XXII

Den dag Na de ontsnapping van den ouden Bertulf hadden de Kerels, van op

de wallen der proostdij, eene ongemeene beweging van poorters, ridders

en wapenknechten in de stad opgemerkt. Terzelfder tijd hadden zij verre

bazuingeschal en dof gedruis gehoord, als van reizende legerbenden.

Zij meenden te mogen vermoeden dat Willem Van Loo met zijne heirkracht

de stad was genaderd, en de Isegrims buiten Brugge togen om hem te gaan

bestrijden.

Hunne dwaling desaangaande duurde echter niet lang. Zij telden vele

vrienden onder de poorters van Brugge, zelfs onder degenen die, door

Gervaas Van Praet gedwongen, nu met de Isegrims hen bestreden. Dezen,

uit eigen beweging of door Jan Haring en Elfried Rooster er toe

aangespoord, schoten hun zeer dikwijls pijlen met geheime berichten toe.

Zoo vernamen zij al spoedig dat de koning van Frankrijk en Willem van

Normandië, met de voorhoede van hun leger, te Brugge waren aangekomen,

en men poorters en ridders buiten de stadsvesten op het Zand had doen

vergaderen, om den koning en den nieuwen graaf hulde te bewijzen en

trouw te zweren[79].

Men zeide hun insgelijks dat men de bestorminng der proostdij had

uitgesteld om het Fransche leger af te wachten; maar dat men nu, binnen

weinige dagen, eenen geweldigen en waarschijnlijk beslissenden aanval

zou doen.

Deze berichten onstelden de Kerels niet zeer. Vanwege Walter Van Lillers

was hun een bericht toegekomen, waardoor men hun de verzekering had

gegeven dat de proost behouden buiten de stad was geraakt en zijne reis

naar Yperen in volle vrijheid had begonnen.

Bertulf was diensvolgens ongetwijfeld op dit oogenblik reeds in

tegenwoordigheid van Willem Van Loo, en zij mochten hopen dat het groote

Kerlenleger morgen of overmorgen voor Brugge zou verschijnen.

In alle geval, zij waren bereid om de bestorming moedig en hardnekkig af

te slaan, en dus de proostdij en de kerk tot de komst van Willem Van Loo

te behouden. Wel waren zij niet meer boven de tweehonderd man sterk;

maar dewijl de genaakbare plaatsen van den muur niet veel

uitgestrektheid hadden, waren zij talrijk genoeg om eenen voor den

vijand vreeselijken tegenstand te bieden.

Dien dag hadden zij tot den avond op de wallen gestaan, en zij hadden

gedeeltelijk zelfs den gansehen nacht gewaakt; maar de vijand had zich

niet vertoond.

Nauwelijks was echter de zon boven den gezichteinder gerezen of alles

voorzeide hun dat zij dien dag eene algemeene bestorming zouden te

doorstaan hebben.

Inderdaad, er kwam allengs eene ongewone bedrijvigheid onder den vijand.

Niet alleen trokken alle oogenblikken aanzienlijke legerbenden, meest

van Fransche wapenknechten, over de Markt voorbij, om stand te gaan

nemen op de plaatsen en in de straten rondom den burg; maar de

Gentenaars waren tevens langs alle kanten bezig met hunne stormtuigen te

stellen of ze nader bij den burg te voeren.

Een groot gedeelte van den morgen verliep aan deze ontzaglijke

toebereidsels.

De Kerels lieten intusschen niet na alles aan te brengen wat hun tot

eene hardnekkige verdediging van dienst kon zijn. Overal boven den burg

stegen zwarte rookwolken in de hoogte, als wilde men den vijand

verwittigen dat men zich gereed hield om hem met kokend pik en olie te

begroeten.

Terwijl de Kerels als eene uitdaging hun lied over de Markt deden

schallen, zagen de Fransche ridders en wapenknechten verwonderd op naar

deze handvol mannen, die zoo onbevreesd en vroolijk schenen, een

oogenblik zelfs voor hunne nederlaag en hunnen dood. Wat hun nog

onbegrijpelijker voorkwam, was de tegenwoordigheid boven de muren van

eenige hoogstaltige vrouwen, die lachend en dreigend hun onverstaanbare

scheldwoorden toeriepen.

Eensklaps vertoonde zich bij den ingang der Steenstraat eene bende

ridders te paard, allen zeer rijk gekleed en overdekt met wapenrustingen

welke blonken van zilver en van goud.

Deze ridders keerden den hoek om en reden voort langs de huizen der

Markt, buiten het bereik van der Kerlen pijlen. Zij waren eene lijfwacht

of eene voorhoede; want onmiddellijk achter hen kwam de koning van

Frankrijk, op een groot en sterk strijdpaard gezeten.

Deze vorst, Lodewijk, bijgenaamd de dikke, was inderdaad zoo zwaarlijvig

en zoo vet, dat de aanschouwers verwonderd zich afvroegen hoe zulk

wanstaltig dik mensch wel te paard kon stijgen. Evenwel, ondanks zijne

zwaarlijvigheid, zag de koning er tamelijk rap en levendig uit, en

getuigden zijne gebaren en bewegingen niet van de minste loomheid.

Nevens hem reed de nieuwe graaf Willem van Normandië, wiens jonkheid en

tengere leden hem nevens den Franschen vorst bijna als een kind deden

voorkomen.

De koning, met zijn gevolg, begaf zich in de straten rondom den burg,

onderzocht met den blik de sterkte der wallen, verzekerde zich dat alles

doelmatig was bereid, gaf hier en daar nog eenige bevelen en keerde dan

terug op de Markt.

Hier vergaderde hij de oversten der Vlaamsche en Fransche strijdmacht

rondom zich, sprak eene wijl met hen en zond ze dan terug, elk naar

zijne standplaats, om op het sein tot den algemeenen aanval te wachten.

Eindelijk werd door den koning het bevel gegeven om den stormloop te

beginnen. De bazuinen en hoorns herhaalden tot in de verre straten hun

aanhitsend geschal....

Langs alle kanten van het gedeelte van den burg, dat nog in bezit der

Kerels was, werden de ladders gerecht en klommen ridders en

wapenknechten, door hunne beukelaars beschut, naar boven.

Maar eer zij de kruin van den muur konden bereiken, waren zij of door

steenen verpletterd of door pijlen getroffen of door kokende olie

verbrand of door lange haken naar beneden geworpen. Hoevelen er ook

sneuvelden, hoe velen er met verbrijzelde of verzengde leden

nedervielen, hoe de gekwetsten en de dooden zich bij den voet van den

muur ook ophoopten, de moed en de woede der aanvallers verminderden

niet. Integendeel, de gedachte dat zoo weinig mannen weerstand konden

bieden aan twee legers, aan de bloem van Frankrijks krijgslieden,

strijdende onder de oogen des konings zelven, dreef hen tot razernij en

tot blinde strijdzucht.

Ook verdrongen zij, om de ladders te kunnen beklimmen, elkander zoo

woest en zoo vurig, dat deze groote drift zelve hun schadelijk werd. Nu

zij beneden den muur als een zwoegende zwerm krielden, konden de Kerels

geenen pijl schieten, geen steenblok werpen, geene vlammende olie

storten, of zij troffen onder den dichten hoop en maakten slachtoffers

in verbazend getal.

Na een half uur dezer geweldige bestorming lagen er honderden en

honderden dooden en gekwetsten rondom de wallen der proostdij en der

kerk.

Het leger des konings, evenmin als het leger der Vlaamsche ridders

scheen eenig voordeel te hebben behaald. Wel hadden hier en daar

verscheidene ridders de kruin van den wal bereikt, en waren onder

daverende toejuichingen hunner makkers op den muur gesprongen; maar even

ras hadden de Kerels hen neergehakt of met hamerslagen hun den schedel

gebroken en tot antwoord hunne lijken naar beneden geslingerd.

De Fransche oversten moedigden hunne mannen aan door hunne woorden en

door hun geroep, en deden hun begrijpen welke schande het zou zijn,

indien zij dezen strijd tegen eenen zoo zwakken vijand slechts eenige

oogenblikken moesten opgeven.

Immer duurde de moorddadige bestorming voort, en immer sneuvelden

ridders en wapenknechten bij hoopen onder de muren, terwijl de Kerels al

strijdend zegekreten lieten hooren of met afgebrokene galmen deze verzen

van hun lied herhaalden:

"Gi ridders, dwingers, maect u van cant,

Hier syn de Kerels van Vlanderlant!

Ja, Isegrims, hoedt u voor den Blauvoet

Of gi selt voelen wat sine clau doet!"

Misschien wel zou de Fransche vorst, in aanzien van het groote verlies,

dat zijn leger onderstond, den storm hebben doen opschorsen, om andere

middelen te bedenken; maar nu geschiedde er in den burg zelve iets dat

de verdediging voor de Kerels schier onmogelijk moest maken.

Terwijl er buiten de vesting zoo hevig werd gevochten, was een gedeelte

der Gentenaars met allerlei machtige gereedschappen in het paleis des

graven gegaan, om te beproeven of men den binnenmuur, tusschen dit

paleis en het klooster, niet zou kunnen doorboren of omverre werpen.

Zij hadden den bedoelden muur zeer onsterk bevonden, en waren er

eindelijk in gelukt daar eene wijde opening te maken, die hun eenen

vrijen ingang gaf tot het klooster en de gebouwen die nog in bezit der

Kerels waren.

Dewijl dezen boven de muren in eenen drukken strijd waren gewikkeld,

konden de Gentenaars, door een gedeelte der Fransche wapenknechtcn

gevolgd, in het klooster sluipen, zonder eenigen tegenstand te

ontmoeten.

Toen zij in genoegzaam getal door den muur gedrongen waren, vertoonden

zij zich en begonnen "zege! zege!" te roepen.

Het gezicht dezer nieuwe vijanden, binnen hunne vesting zelve, ontrukte

den Kerels eenen langen noodkreet, en velen liepen van den muur om, ware

het mogelijk, deze indringelingen te verpletten.

Zij wierpen zich als woedende leeuwen op Gentenaars en Franschen, en

dreven ze inderdaad terug tot bij den uitgebroken muur; maar dewijl de

bestormers van buiten nu op den wal geene genoegzame tegenweer meer

vonden, gelukte het den Franschen ridders in groot getal boven den muur

te geraken en de Kerels naar beneden te stuwen.

Welhaast zagen dezen zich langs alle kanten omringd door eene menigte

vijanden, wier getal zeer snel en ontzaglijk aangroeide; want nu kwamen,

zoowel van boven de wallen als door den uitgebroken muur, wolken

vijanden toegestroomd.

Nog eenigen tijd verdedigden zich de Kerels met ontplooibaren moed,

slechts de eene kamer na de andere verlatende, totdat de kastelein

Hacket wel bemerkte dat het volstrekt onmogelijk was geworden het

klooster en de proostdij te behouden.

Op zijn bevel staakten de overblijvende Kerels dit hopeloos gevecht en

weken op een gegeven teeken altezamen binnen de kerk, waarvan de groote

deur reeds van achter was bedamd.

Hier viel Dakerlia haren verloofde aan den hals en juichte en dankte

God, dat Hij hen beiden in dit schrikkelijk en rampspoedig gevecht had

behouden.

Maar Robrecht, door de overtuiging van het gevaar dat hen bedreigde,

schier gevoelloos voor hare blijdschap, maakte zich uit hare armen los

en riep tot de Kerels:

"Stopt, verbalkt, bedamt de deur ... en dan naar boven, naar boven, op

den toren!"

Zij verbalkten onmiddellijk de deur van het sakristijn, langswaar zij

binnengevlucht waren, en vulden zelfs dit laatste vertrek met steenen,

hout en aarde en met alles wat hun op dit hachelijk oogenblik onder de

hand viel.

In de kerk hadden zij eenen grooten voorraad van eetwaren en bovenal van

wapens en werptuigen. Onmiddellijk deden zij van deze laatste geheele

vrachten naar boven dragen.

Zoohaast zij zich zeker mochten achten, dat men niet meer van beneden in

den tempel kon dringen, klommen zij op naar de gaanderijen in den toren,

en begonnen van daar met nieuwe woede met pijlen te schieten en

steenbrokken te werpen, zoodat nog voortdurend velen hunner vijanden

werden doorboord of verpletterd.

Intusschen hadden de Gentenaars met hunne gehuurde hulpbenden, en op hun

voorbeeld ook vele Franschen, de bestorming verlaten om de proostdij en

het klooster uit te plunderen.

De ridders zagen, voor dien dag ten minst, geen middel om de kerk in te

nemen; want de toren was zoo hoog, dat geene der beschikbare ladders

zijne gaanderijen kon bereiken. En wat de muren der kerk betrof, deze

waren, volgens de gewoonte des tijds, gebouwd uit rotsbrokken, zoo dik

en zoo hecht, dat men ze niet dan na langen arbeid zou hebben kunnen

doorboren, zelfs dan wanneer de vijand niet door zijne werptuigen alle

nadering hadde belet.

Dewijl er nog voortdurend vele ridders en wapenknechten nutteloos werden

gedood of gekwetst, boodschapte men den koning dezen nadeeligen

toestand; en de vorst gaf daarop bevel om de bestorming te staken.

De Fransche benden verlieten de omgeving van den burg en trokken dieper

in de stad of naar de naastliggende dorpen, waar zij geherbergd waren.

Zoo deden insgelijks de Vlaamsche ridders en wapenlieden; er bleven in

en rondom den burg niet meer krijgsknechten dan er noodig geacht waren

tot het bewaken des vijands en het verdedigen der reeds ingenomene

gebouwen.

Dan konden de Kerels met eenige bedaardheid hun verlies afmeten en

voorzorgen nemen tegen eenen nieuwen aanval.

Zij bevonden dat zij ongeveer zestig man vermisten, er onder gerekend

een tiental gekwetsten, die beneden in de kerk onder eene zijbeuk lagen

en daar werden verpleegd.

Na zulke lange bestorming en zulken geweldigen strijd binnen het

klooster, mocht dit verlies als gering aangezien worden; maar voor hen

was het echter zeer groot, dewijl zij hunne macht allengs zagen

wegsmelten en geen middel bezaten om ze te vernieuwen of te herstellen.

Zij waren dus nog honderdveertig man. Alles wel berekend was dit getal

toereikend om de kerk van boven den toren nog lang te verdedigen.

In deze overtuiging moedigden zij elkander tot onversaagdheid en tot

volharding aan. Zeker, het Kerlenleger zou hun te hulp komen; hun

heldhaftige tegenstand zou hun een eeuwigen roem en hunne vijanden eene

eeuwige schaamte zijn.

Ondanks de trotsche woorden, door Robrecht, Hacket en Burchard hun

toegestuurd, lieten sommige Kerels in stomme somberheid het hoofd

hangen. Zij gevoelden wel dat hier schier geene hoop op verlossing meer

overbleef: de dood, de ijselijkste marteldood spookte voor hunne oogen.

Evenwel, na zulke angstige overweging kwam telkens hun mannelijk gemoed

in opstand tegen die opwelling der ingeborene levensliefde, en zij,

heviger nog dan de anderen, zwoeren, zonder wankelen tot den laatste toe

met het zwaard in de vuist te sterven.

Na eene lange geheime beraadslaging besloten de oversten der Kerels

hunne middelen tot verdediging te berekenen, alsof men de benedenkerk

nog kon verliezen voordat hun hulp van buiten toekwam Dienvolgens zou

men de bovenkerk, dit is te zeggen de hooge gaanderij, die vroeger den

graaf tot hofkapelle had gediend, zooveel mogelijk versterken en er

eenen toereikenden voorraad van werptuigen en van levensmiddelen

verzamelen.

[Illustratie: ...mannen van vermoeidheid in slaap gevallen. (Bladz.

437.)]

In eenen hoek der kapelle bevond zich eene zeer nauwe deur, de eenige

langswaar men tot den toren kon opklimmen en, aangezien men allerlei

middelen tot verbalking en tot bedamming dezer deur en tevens der

kapeldeur ging bijbrengen, zouden de Kerels, zelfs indien zij bij elken

aanval de nederlaag kregen, nog drie bestormingen kunnen doorstaan

vooraleer geheel te bezwijken."

Zoohaast de bevelen tot deze nieuwe werkzaamheden waren uitgedeeld,

begon mher Sneloghe te zorgen voor iets dat hem persoonlijk aan het hart

lag. Hij onderzocht de kapelle en de twee verdiepen van den toren, om

daar vertrekken of afgezonderde plaatsen te vinden, waar Dakerlia en de

vier of vijf vrouwen, die nog met de Kerels waren, konden wonen en

slapen. Deze plaatsen deed hij van beddegoed en van eenig huisraad

voorzien en daalde dan naar beneden, in gezelschap van Dakerlia, die hem

in deze toebereidsels immer was terzijde gebleven.

Wel had Robrecbt meer dan eens zijne verloofde zijn diep verdriet

betuigd, omdat zij geweigerd had met den ouden Bertulf naar Kerlingaland

te vluchten. Hem deed het niets, dat zij dus in het nauw gebracht waren

en gevaar liepen van in de handen hunner wreede vijanden te vallen; maar

dat Dakerlia, zoo jong nog, blootgesteld bleef om dit akelig lot te

moeten deelen, die gedachte knaagde hem als een wreede worm aan het hart

en liet hem geene rust.

Dakerlia betoonde slechts eenige treurnis, omdat Robrecht in al deze

bloedige gevechten kon gekwetst of gedood worden. Wat haar zelve betrof,

het was haar een geluk en eene bron van trotschheid met hem te mogen

blijven. Moesten zij bezwijken, zij zouden te zamen opklimmen tot God,

en zoo zou de dood zelf niet machtig genoeg zijn om te scheiden wat de

liefde had vereenigd.

Hare woorden waren zoo vol geestdrift; er lag zulke ware blijdschap in

den toon harer stem, dat zij Robrecht eindelijk geheel troostte en hem

weder opvoerde tot helder vertrouwen en tot grenzenloozen moed.

Toen zij in de kerk kwamen, vonden zij den kastelein Hacket omringd van

vele Kerels, die allen te gelijk spraken om hem van iets te overtuigen

waaraan hij geen geloof wilde hechten.

Eenigen dergenen die vroeger in Brugge hadden gewoond bevestigden

namelijk dat, bij het terugwijken uit het klooster in de kerk, een

poorter met hen was binnengedrongen; dat zij, na de deur van het

sakristijn te hebben verbalkt, overal in de kerk en tot op den toren

hadden gezocht, doch den poorter niet meer hadden gevonden. Men mocht

niet twijfelen aan de waarheid hunner woorden: zij hadden den

indringeling herkend: het was niemand anders dan David Snoek, de bode

van het grauwwerkersgilde die in de gansche stad befaamd was als de

ronddrager van tijdingen en nieuwmaren.

De kastelein, alhoewel hij weinig geloof of weinig belang aan deze

beweringen hechtte, gaf bevel om nog alle schuilhoeken te doorzoeken en

den poorter, indien men hem vond, ongehinderd in zijne tegenwoordigheid

te brengen.

Hij meende zich naar den kant der kerk te richten, waar de gekwetsten

lagen; maar nu kwam een Kerel van den toren geloopen en deze riep met

luider stem en akelig kermend, dat men op den Maalberg bezig was met al

hunne gevangene broeders deerlijk te martelen en te vermoorden.

Al degenen die niet als wachten beneden moesten blijven, liepen naar

boven.

Zij zagen op de Markt, die men den Maalberg noemde en die zich tot aan

den muur van den burg uitstrekte, eenige benden wapenknechten geschikt,

en te midden dezer een vijftigtal Kerels, aan hunne lange baarden en

blauwe kleeding herkennelijk, die, met de handen op den rug gebonden,

door beulen, met uitgetogen slagzwaard, waren omringd, als om te worden

gehalsrecht.

Inderdaad, reeds drie of vier verminkte lijken lagen daar in eenen plas

bloed, en de beulen stonden nevens de anderen gereed om op het minste

teeken toe te slaan.

Nu evenwel scheen er eene opschorsing in het werk der beulen te zijn

gekomen; want reeds eene wijl hadden zij beweegloos gewacht.

Daar bracht men nu twee ridders vooruit, en men sleurde en rukte ze met

baldadig geweld dichter naar den burg, opdat de Kerels beter zouden zien

wat hier ging geschieden.

"O, hemel, Ingelram Van Eessen en Willem Van Wervick!" kreet Burchard

met angst, en voor de eerste maal, sedert den moord des graven, eenige

smart betuigende. "Mijne arme vrienden! Zulke dood!"

"Eilaas, eilaas, God is rechtvaardig!" fluisterde Dakerlia aan Robrechts

oor. "Zijne straffende hand heeft zich uitgestrekt over de moordenaars

van graaf Karel!"

Robrecht knikte bevestigend, doch slaakte eenen kreet van afgrijzen bij

het schrikkelijk schouwspel dat nu onder zijnen strakken blik aanvang

nam.

Eerst hakten de beulen Ingelram en Willem de handen af, dan doorstaken

zij hunne lichamen met honderd kleine wonden, en martelden onmenschelijk

hunne slachtoffers, totdat zij eindelijk; gansch doorkerfd nedervielen

en hunne lijken onder de voeten van honderden wapenknechten werden

vertreden en verpletterd.

De Kerels staarden van den toren in stommen angst op dit ijselijk

tooneel, en menigeen ontvielen tranen van medelijden. Burchard Knap

gromde met schorre stem en bulderde vermaledijdingen maar hij was bleek

en scheen te beven.

Een wapenbode trad vooruit naar den burg en riep uit al zijne macht tot

de Kerels:

"Ziedaar 's konings en 's graven gerechtigheid! Zoo en schrikkelijker

nog zult gij allen sterven, verwaten Blauwvoeten, die uwen wettigen

vorst hebt vermoord of den moordenaars hulp hebt gebracht. Geene genade

voor u: allen wacht zoo de schandelijkste marteldood!"

Terwijl hij deze woorden verkondigde, hadden de beulen op den Maalberg

hun bloedig werk voortgezet en waren nu bezig met den gevangenen Kerels

de handen af te houwen en het hoofd in te slaan.

Zoo zagen de Kerels, die op de gaanderijen van den toren stonden hunne

vijftig broeders, waaronder zij er velen herkenden, den een na den ander

ter dood brengen en, tot teeken van verachting met voeten trappen.

Het verstroostte hen misschien een weinig te mogen bemerken dat ten

minste geen hunner eenen enkelen kreet of eene klacht slaakte; maar bij

het gezicht van dit groot getal lijken, door de wapenknechten zelven zoo

wreedelijk vertreden, konden zij hunne tranen niet wederhouden, en allen

beweenden zuchtend en kermend het akelige lot hunner arme gezellen.

Zij bleven op den toren, totdat de lijken waren weggenomen en het

vertrek der wapenknechten hen kwam overtuigen, dat des konings wraak,

voor dien dag, bij gebrek aan slachtoffers was gestaakt.

Nog weenden velen in stilte, zelfs toen zij reeds de gaanderijen des

torens hadden verlaten en ter kerke waren afgedaald.

Hunne eigene smart onderdrukkende, deden de oversten vele moeite om het

neerslachtig gemoed hunner mannen weder op te beuren; maar welke

pogingen zij ook inspanden, van dit oogenblik af bleef onder de Kerels

eene sombere treurigheid heerschen. Velen hunner toch hadden eenen

vader, eenen broeder of eenen vriend zien martelen, en dit schouwspel

spookte als eene onverwinnelijke nachtmare voor hunne oogen. Wel

zwoeren zij daarom niet min onversaagd te zullen strijden, ja, zelfs

hunne dierbare dooden op den vijand te willen wreken; maar hun hart was

vervuld met deernis en verdriet, en hun ontsprongen tranen ondanks

hunnen wil.

Zoo kwam eindelijk de nacht. De Kerels zaten hier en daar in de kapelle

of in de benedenkerk bij groepen ten gronde, rondom eenige ontstokene

kaarsen, en schouwden met somberen blik in de donkere ruimte der kerk of

spraken treurig van hunne doode vrienden.

Mher Sneloghe en Dakerlia bevonden zich bij de gekwetsten; deze laatste

raadde en hielp de Kerlinnen in het verplegen der arme gezellen, die

door het zwaard des vijands waren getroffen geworden.

Hacket, de kastelein, hield zich in de kapelle, waar hij een weinig

poogde te rusten.

Wat Burchard Knap betreft, die zat waarschijnlijk, zooals naar gewoonte,

ergens in eenen duisteren hoek, alleen met zijn knagend geweten of in

gezelschap van eenigen zijner woeste Houtkerels.

Het kon ongeveer tien uren zijn, en ondanks hunne ontsteltenis en

droefheid waren vele mannen van vermoeidheid in slaap gevallen toen

eensklaps achter den autaar, in de benedenkerk, een geraas van stemmen

zich liet hooren, alsof daar een twist opgerezen was.

Het gerucht naderde onmiddellijk naar het midden der kerk, en vele

Kerels grepen hunne wapenen en liepen toe, om te vernemen wat er

geschiedde.

Het was David Snoek, de bode van het grauwwerkersgilde, die, door de

nachtelijke stilte uitgelokt, zijne verborgene schuilplaats had

verlaten, in de hoop dat hij door de vlucht zou kunnen ontkomen; maar

eenig gerucht door hem gemaakt, had hem verraden.

Men had hem aangegrepen en rukte hem nu vooruit, hem beschuldigende van

verraad en hem eenen onmiddellijken dood toezeggende.

De arme man, die er zeer eenvoudig uitzag, beefde in al zijne leden en

smeekte met gevouwen handen om genade.

Toen Robrecht Sneloghe hem genaderd was en hem vroeg met welk doel hij

binnen de kerk was gedrongen, stotterde David Snoek eenige verwarde

woorden, waaruit men niets kon begrijpen. Robrecht gebood den Kerels

hunne zwaarden in te steken en den man los te laten. Hij verzekerde deze

tevens dat, indien hij onschuldig was aan verraad, hem geen leed zou

gedaan worden.

Dit stelde David Snoek eenigszins gerust. Dan kwam de spraak hem weder.

"God zal u daarvoor zegenen, mher Sneloghe", zeide hij, "dat gij deernis

hebt met mij, ongelukkige. Gij weet het allen, heeren, die mij kent, dat

de arme David Snoek vroeger een goede vriend der Kerels was, en dat hij

in het schromelijk nachtgevecht nog met u tegen de Isegrims heeft

gestreden."

"Nu, bloodaard, zoovele domme woorden niet!" gromde Burchard die

genaderd was. "Zeg, wat kwaamt gij hier doen? Ons bespieden, ons

verraden?"

"Neen, neen, heeren, hoort mij aan zonder gramschap!" smeekte de

gevangene. "Hoe ik mij hier tusschen u bevind, dit weet ik, eilaas, zelf

niet wel. Toen men in de stad de mare verspreidde, dat het Fransch

leger, geholpen door de Gentenaars en door de poorters van Brugge, de

proostdij, het klooster en de kerk ging innemen, sprak iedereen van den

rijken buit welke men daar zou vinden. Ik, die arm ben, liet mij

verleiden door de hoop dat ik in de plundering wel een of ander voorwerp

van hooge waarde zou bekomen, en zoo drong ik met de Gentenaars in het

klooster. Wat er dan geschied is, draait mij als een molen in het hoofd.

De Kerels zijn gekomen en hebben ons teruggedreven, de Franschen zijn

gekomen en hebben ons weder vooruitgestuwd, en zoo in de hoogte gewoeld,

gekneusd, gepletterd, ben ik, zonder het te weten, binnen de kerk

gestooten. En dan, schier dood van schrik, ben ik achter den altaar

gevlucht en heb mij verborgen onder eenen hoop balken, welke daar in

verwarring opeengestapeld lagen. Dit is, heeren, de loutere waarheid.

Doet nu met mij naar uwen wil; maar wees mij toch barmhartig: want, wel

verre van u te verraden, zou ik, indien het mij mogelijk was, u willen

verlossen van den schrikkelijken dood die, eilaas, u bedreigt!"

"De heer kastelein heeft bevolen den gevangene onmiddellijk in zijne

tegenwoordigheid te brengen", bemerkte een Kerel.

"Welnu, doet hem geen leed en leidt hem naarboven in de kapelle."

"In de kapelle? Ik?" riep David Snoek, eenen stap terugspringende "o,

mijn God, daar ligt het lijk van den graaf! Neen, neen, ik bid u, doodt

mij liever!"

Hij beefde zoodanig en zulke diepe verschriktheid verried de holle toon

zijner stem, dat de Kerels gansch ontsteld hem aanzagen.

"Meent gij dan dat de vervloekte Denemarker uit zijn graf zal opstaan om

u den nek te breken?" spotte Burchard Knap, tot groote ergernis zijner

gezellen.

De gevangene knikte bevestigend, terwijl hij zuchtend een kruis maakte.

"Maar wees duidelijk; wat wilt gij zeggen?" mompelden vele Kerels, door

zijne vreemde houding en eindelooze vervaardheid getroffen.

"Ach, heeren", zeide David Snoek, de handen samenvoegende, "gij weet

niet wat er in de stad geschiedt. Het is ijselijk; en sedert ik het weet

durf ik des nachts niet meer slapen. Zou ik het u durven openbaren? Zult

gij niet tegen mij vergammen?"

"Spreek, spreek!" riep men hem toe.

"Welnu, de geest van graaf Karel waart alle nachten in de stad en spookt

in de Steenen waar de ridders geherbergd zijn, niet anders roepende dan

"wraak, wraak, wraak!"

De Kerels luisterden met jagenden boezem; twee of drie slechts

beantwoordden deze openbaring met eenen spotlach.

"Om Gods wil, lacht niet, heeren", hernam de gevangene; "wat ik zeg is

enkel waarheid. Nu twee dagen geleden, is de geest van Karel bij het bed

des konings verschenen en heeft zoo lang om wraak geroepen, totdat de

koning beloofd had al degenen ter dood te brengen, die tot zijnen moord

hebben geholpen. Den nacht daarna heeft de nieuwe graaf Willem van

Normandië het spook insgelijks bij zijn bed gezien en gehoord, en

dezelfde belofte gedaan Daarom heeft men heden u zoo geweldig bestormd,

en daarom ook heeft men heden de gevangene Kerels zoo onmenschelijk

gemarteld. De geest van graaf Karel heeft zelf die marteling der Kerels

van den nieuwen graaf geëischt."

Toen hij dus zijne veropenbaring had geëindigd en door schijnbare

feiten bevestigd, sprak er niemand meer: al deze harde, moedige Kerels,

die weinig vatbaar waren voor vrees, zoolang het slechts stoffelijke

gevaren gold, beefden nu bij de bedreiging der wraak van een

ontstoffelijk wezen, aan welks verschijning hunne bijgeloovigheid hun

niet toeliet te twijfelen.

Dat de onverzoende of onbevredigde geesten van vermoorde menschen op

aarde konden rondwaren, om wraak op hunne moordenaars te eischen, dit

was zoowel volgens de Christelijke als volgens de Heidensche begrippen

onbetwistbaar.

Het verhaal van David Snoek kon waar zijn, ja, het moest waar zijn,

dachten zij, aangezien men bij het lijk van graaf Karel de vormen der

verzoening niet had in acht genomen, en zelfs de Christelijke

plechtigheden niet had vervuld.

Na lang met klimmenden angst en benauwdheid deze erge zaak te hebben

overwogen, kwamen de meesten tot het besluit zich met den geest van

graaf Karel te verzoenen, om hem de vervolging tegen hen te doen staken.

Zij zouden dus, op het uur van middernacht dat nu aanstaande was, de

Heidensche plechtigheden vieren die men Dôdsiras noemde.

Daar Robrecht Sneloghe en eenige anderen zich tegen dit opzet

verklaarden en beweerden dat het beter was, volgens de gebruiken der

Kerk den nacht in gebeden voor de ziel van den doode door te brengen,

besliste men, dat elkeen te dier gelegenheid zou handelen volgens zijn

geloof en volgens de inspraak van zijn geweten. David Snoek zou bij de

gekwetsten blijven en aan hunne verzorging helpen tot morgen. Vond men

een middel om hem aan een touw af te laten, en wilde hij het wagen, men

zou hem oorlof geven om zich te redden.

Op het uur van middernacht bood de kapelle een vreemd schouwspel aan. De

gansche beuk was verlicht met een zeker getal smokende lampen, die langs

de muren waren opgehangen. Rondom de steenen tafel der grafstede, waarin

het lijk van graaf Karel rustte, brandden vele kaarsen van geel was, die

men evenwel zoo had geschikt dat het benedeneinde der tafel, die zeer

lang en breed was, gansch vrij bleef. Aan het boveneinde stond een

kruisbeeld en een vat met wijwater, waarin een droge palmtak rustte. Uit

een koperen bekken walmden wierookgeuren op.

Langs deze opperzijden hielden zich de kastelein Hacket, Robrecht

Sneloghe, Yorg Koevoet, Dakerlia Wulf en vele Kerels.

Zij zaten met gebogen hoofd en gevouwen handen nevens het graf geknield

en baden in stilte, geen hoegenaamd deel nemende aan de Heidensche

plechtigheden, welke men aan het nedereinde der grafstede ging vieren.

Hier hielden zich Burchard met de grootere helft der andere Kerels, die

meer vertrouwen schenen te hebben in de Heidensche gebruiken dan in de

Christelijke gebeden.

Toen alles gereed was, brachten zij op de graftafel vele schotels met

spijzen: brood, koud vleesch, gedroogde visschen en gortebrij, en

stelden daarnevens eenige flesschen wijn en kruiken bier. Burchard Knap,

hier het ambt van priester of wichelaar vervullende, sprak eenige

woorden, die het inzicht der tegenwoordigen deden kennen, en noodigde

dan bij name de ziel van graaf Karel uit om het _doodenmaal_ bij te

wonen, dat ter harer eere werd gevierd.

Hierop brak hij het brood, en gaf elken zijner makkers een stuk. Allen

begonnen te eten, en van alwat zij nuttigden, legden zij een brok of

eenen lepel vol op den steen der grafstede.

Robrecht Sneloghe, van zijnen kant, doopte den palmtak in het wijwater,

en besprengde daarmede het oppereinde der tafel, met Dakerlia, zooveel

het hun mogelijk was, daarbij de gewone gebeden der Kerk murmelende.

Het doodenmaal geëindigd zijne, schonk Burchard eerst bier in eenen

grooten hoorn, stortte daarvan een gedeelte op het graf en liet dan den

hoorn tusschen zijne mannen rondgaan, die elk opvolgend vooraleer de

lippen aan het vocht te brengen, luidop zeiden:

"Met dit hoppebier drink ik de _doodenminne_ ter eere van Karel van

Denemarken."

Deze plechtigheid werd ten tweeden male herhaald met den wijn. Ook

zegende Robrecht ten tweeden male de grafstede met wijwater.

Ten laatste boog Burchard Knap zich over het graf en, terwijl hij den

steen met de lippen raakte, zeide hij:

"Ik kus den _doodenzoen_ ter eere van Karel van Denemarken. Weze aldus

zijne schimme bevredigd, en verzake zij jegens mij aan vijandschap en

aan wraak!"

Al zijne mannen kwamen beurtelings, onder het uitspreken derzelfde

woorden, dus eenen kus op de steenen tafel nederleggen.

Ondertusschen besprengde Robrecht het graf voor de derde maal, schudde

het bekken met wierook rondom de tafel en murmelde op plechtigen toon:

"Requiescat in pace!"

De Christelijke doodendienst en de Heidensche Dôdsisas waren beide ten

einde[80].

Men doofde de lichten uit, en, alsof de Kerels door deze plechtigheden

van hunnen angst verlost en gansch gerust van gemoed waren geworden, zij

gingen naar beneden om eene rustplaats te zoeken, of legden zich zelfs

rondom de grafstede neder.

Een uur later waren zij allen ingeslapen, en hoorde men niets meer in de

kerk dan den eentonigen stap der schildwachten of eene stille klacht der

gekwetsten.

De Kerels van Vlaanderen · 第 63 / 85 题