En overvloediger nog stroomden hem de tranen langs de wangen

Dakerlia, niet min ontsteld en door droefheid verpletterd, poogde

evenwel hem nog te troosten. Hij scheen haar niet te hooren en bleef in

stomme hopeloosheid verslonden, totdat zij eindelijk, als laatste

toevlucht, zijne mannelijke fierheid aanriep en hem deed begrijpen dat

het gezicht zijner tranen de Kerels verschrikte en hun den moed geheel

zou benemen.

Hetzij de storm zijner smart een weinig was bedaard of dat hij eenige

schaamte gevoelde over zijne weekhartigheid, hij luisterde naar de

liefderijke vermaningen van Dakerlia, stond op, vatte haar de hand en

stapte met haar in den toren, om daar in eenzaamheid zijne tranen te

verbergen en zonder stoornis den dood zijner zuster te betreuren.

Onderwijl waren de meeste Kerels bij het lijk van Burchard gebleven, en

hadden hem helm en harnas ontgespt en hem de hand op het hart gehouden,

om zich te verzekeren dat geen spoor van leven meer in hem overbleef.

Dan zeide Ivo-de-wolvenjager tot hen:

"Hij is dood, gansch dood!--Hij is het die graaf Karel heeft vermoord.

Geen onzer heeft werkelijk deel aan deze misdaad genomen. De gezellen,

die Burchard tot den noodlottigen slag hebben geholpen, zijn allen

gesneuveld. De Isegrims wilden ons martelen alleenlijk omdat mher

Burchard zich met ons bevond. Laat ons nu den wapenbode den dood van den

moordenaar melden; en wellicht zullen de Isegrims ons dan gunstige

voorwaarden tot onze overgaaf toestaan."

Eenigen morden tegen dit voorstel; maar de meesten keurden het goed.

Ivo-de-wolvenjager stapte naar den zuiderkant der gaanderij en riep uit

al zijne macht tot de ridders:

"Heeren, onder ons allen bleef nog slechts één man die schuldig was aan

des graven moord, namelijk Burchard Knap. Ik maak u kond dat hij niet

meer leeft; Robrecht Sneloghe heeft hem daareven in eenen kamp gedood!"

Een gemompel van verbaasdheid of van twijfel ontstond tusschen de

ridders.

"Wij willen ons in uwe handen overgeven", zeide Ivo, "op de voorwaarden

welke daar straks door mher Sneloghe, onzen overste, u zijn bekend

gemaakt. Wij zijn niet plichtig en zullen onze onschuld voor de rechters

bewijzen."

"Het is eene list! Gij poogt ons te bedriegen! De moordenaar van graaf

Karel is niet dood!" riep men verwardelijk van alle kanten hem toe.

"Welnu, heeren, gij zult overtuigd worden van de waarheid mijner

woorden", riep Ivo. "Wij gaan het lijk van Burchard tot u aflaten. Doe

het bezichtigen door ridders die Burchard in zijn leven hebben gekend.

Beraadslaagt dan over bet besluit dat gij ten onzen opzichte wilt nemen.

Wij wachten uw antwoord met vertrouwen."

Hij trad terug op de gaanderij en haalde een lang touw, zooals er vele

in de nabijheid gereed lagen. Door zijne makkers geholpen, bond hij het

einde aan Burchards lijk en droeg dit op den boord der ganderij.

"Geeft acht, heeren", riep hij, "daar daalt het doode lichaam van

Burchard Knap tot u af!"

En onder het uitspreken dezer verwittiging, lieten zij hunnen last tot

op het plein van den burg nederzakken, en wierpen zelfs het touw naar

beneden.

Onmiddellijk stroomde eene menigte ridders, poorters en wapenknechten

naar den voet des torens om eenen blik te werpen op het lijk van den

booswicht, wiens misdadige handen graaf Karel voor Gods altaar het hoofd

hadden gekloofd.

Langen tijd heerschte daar een verward gewoel en gedrang en tevens een

schaterend gedruisch, waaruit men niets duidelijks hoorde opgaan dan de

kreten:

"Hij is het! Ik ken hem. Hij is het niet! Zij willen ons bedriegen. Het

is een Kerel die hem gelijkt. Zeker, het is de barsche, de wreede

Burchard wel![84]"

Maar wat ook het gevoelen was, dat hier de bovenhand behield, niet lang

bleef de menigte zoo twisten. Welhaast begonnen poorters en

wapenknechten hunnen haat en hunne wraakzucht op het lijk te koelen. Zij

doorstaken het eerst met honderd wonden, en traden het met de voeten,

totdat eene machtige stem zich verhief en uitriep:

"Naar het galgeveld, de moordenaar! Op het rad het kreng! Naar de galg

het monster, naar de galg! naar de galg!"

En op zijn voorbeeld grepen eene menigte lieden het touw aan, sleepten

juichend en schreeuwend het lijk over het plein, stroomden als een

rollende vloed er mede door de Hof straat en verdwenen achter den hoek

der Markt.

Er kwam dan weder eene betrekkelijke stilte op den burg.

Ivo-de-wolvenjager zag van boven de gaanderij dat de oversten der

Isegrims onder elkander beraadslaagden, en hij twijfelde niet of zij

waren bezig met de voorstellen der Kerels te overwegen.

Na eenigen tijd te hebben gewacht, riep hij:

"Welnu, heeren, wat is uw besluit? Geeft ons een antwoord?"

De ridders gingen uiteen. Velen hunner schreeuwden tot de Kerels:

"Sterven, sterven! voor u allen niets dan de dood!"

Onmiddellijk klonken eenige bazuintonen en galmde de stem van mher

Gervaas bevelend over het plein.

De duizenden wapenknechten spanden hunne bogen en een oogenblik daarna

vlogen zoovele pijlen naar den toren, dat de lucht als door eene wolk

werd verduisterd.

Dewijl de Kerels het inzicht des vijands hadden bemerkt, konden zij zich

intijds achter de kanteelen der gaanderij verbergen, en zoo kwam het dat

buiten eenen Kerel, die eene wonde aan de wang bekwam, niemand hunner

werd getroffen.

Zij hielden zich reeds lang op deze wijze schuil, en de vijand ging nog

immer voort met schieten, zonder dat de Kerels er op bedacht waren

eenige tegenweer te bieden.

Dan trad Robrecht Sneloghe op de gaanderij. Hij scheen kalm en er

fonkelde eene genster van trotschheid in zijne oogen, alhoewel zijn

aangezicht nog de sporen van gestorte tranen toonde.

Hij wierp eenen blik over het plein en riep dan met eene bittere grijns

op de lippen tot zijne gezellen:

"Op, Kerels! Zijn wij waarlijk veroordeeld tot den dood, sterven wij ten

minste gewroken! Welke gunstige gelegenheid! Eisenen wij van deze wreede

beulen den prijs van den akeligen dood mijner zuster, den prijs van

onzer broederen bloed! Haastig, pijlen, steenen, kokende olie! Zij zijn

onverbiddelijk voor ons: geene genade meer voor hen!"

En het voorbeeld bij het woord voegende, slingerde hij eenen zwaren

steen naar beneden en verpletterde eenen ridder het hoofd.

Zijne mannen sprongen allen te gelijk recht en schoten pijlen en smeten

steenen met razende woede en overspannen kracht. De vrouwen zelven

kwamen vooruit en sproeiden, met groote ijzeren lepels, vlammend pik en

olie over het plein.

In min dan eenige oogenblikken lagen er vele poorters, wapenknechten en

ridders met verpletterd hoofd, verbrande leden of doorboorde borst ten

gronde.

De veldheer Gervaas Van Praet, die zich niet op zulke moorddadige

tegenweer had verwacht, schrikte bij de gedachte dat hij hier nutteloos

een aanzienlijk getal mannen zou verliezen. Hij deed de bazuin aanheffen

en den aftocht blazen.

De wapenknechten liepen te zamen en weken schier in wanorde door de

Hofstraat.

Eene wijl daarna was het op den burg zoo stil als ware er niets

geschied.

De Kerels van Vlaanderen · 第 71 / 85 题