Sedert men de Kerels had bedrogen, om hen tot afleveren van 's graven
schat over te halen, was er bijna eene gansche week verloopen, zonder
dat de Isegrims de schuilplaats hunner vijanden nog met macht hadden
bedreigd.
Zij bepaalden zich met nu en dan de Kerels door eenen geveinsden aanval
te verontrusten en de gebouwen der proostdij nauw omzet te houden, opdat
niemand er uit mocht ontsnappen.
Onderwijl maakten de Gentenaars en de ridders evenwel groote
toebereidselen om eenen nieuwen en beslissenden stormloop te wagen; want
op de Markt, onder het gezicht der Kerels zelven, bouwden zij eenen
houten toren, ladders en beukgestellen.
De kastelein Hacket had deze dagen van rust niet werkeloos laten
voorbijgaan. Integendeel, men had binnen de proostdij onophoudend
gearbeid en gezwoegd, om allerlei middelen tot verdediging in gereedheid
te brengen. Zelfs had men in het klooster twee binnenmuren uitgebroken,
om achter de kanteelen en op de gaanderijen der torens geheele hoopen
steenblokken te kunnen verzamelen.
Overal op de wallen stonden de ketels met ziedend pik en olie, bewaakt
door lieden die belast waren de vuren te onderhouden.
De dienst der schildwachten was derwijze ingericht geworden dat dag en
nacht immer de eene helft der Kerels op de wallen zich bevond en men
geene verrassing meer had te vreezen.
Aangezien de kloostergebouwen en zelfs de proostdij niet al de
voorwaarden tot eene lange verdediging aanboden, terwijl integendeel de
kerk schier oninnemelijk was, had men den meesten voorraad van
levensmiddelen en van wapenen in den tempel gedragen.
Alhoewel ze bij de inneming van den burg wel honderddertig gezellen
hadden verloren, en hun getal nu tot ongeveer tweehonderd weerbare
mannen was verminderd, hadden zij nog de hoop zich te kunnen verdedigen
totdat zij door het groote Kerlenleger wierden ontzet.
De vijand mocht nu hunne schuilplaats komen bestormen. Zij waren gereed
en wachtten hem af met koele beradenheid en vasten moed; zij zouden hem
zijne vermetelheid zoo duur doen betalen, dat, indien hij de proostdij
overweldigde, de Isegrims hunne zegepraal zelve als eene bloedige ramp
zouden beweenen ...
De namiddag was reeds ver gevorderd.
Bertulf, de proost, zijn broeder Hacket, Robrecht en de andere oversten
stonden boven de muren en keken nieuwsgierig over de Markt, als
verwachtten zij zich aan iets van dien kant.
Er was dien dag een brief op het kerkhof geschoten geworden, waarin men
den proost Bertulf verwittigde, dat een ridder zich met eenen wapenbode
zou aanbieden, om opnieuw met de Kerels aangaande de overgaaf der
proostdij en der kerk te onderhandelen. De brief eindigde met deze
woorden:
"Weigert niet dezen ridder te hooren. Hij is altijd een goed en trouw
vriend geweest. Laat hem tot u opklimmen; hij heeft u eene gewichtige
zaak te openbaren en wenscht u te redden. Zijn leven stelt hij ten pande
voor zijne oprechtheid."
Wat zouden zij nu doen? Was dit schrift niet weder bedrog en valschheid?
Een vijand binnen de proostdij laten? Misschien eenen bespieder, die
hunne middelen tot verdediging kwam afmeten of den weg zoeken om hen te
overrompelen?
Maar het kon insgelijks een oprechte vriend zijn, die hun gewichtige
tijdingen bracht, misschien vanwege mher Willem Van Loo? Men kon hem
boven den muur doen blijven; daar toch zou hij niets zien dan de
ontzaglijke toebereidsels, die men voor het afslaan van eenen stormloop
had gemaakt. Zooals nu de meeste Kerels boven den wal gereedstonden om
alle pogingen tot verrassing of verraad oogenblikkelijk te verijdelen,
mocht de komst van eenen enkelen ridder hun geene vrees inboezemen.
Zij hadden dus besloten den wensch, hun door den brief uitgedrukt in te
willigen, en zagen nu naar de woning van den veldheer uit, of de
aangekondigde ridder zich niet vertoonde.
Na eene lange wijl nog, naderde inderdaad een wapenbode; maar deze was
door vele ridders gevolgd, en de Kerels konden dienvolgens niet
herkennen wie hunner hun het bericht had toegezonden.
Toen de bode door bazuingeschal den wapenstilstand had gevraagd, en men
tot antwoord op den wal der proostdij de vredevlag had opgestoken,
traden de gezondenen op het binnenplein van den burg; een hunner naderde
meer tot den voet van den muur en riep den Kerels toe:
"Vanwege den gezant des konings, mher Baudewijn Van Aelst, kom ik tot u
om u nieuwe voorwaarden tot overgaaf der proostdij en der kerk aan te
bieden. Van hier is het mij moeilijk met u te spreken. Onze
onderhandeling kan lang en moeielijk zijn. Ware ik met u daarboven, wij
zouden beter over de hangende zaak kunnen beraadslagen. Ik vertrouw mij
op uwe eerlijkheid en zou tot u willen opklimmen. Stemt gij toe?"
"Het is Walter Van Lillers!" zeide de proost tot zijnen broeder Hacket.
"Hij was inderdaad vroeger een verkleefde vriend."
"Ja, wij stemmen toe", werd den ridder geantwoord, "maar voor u, voor u
alleen!"
Walter Van Lillers deed eene lange ladder aanbrengen; en eenige
oogenblikken daarna bereikte hij de kruin van den muur en stapte
tusschen de oversten der Kerels op den wal.
Daar zij hem omringden en hem vroegen wat hij hun te zeggen had,
betuigde hij den wensch om beneden in de proostdij te worden geleid;
maar men deed hem verstaan dat men zijne boodschap hier wilde hooren.
Walter Van Lillers, min of meer verlegen en zonderling glimlachende als
wilde hij beduiden dat hij aan zijne eigene woorden niet geloofde, zeide
hun:
"Ziehier de zaak, heeren: heeft 's konings bode geweigerd u in vrijheid
te laten gaan na de overlevering van 's graven schat, dan is het niet
door berekende trouweloosheid, zooals gij waarschijnlijk meent. Neen,
het is omdat gij zelven, volgens zijne meening, hebt gepoogd hem te
bedriegen. Er ontbraken toch kostbare voorwerpen aan dien schat, onder
anderen een drinkkelk van zeven marken gouds en een gedreven vat van
eenentwintig marken zilvers. Wilt gij deze beide voorwerpen mij ter hand
stellen, dan zal mher Baudewijn Van Aelst, zooals hij mij gelast heeft u
te beloven, de voorwaarden der overgaaf aanvaarden en vervullen."
De omstanders lieten een hevig gemor hooren en betuigden luid dat zij
geen het minste vertrouwen meer in de beloften der Isegrims hadden en in
deze boodschap niets zagen dan eene nieuwe poging tot verraad.
In stede van zich daarover verwonderd of spijtig te toonen, haalde
Walter Van Lillers twijfelend de schouders op, als wilde hij zeggen:
"Dit raakt mij niet; gelooft er van wat gij wilt."
"De voorwerpen door u aangeduid als ontbrekende, mher Walter",
antwoordde de proost, "heb ik, omdat ze tot den dienst van 's graven
kapelle werden gebezigd en dus de kerk zijn toegewijd, aan den
pastoor-deken Helias gegeven, en hij heeft ze waarschijnlijk in
St-Christoffelskapelle geborgen. Wil s' konings bode ze bezitten, hij
vrage ze den deken."
Maar Walter Van Lillers scheen weinig acht op deze uitlegging te slaan,
en poogde door velerlei gebaren en oogwenken den proost te doen verstaan
dat hij iets geheims aan hem alleen te veropenbaren had.
Eindelijk herhaalde hij zijne vraag om beneden in de proostdij te worden
geleid; men mocht hem eenen doek voor de oogen binden en hem dus
beletten iets te zien. Eenige woorden slechts wenschte hij met den
proost te verwisselen. Dan zou hij onmiddellijk naar mher Baudewijn Van
Aelst terugkeeren, en hem boodschappen wat men hem aangaande den gouden
kelk en het zilveren vat had gezegd.
Op aandringen van Bertulf stemden de anderen toe. Mher Walter werd met
eenen doek geblind en naar beneden geleid. Hier vatte de proost hem bij
de hand, bracht hem in eene kamer, nam den doek van voor zijne oogen weg
en vroeg:
"Nu, mher Walter Van Lillers, welk geheim hebt gij mij mede te deelen?"
"Luister, heer proost", zeide deze, "ik heb weinig tijds; want mijne
gezellen, indien ik lang met u bleef, zouden mij mistrouwen Ik begin met
u eenen raad te geven. Welke voorstellen tot overgaaf men u ook doe,
verwerp ze hardnekkig: zij kunnen niets zijn dan bedrog. De koning van
Frankrijk en al de ridders die in het beleg zijn, hebben gezworen dat de
Erembalds tot den laatste toe den schrikkelijksten dood zullen sterven.
Had onze veldheer niet met groote krachtdadigheid mher Baudewijn Van
Aelst belet de trouweloosheid tot het uiterste te drijven, geen uwer zou
heden nog leven. Men hadde u, na de aflevering van 's graven schat, uit
den burg laten gaan, u verraderlijk aangevat en u allen denzelfden dag
vermoord."
"Gruwelijk, gruwelijk!" zuchtte Bertulf. "Ik dank u voor uwen raad, mher
Walter. Zal men dan in deze verdorvene wereld zelfs aan het woord der
koningen niet meer mogen gelooven?"
"Ik ben van meening dat de koning van Frankrijk van dit verraad niet
weet."
"Was de goede raad, dien gij mij gegeven hebt, de eenige veropenbaring
welke gij mij wildet doen?"
"Neen, heer proost; nu ga ik u het ware doel mijner komst mededeelen.
Toen mher Baudewijn van de achterhouding der twee kostbare vaten sprak
en het verlies dezer voorwerpen betreurde, maakte ik mij sterk ze u door
een nieuw bedrog te ontrukken; en het is zoo dat ik belast werd als bode
tot u te komen. Mijn doel was u te redden, heer proost. Gij weet dat ik
altijd u veel vriendschap en eerbied heb toegedragen; van den eersten
dag des belegs ben ik er op bedacht geweest, ten minste u van den
wreeden dood te verlossen, en nu ben ik alleenlijk hier om u te vragen
of gij door mij behouden uit den burg en uit de stad wilt geleid
worden."
"Zoo in vollen dag, dwars door de Isegrims?" schertste de proost met
eenen twijfellach.
"Neen, in den nacht."
"Onmogelijk; tienmaal wierd ik ontdekt en aangevat."
"Daarin bedriegt gij u: ik ben niet alleen om u te redden. De zaak is
goed ontworpen. Wij komen te elf uren juist, onder voorwendsel van
rondom den burg te waken, met eene kleine bende Gentenaars nevens den
achtermuur van het klooster voorbij en zwaaien tot sein eene ontstoken
lantaarn over en weder. Op dit oogenblik laat gij u, bij middel van eene
koord, van den muur dalen. Wij, zonder gerucht te maken, vatten u aan en
leiden u naar de gevangenis ... dit is te zeggen buiten de Smedepoort,
die dezen nacht zal bewaakt worden door een mijner vrienden. Ik vergezel
u totdat gij geheel buiten de legerwachten zijt en niets meer hebt te
vreezen. Dan gaat gij een gedeelte van den nacht. Des anderen daags
bevindt gij u te midden der Kerels, buiten het bereik uwer vijanden. Wat
zegt gij van dit ontwerp?"
"Het is waarlijk niet slecht beraamd", antwoordde Bertulf, na eene korte
overweging. "Ik ben u uiterharte dankbaar voor dit bewijs uwer
vriendschap; doch ik kan uw voorstel niet aanvaarden Hier zal ik blijven
met mijne magen en gezellen."
"Maar er is geene hoop voor u. De koning van Frankrijk nadert met een
ontzaglijk leger. Men zal u martelen, u doen sterven in de akeligste
pijnen!"
"Eilaas!" zuchtte Bertulf, "gij zegt misschien de waarheid, mher Walter;
maar zulke vlucht ware een verraad jegens mijnen broeder en jegens mijne
neven. Liever nog deel ik hun lot en sterf met hen."
"Gij zijt verbitterd en verblind door de wanhoop", wedervoer Walter Van
Lillers met ongeduld, "Waartoe kunt gij den uwen hier nuttig zijn, gij,
die waarschijnlijk nooit de wapens hebt behandeld? Het verwonderd ons,
ridders, dat; Willem Van Loo, die toch aan het hoofd van een leger staat
en het veld houdt, u nog niet ter hulp is gekomen. Verwondert u dit
niet?"
"Inderdaad."
"Weet gij de redenen van zijn wegblijven, heer proost?"
"Neen."
"Wij evenmin; ja, wij hebben dagelijks zijne nadering verwacht en onze
voorzorgen tegen hem genomen. Indien hij u ter hulp snelde, voordat de
koning te Brugge komt, dan zou er voor u misschien nog hoop op ontzet
blijven."
"Hoe verstaat gij het, mher Walter?"
"Het is eenvoudig: Willem Van Loo weet waarschijnlijk niet dat gij reeds
een gedeelte van den burg hebt verloren. Hij meent u sterk genoeg om in
veiligheid op hem te wachten. Waart gij vrij, gij kondet tot hem gaan,
hem den waren toestand onder de oogen leggen en hem overhalen om
onmiddellijk met al zijne macht naar Brugge te komen."
"Het is waar, gij hebt gelijk", bevestigde de proost. "Ik zou over dit
gewichtig voorstel mijnen broeder en mijne neven moeten raadplegen. Gunt
gij mij den raad daartoe?"
"Ja, maar er is eene omstandigheid welke ik u niet eerder kon te kennen
geven", antwoordde sher Walter. "Ik, die vroeger u een vriend was,
handel belangeloos in deze zaak. Gij begrijpt evenwel, heer proost, dat
ik, om eene bende Gentenaars en hunne oversten tot verraad over te
halen,--want wat gij gaan doen is verraad,--om dus eenige ridders en
vele wapenknechten om te koopen, hun groote sommen gelds heb moeten
beloven."
"Groote sommen gelds?" herhaalde de proost met eenig mistrouwen.
"Ja, niet minder dan vierhonderd marken zilvers;--en, wil een tweede
persoon u vergezellen, dan nog honderd marken meer."
De oude Bertulf schrikte terug bij de gedachte van zulke aanzienlijke
hoeveelheid gelds voor zijne vrijheid te moeten betalen; maar mher
Walter deed hem begrijpen dat, in den neteligen toestand waarin de
Kerels zich bevonden, het geld niet veel prijs meer in hunne oogen kon
hebben. Wat was nu een klein gedeelte hunner ontzaglijke rijkdommen,
wanneer men, door het op te offeren, misschien de schier hopelooze zaak
van Kerlingaland nog kon redden?"
De proost kwam eindelijk met hem overeen, dat hij het voorstel zijnen
broeder en zijnen neven zou mededeelen, en, stemden zij toe, dan zouden
de Kerels langs den kant der Markt eene banier uit St-Donaastoren
steken. Dit zou voor Walter van Lillers een teeken zijn dat men zijne
voorwaarden had aanvaard en de proost zich in den nacht boven den muur
gereed zou houden om tot hem af te dalen.
Mher Walter zou 's konings gezant zeggen, in wiens handen de twee
kostbare vaten zich bevonden, en, daarover zeer tevreden, zou deze geen
hoegenaamd vermoeden van verstandhouding met de Kerels tegen hem
opvatten.
Bertulf bond Walter opnieuw den blinddoek voor de oogen en leidde hem
tot boven den muur. Zonder groetenis daalde mher Walter naar beneden. De
ladder werd weggenomen en de vredevlag ingetrokken.
Dan wenkte Bertulf zijnen broeder en eenige oversten en verzocht hun met
hem binnen de proostdij te gaan, om daar te vernemen wat de bode hem had
geopenbaard.
Toen hij hun het ontwerp had medegedeeld, vroeg hij hun gevoelen er
over.
Allen, behalve Burchard Knap, toonden zich zeer verheugd en juichten
mher Walters voorstel toe. Zij eerbiedigden en beminden den ouden
Bertulf zeer. Het was toch hier zijne plaats niet. Van welk nut kon het
hun zijn dat de proost met hen in gevaar des levens bleef verkeeren?
Neen, neen, hij moest gered worden, welke groote hoeveelheid gelds men
ook voor zijne verlossing eischte.
Daarenboven, hij zou tot Willem Van Loo gaan en hem overtuigen dat hij
onmiddellijk met het Kerlenleger naar Brugge moest komen afgezakt. Zoo
was er dan voor hen allen nog hoop op ontzet, en voor Kerlingaland nog
hoop op zegepraal.
Door deze overwegingen verblijd, juichten zij het ontwerp toe. Burchard
alleen morde en gromde, dat men elkander had toegezworen tot het einde
te zamen te blijven. Zulke nachtelijke vlucht was een bewijs van vrees,
dat de Kerels zou ontmoedigen. In alle geval, door het voorstel te
aanvaarden, beging men eene domheid; want zeker, Walter Van Lillers was
een Isegrim, en dus een bedrieger; zijn eenig doel kon slechts zijn den
proost in de handen des veldheers te leveren.
De anderen bestreden zijn gevoelen, en betuigden een volledig vertrouwen
in Walters oprechtheid. Zij wilden deze gunstige gelegenheid om Willem
Van Loo eenen invloedrijken bode te sturen, niet laten ontsnappen.
Dewijl de proost meende de geheime rede van Burchards tegenstand te
doorgronden, zeide hij:
"Nog iets heb ik vergeten u mede te deelen. Mher Walter stemt er in toe
met mij eenen tweeden persoon buiten de stad te brengen, tegen eene
belooning van honderd marken zilvers. Ik doe mijnen neef Burchard het
voorstel, mij dezen nacht te volgen; ik zal de gevraagde marken zilvers
voor hem betalen."
"Ja, ja, dit is goed!" riepen de anderen, verheugd bij de gedachte dat
zij zouden verlost worden van den somberen en woesten Burchard, van den
moordenaar des graven, wiens tegenwoordigheid in hun midden hen
bedroefde en kwetste.
Maar Burchard verwierp dit voorstel met misprijzen; en dewijl men hevig
bij hem aandrong, en hem ter dier gelegenheid de onaangename woorden
niet spaarde, liep hij scheldend en bulderend de kamer uit.
Sedert een oogenblik was Robrecht Sneloghe in eene diepe overweging
weggezonken. Nu zeide hij met eenen blijden lach op de lippen:
"Ach, mijne ooms, ach, mijne vrienden, bewijst mij eene gunst! Laat
jonkver Dakerlia Wulf dezen nacht met den heer proost den burg
verlaten!"
Deze onverwachte vraag verraste iedereen.
"De honderd marken zilvers zal ik betalen, driemaal zooveel, indien het
noodig is!" voegde Robrecht er bij.
"Eene vrouw, is dit wel mogelijk?" mompelde Hacket. "Hare witte
kleederen? Men zal ze zelfs in de duisternis herkennen ..."
"Neen, neen, in eenen zwarten mantel gewikkeld, in donkere stoffen
gekleed ... O, weigert niet! Een arm meisje zoo binnen eene belegerde
sterkte besloten, alle oogenblikken bedreigd niet alleen met den dood,
maar nog met de gruwelijkste mishandeling der zegevierende
wapenknechten! Neen, dit kan, dit mag niet langer blijven duren. Ik
smeek u, vermits de barmhartige God haar die eenige kans aanbiedt, geeft
uwe toestemming; ik zal er u eeuwig dankbaar om zijn."
Zijne ooms en de andere oversten betuigden dat, indien hij zijn ontwerp
goed en uitvoerbaar oordeelde, zij gereedelijk hunne volle toestemming
gaven en niets meer wenschten dan jonkver Dakerlia den burg te zien
verlaten, in de hoop dat de arme maagd behouden het nog vrije
Kerlingaland zou bereiken.
Mher Sneloghe verzocht zijne ooms met hem naar Dakerlia te gaan, om haar
deze goede tijding mede te deelen en desnoods haar te overtuigen dat zij
deze poging om haar te redden moest aanvaarden.
Zij vonden Dakerlia geknield en biddend tusschen de Kerlinnen die
weenden rondom het lijk van Eggard Van IJsendijke. Deze jonge ridder was
den dag te voren aan zijne wonde bezweken, en zou den anderen morgen op
het kerkhof van St-Donaas ter aarde worden besteld.
Robrechts gelaat was bij zijne intrede door zulke heldere blijdschap
verlicht, dat Dakerlia eenen kreet van verrassing slaakte en met
glinsterenden blik opsprong, als om eene gelukkige tijding te ontvangen;
maar de proost deed haar een teeken, dat zij hen in de naastgelegene
kamer zou volgen.
Hier zeide Robrecht haar met eene stem die door eene koortsige vreugde
was ontsteld:
"Dakerlia, gij gaat vrij zijn, vrij en buiten alle gevaar! Dezen nacht
zal mijn oom de proost door eenige goede, trouwe vrienden uit den burg
en uit de stad geleid worden en naar Yperen gaan. Gij moogt hem
vergezellen!"
[Illustratie: ...tot aan den voet van den muur. (Bladz. 423.)]
De jonkvrouw keek hem verwonderd aan, als verstond zij hem niet.
"Vrees niet, Dakerlia", ging hij voort, "gij zult in gezelschap van
mijnen oom het vrije Kerlingaland bereiken. Gij begeeft u naar Veurne,
naar Lampernisse, en blijft daar in veiligheid te midden uwer magen
wonen, totdat betere tijdsomstandigheden mij toelaten u te gaan
vervoegen ... Ach, u verlost weten, het verheugt mij ontzeglijk! Wees
gij ook blijde, Dakerlia!"
"Ik zou u verlaten?" mompelde de jonkvrouw met eenen lichten spotlach
op de lippen. "Verre van u gaan, u niet meer zien, duizend dooden
sterven in de onzekerheid van uw lot? O, Robrecht, gij kent Dakerlia nog
niet!"
"Hemel, weigert gij dan dit eenig middel om aan eenen bijna zekeren dood
te ontsnappen?"
"Ja, ja; ik weiger", antwoordde de maagd met vast besluit. "Waar gij
zijt, wil ik zijn: de dood zelf zal ons niet scheiden. Indien God over
uw leven had beschikt, dan wierd uw graf het mijne. Alleen ben ik nu op
de wereld met u; gij zijt mij alles en, wat er ook geschiede, Dakerlia
verlaat u niet!"
Een angstkreet ontsnapte Robrechts borst. Hij had wel eenigszins den
tegenstand zijner moedige verloofde voorzien; doch had tevens gehoopt
dien te kunnen overwinnen. Hare koele beradenheid ontnam hem deze hoop
schier geheel.
Zijn oom de proost kwam hem nu ter hulp en poogde door velerlei redenen
jonkver Wulf te doen begrijpen dat zij ongelijk had dit eenig middel tot
verlossing, dat God in Zijne goedheid haar aanbood, zoo vermetel te
weigeren. Zij kon het zich niet ontveinzen dat de Kerels, in den burg,
elk oogenblik met eene beslissende overrompeling waren bedreigd. Nu de
koning van Frankrijk met zijn leger te Brugge ging komen, zouden zij
misschien bezwijken. Dan stond hun allen niets te wachten dan een
ijselijke dood. Wat nut kon zij, door de opoffering van haar leven, het
vaderland toebrengen? Indien zij weigerde met hem den burg te verlaten,
zou zij zich voor God niet schuldig maken aan eenen roekeloozen
zelfmoord? Daarenboven, was zulke belegerde vesting wel de plaats waar
het eene jonkvrouw betaamde te blijven? Moest haar gevoel van
eerbaarheid haar niet zeggen dat bij de inneming van den burg door de
Fransche wapenknechten, een veel ijselijker gevaar dan de dood haar kon
bedreigen?
De kastelein Hacket voegde zijne pogingen bij die zijns broeders; doch
welke moeite ze beiden ook inspanden of wat ze deden gelden, jonkver
Wulf wilde naar niets luisteren en betuigde dat zij tot het einde toe
het lot van Robrecht zou deelen.
Mher Sneloghe greep haar de handen en zeide op smartelijken toon:
"Dakerlia, ik bid u, wees beter beraden! Uit liefde, uit verkleefdheid
voor mij wilt gij u opofferen; maar, dierbare, gij bedriegt u in uwen
edelmoed. Uwe tegenwoordigheid in dezen burg is mij geen troost;
integendeel, zij maakt mij diep ongelukkig."
"Ongelukkig?" herhaalde de jonkvrouw.
"Ja, Dakerlia; gij hebt het gezien, hoe ik sedert vele dagen onder
treurnis en verdriet gebogen ga; hoe de moedeloosheid mij bestormt en
dreigt geheel te overwinnen. Gij meent, dat het verlies mijnes arme
zuster de eenige oorzaak was? Neen, uwe tegenwoordigheid in deze plaats,
het lot dat u beschoren schijnt, zijn de voorname bronnen mijner smart.
Ach, ik bemin u, gij weet het, uit al de krachten mijner ziel. Moeten
vreezen, bijna zeker zijn dat gij hier eenen akeligen dood zult vinden,
uwe verlossing, uwe vrijheid in handen hebben, en ze u zien weigeren!
Begrijpt gij niet, Dakerlia, dat zulke overwegingen mij wreedelijk
martelen? Ach, wees goed, geef mij het liefdebewijs dat ik u smeekend
afbid! Volg mijnen oom en ga naar Lampernisse. O, ik bezweer u, schenk
mij dus, met de zekerheid uwer behoudenis, den verloren moed terug!"
Dakerlia schudde weigerend het hoofd.
"Gij blijft ongevoelig voor mijne bede?" zuchtte mher Sneloghe pijnlijk.
"Maar, Robrecht, en gij, heeren", zeide Dakerlia met eene verrassende
bedaardheid, "hebt gij wel waarlijk de minste hoop gevoed dat ik kon
toestemmen den burg te verlaten en mijnen verloofde een koel en
eigenzuchtig vaarwel te zeggen? Gij doet allerlei gevaren voor mijne
oogen spoken? Maar bestonden deze gevaren niet, dan slechts zou ik doen
wat gij van mij eischt. Nu wil en moet ik blijven. Hoe? Gij voorzegt mij
de komst van een Fransch leger en geweldige aanvallen des vijands?
Robrecht, dien God behoede, kan gekwetst worden. Wie zal hem verzorgen
en troosten! De Kerlinnen die daar binnen zijn? Zal ik, Dakerlia. deze
zending aan vreemde handen overlaten, en rust en vrijheid te Lampernisse
gaan zoeken, terwijl mijn verloofde hier stervend misschien ligt
uitgestrekt en om hulp en lafenis kermt? Neen, neen, wat gij vraagt is
onmogelijk. Het denkbeeld zulker lafheid alleen brengt mijne
verontwaardigde ziel in opstand, en ik bid u, ik bezweer u, heeren,
spreekt mij er niet meer van!"
Allen erkenden innerlijk dat men te vergeefs zou pogen de sterkmoedige
maagd van besluit te doen veranderen. Robrecht, die diep was bedroefd
bij de gedachte dat Dakerlia, door te weigeren, alle hoop op redding
verloor, zeide haar nog met aangejaagdheid:
"Maar, vriendinne, verschrikt het beeld van den pijnlijksten dood u
niet, er is toch iets, iets schromelijks, dat uw fier en kuisch gemoed
kan doen terugdeinzen. Vooronderstel dat de Kerels hier bezwijken en de
burg worde ingenomen. Dan zegeviert de verrader Disdir Vos, hij vat u
aan, rukt u naar zijne woning ... Ach, de booswicht is bekwaam tot de
gruwelijkste misdaad!"
Terwijl hij deze woorden sprak, was Dakerlia's blik fonkelend geworden;
ja, hare oogen vlamden, toen hij door de bedreiging van een grooter
ongeluk dan de marteldood zelf, haar met angst en vervaardheid had
geslagen.
Robrecht en zijne ooms zagen haar aan met de twijfelachtige hoop dat zij
door het denkbeeld van zulk vreeswekkend gevaar overwonnen, tot de
vlucht ging toestemmen.
"Welnu, welnu, Dakerlia?" murmelde mher Sneloghe.
"Welnu?" herhaalde zij met sombere stemme. "Disdir Vos, de verrader, de
lafaard? Ik kan terug in zijne handen vallen? Ja, ik heb er aan
gedacht...."
En zij stak langzaam de hand in hare borst en trok er eenen
glinsterenden moordpriem uit, dien zij stilzwijgend toonde.
De anderen deinsden met eenen angstkreet terug.
Het staal in de vuist wringende, zeide Dakerlia, zonder de minste drift:
"Zoolang Robrecht nevens mij staat, zal hij mij verdedigen; beschikt God
over zijn leven, dan wordt deze moordpriem mijn beschermer. Disdir Vos?
Wat kan hij tegen mij? Ik ben eene Kerlinne! Tusschen den dwingeland en
het slachtoffer graaft de dood in een oogenblik eenen onoverschrijdbaren
afgrond."
Vooraleer de anderen van hunne verbaasdheid konden bekomen, verborg zij
het wapen weder in hare borst en zeide met eenen stillen glimlach:
"Robrecht, uit liefde tot mij, wilt gij mij van hier verwijderd zien;
ik, uit liefde tot u, wil u niet verlaten. Het is dus eene worsteling
tusschen ons beiden. Wie van ons volhoudt en verwint, toont de grootste
liefde. Meent gij dat ik, in dit gevecht der ziel, u de zegepraal zal
gunnen? Verzaakt dus uwe pogingen, heeren; zij zijn volstrekt onmachtig
en nutteloos."
Robrecht greep Dakerlia's handen en drukte vurig in de zijne, terwijl
tranen uit zijne oogen rolden. Hij bewonderde de sterkmoedigheid en de
eindelooze liefde der maagd, ofschoon hare noodlottige weigering hem het
hart met droefheid en schrik vervulde. Er was echter niets aan te doen;
hij moest zich onderwerpen en alle verdere poging opgeven; want dat
Dakerlia onplooibaar zou blijven, daaraan kon hij niet meer twijfelen.
Hij trad met haar en zijne ooms in de andere kamer, waar het lijk van
mher Eggard, gansch gekleed en met een zwaard in de hand, op eene soort
van rusttafel lag uitgestrekt. Hier brandden wel waskaarsen nevens een
kruisbeeld, maar aan de voeten van den dooden stonden insgelijks kommen
met gortebrij en eene kruik bier, zoodat hier, evenals onder de Kerels
der Ambachten, terzelfder tijd Christelijke en Heidensche plechtigheden
werden geoefend.
Om eenige oogenblikken te bidden, knielde Robrecht met Dakerlia op eene
bank en boog in stilte het hoofd.
De proost verliet de kamer met zijnen broeder. Het was tijd dat hij de
noodige maatregelen name, om zijne vlucht te bereiden; want de dag begon
zichtbaar te dalen, en welhaast zou de duisternis invallen.
Opgesloten in eene zaal der proostdij, wogen en wikten zij goud en
gesteenten, om het geld, dat zij Walter Van Lillers beloofd hadden,
onder het minste gewicht bijeen te brengen. Dan overwogen zij welke
kleederen de proost zou aantrekken, opdat hij min herkennelijk ware, en
hoe hij zijne pogingen bij Willem Van Loo zou berekenen om zeker te zijn
dat hij onmiddellijk naar Brugge zou komen.
Toen zij eindelijk onderzochten welke baan hij volgen zou om zonder
ongeval het vrije Kerlingaland te bereiken, stieten zij tegen eene
groote moeielijkheid. Rondom Brugge mocht men de groote wegen niet
volgen, dewijl men daar reizende ridders of wapenknechten kon ontmoeten.
Om met eenige kans op veiligheid te kunnen reizen, moest Bertulf de
afgelegene voetpaden door velden en door bosschen volgen; maar dewijl
hij nooit te voet deze streek des lands had doorkruist, was hij met de
kleine wegenissen in het minste niet bekend.
Zeker, zonder leidsman en zoo gansch alleen, zou hij in de duisternis
verdwalen en misschien in de handen der Isegrims vallen!
In hunne verlegenheid herinnerden zij zich dat er tusschen de mannen,
welke hun door Willem Van Loo waren toegezonden geworden, een Houtkerel
zich bevond, die men den wolvenjager noemde. Deze had zijne gansche
jeugd in de velden en bosschen zwervend doorgebracht, en moest
diensvolgens beter dan iemand de afgelegene wegenissen en doorgangen
kennen. Hij was daarenboven onversaagd, verstandig en verkleefd, en kon
den proost niet alleen een leidsman zijn, maar nog desnoods hem
verdedigen tegen allen aanval.
Zij deden Ivo-den-wolvenjager roepen en gaven hem te kennen wat zij van
hem verlangden. In den eerste verraste hun voorstel den Houtkerel, die
in het geheel geenen lust gevoelde om uit den burg te vluchten, zooals
hij het noemde; maar hunne beloften en hunne smeekingen overwonnen na
lange moeite zijnen tegenstand en hij stemde toe den proost te volgen.
Toen eindelijk het uur zou naderen, riep Bertulf zijne neven en de
bijzonderste oversten te zamen, om afscheid van hen te nemen. Hij
beloofde hun dat hij rechtstreeks naar de legerplaats van Willem Van Loo
zou gaan, en door onweerstaanbare redenen, zelfs door het aanbod van
aanzienlijke hulpgelden, hem zou overhalen om onmiddellijk met gansch
zijne macht naar Brugge te komen. Hij poogde zijne magen en vrienden
vertrouwen in te boezemen, en moedigde hen aan om den burg met
hardnekkigheid te verdedigen, in de zekerheid dat een spoedig ontzet hen
allen uit hunnen gevaarlijken toestand zou komen verlossen.
Hun beurtelings de handen gedrukt hebbende, verzocht hij hun hier in de
benedenzaal der proostdij te blijven; want, indien zij hem op den muur
volgden, ter plaatse waar hij zou nederdalen, dan, ongetwijfeld, zouden
de schildwachten der Isegrims argwaan opvatten en hunne gezellen te
wapen roepen. Niemand zou met hem daarboven gaan dan zijn broeder
Hacket, zijn neef Robrecht en vier sterke Kerels, die hem en zijnen
leidsman zouden aflaten.
Na het uitspreken van een laatst vaarwel, en onder de gelukwenschen
zijner vrienden, verliet hij de gebouwen der proostdij en beklom den wal
nevens het klooster.
Hier stond hij achter de kanteelen met degenen die aangewezen waren om
tot zijne vlucht te helpen. De kastelein, Robrecht Sneloghe en
Ivo-de-wolvenjager waren insgelijks met hem.
Zij zwegen en ontweken zooveel mogelijk alle bewegingen, om niet door de
wakende schildwachten des vijands opgemerkt te worden.
Eens toch fluisterde Robrecht aan het oor van den proost:
"Ik weet niet, oom, mij ontstelt een zonderlinge schrik. Indien gij het
slachtoffer werdt van bedrog en verraad?"
"Stil, stil, gij hebt ongelijk", suisde Bertulf. "In alle geval, het lot
is nu geworpen!"
Reeds hadden zij zeer lang gewacht, en sommigen hunner begonnen te
denken dat het ontwerp door een of ander beletsel was mislukt; want het
vastgestelde uur was reeds voorbij.
Maar daar hoorden zij in de verte de zware stappen van eene bende
wapenknechten, en zelfs de galmen van verwarde stemmen. Zij bogen zich
dieper achter de kanteelen en keken bespiedend door de schietgaten,
terwijl de bende meer en meer naderde.
Eensklaps zagen zij iemand eene ontstoken lantaarn over- en
wederzwaaien. Het zwakke licht werd onmiddellijk uitgedoofd.
Op dit sein omhelsde Bertulf in stilte zijnen broeder en zijnen neef.
Allen sprongen haastig boven den wal; de proost en Ivo-de-wolvenjager
zetteden den voet in eenen strop, grepen een dik touw met beide handen
aan en daalden neder tot aan den voet van den muur.
Hier werden zij zeer ruw aangegrepen, vastgehouden en weg gerukt als
echte gevangenen. Zij begonnen te vreezen, en zouden zich zeker verraden
gewaand hebben, had niet de waarschijnlijk berekende stilte der
wapenknechten hun nog eenig vertrouwen ingeboezemd.
Walter Van Lillers, die den proost bij den schouder hield en hem
voortstuwde, fluisterde aan zijn oor:
"Laat u doen en wees stom; niet al mijne mannen zijn met ons. Een
gedeelte slechts kent geheel het ontwerp; de anderen meenen dat wij u in
eenen strik hebben gelokt. Veins evenals wij."
Omtrent de St-Janskapelle hield Walter Van Lillers zijne bende staan en
sprak:
"Wij hoeven niet zoo sterk te zijn om deze twee Kerels naar de
gevangenis te leiden. Meester Daneel, ga met tien wapenknechten terug
naar den burg, langs den kant van den Maalberg; daar zullen, zooals ik u
heb gezegd, nog andere van die vermaledijde Blauwvoeten u in de handen
vallen."
Mher Daneel moest wel van de zaak weten; want hij koos, niet zonder
geheim inzicht, onder zijne mannen er tien uit, en keerde met hen terug
in de Wapenmakersstraat.
Dan begaf mher Walter zich met zijne gevangenen op weg door afgelegene
straten, totdat zij de Smedepoort gingen naderen.
Hij deed zijne gezellen achter eenen hoek blijven staan, en zeide tot
den proost en zijnen leidsman:
"Neemt nu eene losse, onbekommerde houding; spreekt luid en gebaart u
alsof gij niet in het minste op eenig gevaar bedacht waart."
Na deze woorden stapte hij met hen naar de poort, waar de overste hem
scheen af te wachten.
"Mher Ogier", zeide hij, "ziehier twee poorters die met mij uit de stad
moeten gaan. De veldheer...."
"Ik weet het; mij zijn daarover bevelen toegekomen", onderbrak de
overste. "De stormegge is reeds opgehaald. Zie, daar opent men de poort.
Vaarwel en goede reis!"
Eenige oogenblikken daarna bevonden zij zich in het open veld. Weder had
Walter Van Lillers hun de stilte bevolen, en zij volgden hem zwijgend
gedurende schier eene halve mijl.
Hier bleef hij staan en zeide hun:
"Nu zijt gij verre buiten den kring der brandwachten. Ik ga u verlaten
en naar de stad terugkeeren. Mijne belofte heb ik gansch vervuld; geef
mij nu het geld, om mijne vrienden en de wapenknechten te betalen[78]."
Bertulf ontgespte de lederen tassche, die hem aan den gordel hing en
reikte ze aan Walter.
"Zij weegt inderdaad zwaar", mompelde deze verheugd. "Hoeveel bevat ze?"
"Vijfhonderd marken."
"In goud."
"In goud en in kostbare juweelen."
"De rekening is zeker juist."
"Er is meer in waarde, mher Walter; maar om u geen mistrouwen te laten,
beloof ik u, indien ik het leven behoud, u in betere tijden en op uwe
eerste vraag, nog vijftig marken zilvers te schenken als bewijs mijner
dankbaarheid."
"Nu dan, ik druk u de hand, heer proost, en wensch u alle geluk."
Hij verwijderde zich in de baan naar Brugge.
"Langswaar nu onze stappen gewend?" vroeg Bertulf aan zijnen leidsman.
"In dien pikdonkeren nacht kan men zelfs den weg niet zien."
"Nog twee boogschoten verder", antwoordde Ivo-de-wolvenjager, "komen wij
aan eene zandbaan die dwars door het Frinte-bosch loopt, tot aan
Aertryke toe. Daar wenden wij ons links af naar Thourout en zonder deze
stad te naderen, bereiken wij de baan naar Staden en naar Yperen....
Geef mij de hand, heer proost; want hier is eene drooge gracht die wij
overstappen moeten. Wij verlaten de groote baan."
De proost liet zich leiden. Hij drong aan de hand van Ivo in een dicht
bosch.
Daar eerst achtte hij zich in veiligheid; het was hem alsof een steen
hem van de benauwde borst viel.
"Ha, God zij geloofd!" riep hij uit. "Ik vreesde nog verraad, maar hij
was oprecht en trouw. Verlost! Verlost!"