiedde.
Het was hun klaarblijkend dat de toejuichingen op des konings baan
werden aangeheven door wapenknechten, schalken en mindere lieden,
waartusschen slechts weinige poorters zich bevonden. De groote
meerderheid der welhebbende of der neringdoende Bruggelingen hield zich
stil langs de huizen, en bepaalde hare betuiging bij eenen eerbiedigen
groet.
Maar telkens wanneer de koning eenige stappen voorbij was, ontstond er
onder deze poorters een afkeurend gemor, en velen waren zelfs stout
genoeg om openlijk door uitroepingen of door gebaren hunne gramschap en
hunne verontwaardiging te betuigen.
De oorzaak dezer ontevredenheid wae, dat Rambold Tancmar en andere
neven of magen van den hofraadsheer, die met graaf Karel was vermoord
geworden, den koning volgden. Tot nu toe had geen hunner binnen Brugge
zich durven vertoonen; maar sedert de nederlaag van het Kerlenleger
vreesden zij niets meer, en tergden nu zelfs de verbitterde poorters
door spottende blikken en hoogmoedig lachen.
Zoo trok de stoet, bij den klank van bazuinen en trompers, nevens de
St-Christoffelskapelle voorbij, en begaf zich naar den Maalberg, alsof
des konings doel ware geweest de Kerels van boven den toren zijnen
zegevierenden intocht te doen aanschouwen.
Op den Maalberg hield de stoet stil, en men voerde, met een bepaald
inzicht ongetwijfeld, den open wagen zoo dicht mogelijk naar den toren.
De ridder, die op den wagen gebonden lag, woelde zich om en wrong zijne
leden, als wierd hij door de stuiptrekking eener vurige woede geschokt.
Zoo geraakte hij half opgericht en schreeuwde met eene machtige stem tot
de Kerels:
"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars, gij hebt Kerlingaland en mij in
het verderf gestort! Wees vermaledijd!"
Dan herkenden de Kerels in den gevangen ridder Willem Van Loo, dien zij
te Veurne in de Hoop tot graaf van Vlaanderen hadden gekozen.
Hij lag gebonden op eenen wagen en werd in eenen zegevierenden optocht,
ter eere des konings van Frankrijk, rondgevoerd! Het Kerlenleger was dus
overwonnen; niet alleen was alle hoop op behoudenis des levens hun
ontnomen, maar zelfs hun vaderland was verloren!
Deze overtuiging trof hen met zulken diepen angst, dat zij in den eerste
geene acht op des ridders woorden gaven; maar dewijl hij zijne
beschuldiging meer dan eens herhaalde, ontvlamden zij in toorn en riepen
hem toe:
"De lafaard, de verrader zijt gij, valsche ridder, die den moord des
graven hebt bevolen, en dan den onschuldigen proost van St-Donaas hebt
doen martelen en ons zonder hulp hebt gelaten, om de wereld te doen
gelooven dat gij vreemd waart aan de misdaad! Ja, de gruwelijke moord,
door Burchard Knap gepleegd, is de oorzaak van Gods toorn tegen ons
geslacht; maar gij, gij hebt den wreeden arm van Burchard bestierd ...
Wees vermaledijd, valschaard, vermaledijd tot in den dood!"
Misschien verstond Willem Van Loo de bittere verwijten niet welke de
Kerels hem toestuurden; want zij spraken verscheidene te gelijk, en
daarenboven was reeds de wagen omgewend geworden en voerde men hem nu
verder het plein op, om hem buiten het bereik van der Kerlen pijlen te
stellen.
Intusschen had de koning zijn gevolg van ridders en wapenknechten den
ruststand bevolen, en was zelf van paard gestegen, om van zoo dichtbij
als mogelijk de kerk en den toren te bezichtigen.
Hij deed nu eenige stappen vooruit met den veldheer der Isegrims en met
Baudewijn Van Aelst, die zich gereed hielden om hem desnoods de
uitleggingen te geven, welke hij zou kunnen verlangen.
Eene wijl bleef de koning in stilte naar den toren blikken. Dan, zich
tot Gervaas Van Praet wendende, vroeg hij:
"Men heeft mij daar straks gezegd dat zij nog wel met hun honderd
daarboven zijn? Zij schijnen mij zoo talrijk niet!"
"Uwe gissing is gegrond, heer koning", antwoordde de veldheer "zij
kunnen, volgens de nauwste berekening, niet meer boven de vijftig sterk
zijn. Maar wanneer onze mannen, om hen te verontrusten, eenen aanval
veinzen, weren zij zich zoo hardnekkig en zoo krachtig, dat men
inderdaad wel zou denken dat zij nog met honderden te zamen zijn."
"En zij dooden u vele mannen?"
"Ja, heer koning, zij deden ons aanzienlijke verliezen onderstaan Daarom
hebben wij, sedert eenige dagen, van alle vijandelijkheid tegen hen
afgezien, totdat wij uwe hooge bevelen mochten ontvangen."
"Het zijn dus verwoede, zinnelooze lieden, die Kerels? Wat hopen zij?"
Mher Gervaas haalde twijfelend de schouders op.
"Maar, veldheer", zeide de koning, op eenigszins strengen toon, "het is
u mogelijk geweest de kerk en de kapelle stormenderhand te winnen.
Waarom hebt gij niets tegen den toren beproefd? Mij dunkt het
gemakkelijk deze handvol uitgeputte mannen met geweld van daarboven af
te rukken."
[Illustratie: "Moordenaars, vuige, laffe moordenaars!" (Bladz. 479.)]
"Veroorlove mij de heer koning hem eenige uitleggingen over den toestand
der zaken te geven", antwoordde de veldheer. "Men kan de gaanderij van
den toren niet bereiken dan langs eenen wenteltrap die zoo nauw is dat
men haar man voor man moet beklimmen. De heer koning begrijpt dat bij
eenen aanval langs dezen weg de Kerels den tijd zouden hebben om
duizenden ridders en wapenknechten opvolgend het hoofd te klooven of den
hals af te snijden ... Beter dunkt het mij onze vijanden daarboven van
honger en gebrek te laten bezwijken, dan nutteloos zoovele dierbare
menschenlevens op te offeren."
"Maar zij willen zich overgeven", bemerkte Baudewijn Van Aalst.
"Ja, op voorwaarde dat men hun het leven laat behouden", antwoordde de
veldheer.
"Welnu, waarom aanvaardt gij dit niet?" vroeg de koning; "gij hebt mij
daar straks gezegd dat de moordenaar des graven dood is en men zijn lijk
door de straten heeft gesleurd totdat het ontkennelijk geworden was."
"Maar, heer koning, wij, ridders van Vlaanderen, hebben gezworen dat
geen enkele Erembald,--dit is het geslacht waaraan de moordenaar
toebehoort,--genade des levens zou bekomen. Daarenboven op den toren
bevinden zich nog Erembalds; onder anderen de rijkste en machtigste
Kerel, Robrecht Sneloghe. Gelieve de heer koning zich te herinneren dat
onze nieuwe graaf Willem van Normandië beloofd heeft de groote
grondbezittingen van dezen Kerel tot belooning aan de Vlaamsche ridders
uit te deelen. Werd Robrecht Sneloghe gespaard, de vervulling van des
graven belofte wierd onmogelijk. Daarenboven, deze jonge ridder Robrecht
is onder de Kerels zeer geacht en bemind; hij zou onfeilbaar door hen
tot opperhoofd worden gekozen; en nauwelijks zou onze graaf Willem bezit
van den troon genomen hebben, of een nieuwe en misschien gevaarlijkere
opstand zou hem bedreigen."
"Ware het mijne zaak", zeide Baudewijn Van Aelst, "ik zou er spoedig
mede gedaan hebben!"
"Door welk middel?" vroeg de koning.
"Het is door de goddelijke en menschelijke wetten toegelaten verraders
te verraden. Men aanvaarde hunne voorstellen ... en zoohaast ze beneden
komen, vatte men de schelmen aan en brenge ze ter dood!"
"Aan zulk bedrog weiger ik deel te nemen", morde de veldheer "Men zal
van mij niet verhalen dat ik, aan het hoofd van een machtig leger
staande, vijftig ellendige vijanden door list en valschheid heb verrast
en doen vermoorden!"
"Gij hebt gelijk zoo teergevoelig op uwe krijgseer te zijn", viel de
koning met ongeduld uit, "maar het is eene even groote schande voor u,
veldheer, en voor mij, koning van Frankrijk, dat wij met twee legers
voor dezen toren staan en gedurende dagen en weken onmachtig zouden
blijven om vijftig ellendige vijanden, zooals gij hen noemt, in handen
te krijgen."
De veldheer boog het hoofd en zweeg.
"Indien wij het klooster en de kerk in brand deden steken?" mompelde de
vorst. "De dolle Kerels zouden zich overgeven of door het vuur worden
vernield?"
"O, heer koning, denk daar niet aan!" zeide Gervaas Van Praet, schier
smeekende. "De Bruggelingen zouden hun bloed vergieten om den oudsten
tempel hunner stad te verdedigen of zijne verdelging te wreken. Ook de
geestelijkheid van Vlaanderen zou dit verlies als een schrikkelijk
onheil beklagen."
"Maar, veldheer, ik wil niet dat de Kerels nog langer van daarboven mij
en mijne ridders blijven hoonen! Er moet een middel zijn om een einde
aan hunne trotschheid te stellen. Al moest ik den toren omverre werpen,
zij zullen er af voordat de week verloopen zij! Mijne gewerkmeesters en
mijngravers zijn ongelukkiglijk in het leger met Willem van Normandië.
Zonder dit toeval ..."
"Dat de heer koning zich daarom niet bedroeve", zeide Baudewijn Van
Aelst. "Onder de lieden van Gent zijn behendige gewerkmeesters, een
onder anderen, meester Arnold, die om zijne spitsvondigheid befaamd is
door geheel Vlaanderen en tot in Duitschland toe."
De koning wendde zich om en deed een teeken tot de oversten die op zijn
bevel stonden te wachten.
Eene groote beweging liet zich oogenblikkelijk tusschen de ridders en
wapenknechten opmerken. Ieder steeg te paard of schikte zich in zijn
gelid.
Insgelijks naar zijn paard stappende, vroeg de koning aan mher Van
Praet:
"Veldheer, heeft men nu eene betere herberg voor mij doen bereiden?"
"Ja, heer koning", was het antwoord, "De schepenen hebben eene woning
als een paleis in gereedheid gebracht. Zij is niet verre van de Markt
gelegen en men noemt ze sher Gherwijns Steen."
"Het is wel, veldheer; heb de goedheid te bevelen dat men dezen namiddag
den Gentschen gewerkmeester Arnold tot mij leide. Ik wil met hem
spreken."
Onder het uiten dezer laatste woorden was hij te paard gestegen. Hij
gaf nog een sein met de hand; de bazuinen werden aangeheven, de stoet
bewoog zich en zakte den Maalberg af.
De Kerels keken hem zwijgend achterna, totdat hij voorbij de
St-Janskapelle uit hun gezicht verdween.
Dan begonnen zij onder elkander over de waarschijnlijke nederlaag van
het leger der Kerels en over de gevangenneming van Willem Van Loo te
kouten. Hun lot was schrikkelijk, geene de minste hoop bleef hun over.
Had God waarlijk hen vervloekt en tot eenen ijselijken dood gedoemd, om
voor den moord des graven te boeten? Volgens de wetten en gebruiken der
Kerels waren alle magen en vrienden van eenen moordenaar mede
verantwoordelijk voor de misdaad. Zij vroegen in zich zelven, waarom het
daarboven in den hemel met insgelijks zoo zou zijn. Ja, er was niet aan
het hoogere vonnis te ontsnappen; zij zouden sterven tot den laatste
toe!
In den eerste versomberde deze mistroostige overweging hunne gemoederen;
maar welhaast stonden zij weder met nieuwe hardnekkigheid uit de
hopeloosheid op en maanden elkander aan om geen het minste teeken van
zwakheid te geven en als onversaagde mannen te volharden, tot onder het
zwaard des vijands zelven, opdat hun dood getuigenis gave van der Kerlen
onverwinbaren heldenmoed.
Daar hoorden zij onverwachts weder bazuingeschal hergalmen, en zagen van
den kant der Markt een tiental ridders en eene bende wapenknechten door
de Hofstraat den burg naderen. De standaard, die men voor de
bazuinblazers hield opgeheven, verklaarde hun wie deze lieden waren.
Inderdaad, de standaard droeg de wapenteekens der Tancmars, Het
geslachtszinnebeeld van de bloedvijanden der Erembalds!
Wat kwamen deze booze vervolgers der Kerels op den burg doen? Ha, indien
zij tot onder het bereik der pijlen durfden naderen, met welke vreugd
zouden Robrecht en zijne gezellen de vernedering van Kerlingaland op hen
wreken!
Maar de Tancmars keerden ter rechterzijde en gingen achter den
opgeworpen dam tot bij de Hoogpoort. Hier traden zij met hunne
wapenknechten in de gebouwen van het klooster.
Vele poorters hadden hen tot daar gevolgd, onder het uitspreken van
afkeurende woorden en zelfs met dreigende gebaren; maar de Tancmars,
zich door 's konings bescherming sterk wanende, hadden nu en dan de
verbitterde poorters door de wapenknechten doen terugdrijven, zonder
eenige acht op hunne vijandige houding te slaan.
Terwijl de volkshoop steeds voor het klooster aangroeide en men elkander
tegen Rambold aanhitste, als zijnde hij de oorzaak van des graven
beklaaglijken dood, werd eensklaps de standaard der Tancmars uit het
bovenste venster van den gevel der proostdij gestoken.
Dan begrepen de poorters en tevens de Kerels boven op den toren wat er
geschiedde: de Tancmars namen bezit van de proostdij als van hunnen
eigendom. Had de koning hun dit toegelaten of was het enkel eene daad
van zwetserij en overmoed?
De Kerels toonden de gebalde vuisten en deden de lucht onder hunne
verontwaardigingskreten weergalmen; de poorters morden en schreeuwden,
en wierpen de Tancmars scheldwoorden toe.
Dan verscheen Rambold Tancmar voor de deur des kloosters en gebood
zijnen wapenlieden deze grove, vermetele lieden met geweld uiteen te
drijven.
Het volk week morrend achteruit. Een enkel poorter weigerde eenen voet
te verzetten, en kwetste zelfs een der wapenknechten met zijn mes. Hij
werd doorstoken en viel neder in zijn bloed.
Toen de andere poorters dit zagen, vloden zij allen met groot gekerm van
den burg en liepen op de Markt en door de straten, met de handen in de
hoogte, schreeuwende:
"Wacharm! Wacharm! De Tancmars zijn in de proostdij! Zij hebben den
beenhouwer Han Bout vermoord! Harop, harop!"
Op dit oogenblik keerden juist de Bruggelingen, die des konings stoet
gevolgd hadden, naar hunne woningen terug; de straten krielden van volk,
dat eveneens als de vluchtelingen van den burg: "Wee! Wee! Wacharm!
Harop! Harop! Harop!" begon te roepen.
Zoo weergalmde onmiddellijk de gansche stad van den honderdmaal
herhaalden noodkreet, en weinig tijds daarna stroomden van alle kanten
gewapende poorters en ambachtslieden te zamen op de Markt, rondom de
standaarden der neringen en der gilden.
Men zou gezegd hebben dat deze lieden elkander lang op voorhand verstaan
hadden, om op dezen dag allen te gelijk onder de wapens te komen. Het
was echter niet zoo. Hun haat tegen de Tancmars was alleen de oorzaak
dezer eensgezindheid. Zoolang de Kerels machtig waren en konden laten
hopen dat zij zich zelven zouden verdedigen, hadden de meeste poorters
het inwendig goedgekeurd, dat men tegen hen wraak name over des graven
moord; maar nu de Kerels voor goed waren bezweken, gevoelden de poorters
dat zij voortaan hunne vrijheden alleen en zonder hulp tegen de
dwingelandij en de verdrukking der leenheeren zouden te verdedigen
hebben en waarschijnlijk in deze ongelijke worsteling zouden bezwijken.
Zij waren door het gevoel van dit gevaar verbitterd. Tegen den koning en
tegen het ridderleger konden zij niets. De Tancmars, welken zij reeds
sedert jaren eenen diepen haat hadden toegedragen, boden zich nu van
zelven tot doel hunner gramschap aan.
Nauwelijks waren zij op de Markt ten getalle van eenige honderden te
zamen, of zij liepen naar den burg en bestormden daar de deur van het
klooster, en schoten de wapenknechten neder, evenals in eenen waren
oorlog.
De Kerels, van boven de toren, zagen niet alleen dit gevecht, maar
bemerkten nog met groote vreugde hoe uit al de straten der stad een
ontelbare vloed gewapende poorters naar den burg kwam gestroomd. In de
meening dat het Brugsche volk, tegen de Franschen en tegen de Isegrims
in opstand was gekomen, om hen te verlossen, moedigden zij de
strijdenden aan en riepen zelfs de poorters bij hunnen naam, hen met
vurige woorden tegen de Tancmars en tegen de wapenknechten ophitsende.
Eensklaps verscheen de veldheer Gervaas Van Praet met eenige Vlaamsche
ridders op den burg. Zonder acht te slaan op het gevaar, wierp hij zich
met zijne gezellen voor de poort van het klooster en bezwoer, schier met
tranen in de oogen, de poorters deze bloedige worsteling te staken. Wat
was de oorzaak dezer beroerte? Wat eischten zij? Men zou hun bevrediging
geven.
Door de woede van den strijd verhit, wilden de poorters in den eerste op
zijne stem niet luisteren, en dreigden zelfs den veldheer en zijne
ridders te doorsteken, indien hij de booze en verfoeilijke Tancmars
tegen hunne woede wilde beschermen; maar eindelijk toch bedaarde het
gewoel en geschreeuw een weinig, en dan traden eenige oversten der
neringen vooruit, om den veldheer de eischen der poorters te doen
begrijpen.
"Mher Van Praet", zeide een hunner, nog zeer door toorn ontsteld, "de
Tancmars zijn de schuld van des graven ellendigen dood en van al de
ongelukken die ons arm Vlaanderen daarom bedreigen. Zij hebben
onophoudelijk den vorst aangeraden den Kerels en tevens den poorters der
steden hunne vrijheden te ontnemen. Wanneer alles rustig was, en wij den
vorst over onzen vrede en onzen voorspoed zegenden, dan waren de
Tancmars nacht en dag er op bedacht om door listen en lagen de
Erembalds, de Kerels en de poorters te verbitteren, en zoo 's lands rust
te storen. Zij hebben den graaf verleid tot onrecht en verdrukking en
zij zijn dus de ware moordenaars van onzen armen vorst ..."
"Wat wilt gij van hen?" vroeg de veldheer verschrikt, "gij eischt toch
hun leven niet?"
"Ja, ja, hun leven!" kreet de menigte.
"Maar het is onmogelijk, vrienden", zeide de veldheer treurig. "Gij
dwaalt. Vergeet niet dat de koning van Frankrijk te Brugge is, en dat ik
een machtig leger tot mijne beschikking heb. Wilt gij mij dan dwingen u
allen te vermoorden? Ach, ik bid u, bedaart en weest redelijk!"
"Neen, neen, veldheer", hernam de overste, die eerst gesproken had, "het
leven van deze booze vijanden des volks eischen wij niet. Zij zijn met
uitdagenden overmoed in Brugge verschenen, hebben bezit der proostdij
genomen en eenen poorter doen doorsteken ..."
"Een wapenknecht, die zich verdedigde; het is een ongeluk!" mompelde
Gervaas.
"Inderdaad; maar wij willen niet vernederd of getergd worden door
degenen die de schuld zijn van des graven dood. Wij eischen dat de
Tancmars oogenblikkenlijk niet alleen den burg, maar onze stad verlaten.
En geeft men ons niet zonder uitstel deze bevrediging dan geschiede wat
kan, zij geraken niet levend uit onze handen!"
De veldheer verzocht den poorters eene wijl zijn antwoord te wachten, en
trad in het klooster.
Toen hij terugkwam, zeide hij tot den overste:
"Ik zal de Tancmars gebieden de stad Brugge te verlaten. Stemt gij toe
om hun met hunne wapenknechten eenen vrijen doorgang te bieden?"
"Wij stemmen toe", was het antwoord.
"Maar zult gij hen niet volgen?"
"Tot bij de stadspoort, ja."
"En niet er buiten?"
"Neen, niet daarbuiten."
"Gaat dan achteruit en laat ons den weg vrij!"
De oversten der neringen en gilden dreven hunne mannen terug en spanden
al hunne pogingen in, om hen tot bedaren te brengen. Meer dan de
verwijdering, om zoo te zeggen de ballingschap der Tancmars konden zij
nu niet eischen. Was hier noch bedrog noch list in het spel, en schonk
men de poorterij deze bevrediging, dan moesten zij zich stilhouden en
geene reden geven tot nuttelooze bloedstorting.[86]
De Tancmars, beschaamd en verschrikt, kwamen uit het klooster en
schikten zich elk tusschen twee ridders, om tegen de woede des volks
beveiligd te zijn.
Men leidde hen over de Markt, in de richting der Bouverypoort.
Wel werden zij onderwege nog met scheldwoorden en dreigende gebaren
bejegend, maar toen het volk hen ter poort had zien uitstappen, en van
op de vestingen hen eene wijl had achternagekeken ging elkeen juichend
en bevredigd naar huis.