XXIV

Er gloeide in Robrechts hart een diepe haat tegen den moordenaar

Burchard, die, wel zeker de oorzaak van al hunne ongelukken zijnde,

echter boos genoeg was geweest om de schuld op zijnen armen oom Bertulf

te leggen en hem zelfs na zijnen ijselijken marteldood nog te hoonen.

Van zijnen kant, was Burchard zoo verbolgen dat hij geenen blik op mher

Sneloghe of op Dakerlia kon werpen, of hij sidderde van woede en

wraakzucht.

Zij hadden op den toren nog hevige verwijten en uitdagingen gewisseld;

maar de krachtdadige tusschenkomst hunner gezellen en de zekerheid dat

zij bij het eerste morgenlicht weder zouden worden aangevallen, brachten

hen, in schijn ten minste, tot bedaren.

Te zamen konden zij evenwel niet blijven; want bij het minste woord

zouden zij elkander aan het lijf willen, en dan werden de Kerels

blootgesteld aan het gevaar van elkander in eenen gruwelijken

broederstrijd te vernielen.

Het verlies van den kastelein liet de Kerels zonder opperhoofd. Wie zou

nu over hen gebieden? Robrecht? Burchard? Geen van beiden zou de bevelen

van den anderen aanvaarden. Ja, zij konden elkander niet meer naderen

zonder in gramschap te ontvlammen.

Toen de dag reeds lang was aangebroken en men geene beweging onder de

vijanden opmerkte, brachten de algemene vermoeidheid en de nood tot

rusten, als van zelf de oplossing van het lastig raadsel.

Op den toren der kerk waren twee gaanderijen. De laagste was groot en

breed; de opperste, die wel vijftig voet boven de eerste was verheven,

had eenen minderen omvang. Zoo was insgelijks het binnenste van den

toren in twee verdiepen gedeeld, welke ruimte genoeg aanboden om zoo

weinig menschen tot woning te verstrekken.

Burchard, met een twaalftal Houtkerels, die uit plichtgevoel hem nog

bijbleven, klom naarboven en nam bezit van de opperste gaanderij. Hij

zou tot de verdediging medewerken zonder echter iemands bevel te

erkennen.

Opmerkelijk was het,--en Burchard bevond het nu met spijt en

schrik,---dat van al de Houtkerels die op den morgen van den moord met

hem in de kerk geslopen waren, geen enkele meer op den toren was. Allen

waren gesneuveld of gevangen.

De overige mannen bleven met Robrecht op de groote gaanderij waar zij,

binnen den toren, in allernaast met planken en tapijten eene soort van

kamer timmerden, om den drie vrouwen eene behoorlijke slaapstede te

bezorgen.

Na langs de vier zijden des torens schildwachten te hebben gezet, met

den last bij den minsten schijn van aanval hen door den Harop-kreet te

wekken, gingen de overige Kerels binnen den toren en legden, zoo zij

best konden, zich hier of daar ter rust.

Van de hoogte waarop zij stonden zagen de schildwachten over de gansche

stad heen en niets van alwat op de Markt, op den Maalberg of in de

naastbijgelegene straten gebeurde, kon hunne aandacht ontsnappen.

Wel bespeurden zij dien ganschen morgen eene groote beweging van

poorters en wapenknechten in de stad; maar dezen volgden allen de

richting naar St-Salvators, alsof zij daar eenen plechtigen kerkdienst

gingen bijwonen.

De Kerels van Vlaanderen · 第 69 / 85 题